De Rijn, de fles, de hoeren en Vites; dat was Arnhem, tot er afgelopen zondag een dennenappel aan dat rijtje werd toegevoegd. Na 125 jaar van droogte – twee keer kampioen van de eerste divisie daargelaten – heeft Vitesse eindelijk een grote prijs te pakken. Of er überhaupt een prijzenkast in het Gelredome staat, weet ik niet – het zal me niets verbazen als de dennenappel-vormige KNVB-beker als deurstopper in de kantine gebruikt wordt.

Als geboren en getogen Ernemmer had ik in de brugklas een Vitesse-schoolagenda, in die lelijke paars-gele kleuren van hoofdsponsor Nuon. Die agenda was Vitesse: niet fraai en het paste niet echt bij elkaar, maar toch hield je ervan. Voor mij is Vitesse nog steeds de club die in de jaren 90 furore maakte in Europa. In 1992 zwichtten we (toen was het nog ‘we’) pas in de achtste finale voor het grote Real Madrid.

De wedstrijd die me het meest is bijgebleven, is Parma-thuis in 1994. Mijn idool Hans Gillhaus maakte op Nieuw-Monnikenhuize het enige doelpunt van de wedstrijd. Voor Bos, Cocu en Helder ging je naar het stadion. En voor aanvaller Gillhaus, de doelpuntenmachine met de uitstraling van een pak blanke vla.

Toen nog wel, want door al dat gedoe met schimmige eigenaren uit het Oostblok en de ‘samenwerking’ met Chelsea is de oude trots van de stad een vreemdelingenlegioen geworden waarvoor nauwelijks meer iemand naar het stadion gaat. In het Gelredome, dat aan de verkeerde kant van de Rijn staat, was in de eerste seizoenshelft één op de drie stoeltjes leeg als Vitesse thuis speelde.

Toen Van Wolfswinkel zondag tegen AZ zijn tweede tegen de touwen schoot, wist ik zeker: Gillhaus had er drie gemaakt.