Je mag over tennis zeggen wat je wil, maar het blijft een debiele sport. Wat hangt dat net daar eigenlijk te doen? Oké, het houdt ballen tegen, maar verder heeft het totaal geen nut. Het racket dat spelers gebruiken is zo goed als onbruikbaar. Ze zijn nagenoeg verplicht om het altijd in dezelfde hand te houden, en je moet er eens op letten hoeveel ballen ze, uitgerekend met zo’n racket, buiten de lijnen slaan.

— Pas op: satire! Elke week fileert de onderschatte Vlaamse schrijver Herman Brusselmans een overschat persoon uit de wereldgeschiedenis. ‘Een stilistische oefening in iemand uitschelden’, zoals hij het zelf noemt. Dat kun je grappig vinden, of niet. Illustratie: Steve Nestorovski. —

Het veld heeft belachelijke afmetingen. Het tennis zou er alleen maar bij winnen als een tennisveld even groot zou zijn als een voetbalveld, met als bijkomend voordeel: op de ene dag speelt men er voetbal op, en op een andere dag tennis. Er hoeft geen tekening bij dat de beoefenaars van tennis allicht voor geen enkele andere sport willen deugen.

Kim Clijsters heeft eens aan wielrennen gedaan en al in de eerste bocht reed ze rechtdoor een weiland in waar ze via een botsing een grazende koe ernstig blesseerde aan de ellepijp. Björn Borg heeft het geprobeerd in de autoracerij, en ja hoor, hetzelfde scenario: in de eerste bocht rechtdoor en in botsing met een grazende koe. In dit geval was het dier nog op slag dood ook.

Vedetten in het tennis, zo je ze al vedetten mag noemen, zijn oninteressante, niet al te intelligente, luie, bijzonder saaie en hypernerveuze types, die, voor ze een bal opslaan, aan hun neuspunt voelen, aan hun oorlel trekken, hun rug krabben, een scheet laten en met hun tongpunt voelen of al hun tanden nog in hun bek staan.

Onder deze gepatenteerde neurotici was John McEnroe de ergste. Voor hij een bal opsloeg riep hij ook nog eens keihard dat z’n moeder een hoer was, spuwde hij naar de toeschouwers op de eerste rij en liet hij niet één maar twintig scheten. Daarna sloeg hij de bal naar het kruis van de tegenstander. Wat een verschrikkelijk sujet.

Hij werd geboren op 16 februari 1949 als zoon van Jack McEnroe, een eenhandige bassist bij de rockgroep The Lick My Rates, en Jenny McEnroe- O’Sullivan, die bij mensen thuis de onderkant van het meubilair ging poetsen. Deze twee misbaksels voedden hun zoon op tot een onuitstaanbare etter, waarvoor hij hen iedere dag bedankte door de banden van hun auto stuk te steken met een schroevendraaier, door hun ondergoed in te smeren met kattenbraaksel en door hen ‘fucker’ en ‘loser’ te noemen.

Toch mocht hij op tennisles, en volgens sommige insiders deed hij het niet slecht, zodat hij, zoals alle tennissers die niet blind, invalide of geestelijk gehandicapt zijn, al meteen mocht meedoen aan Grand Slam-toernooien. Hij won er zeven, na bedreiging, omkoping en verleiding van de umpires. Hij werd geprezen om z’n precisie. Als je in het tennis de bal niet voortdurend uit het stadion mept, word je immers geprezen om je precisie. Er zijn nog wel meer dingen waarvoor John McEnroe geprezen werd, en die dingen kunnen integraal de boom in.