Martin Koolhoven (47) maakte met Brimstone een film alsof hij hierna geen films meer mag maken. Een zegetocht van een klassieke western, met een unieke invalshoek waarin de Nederlandse cultuur in het Amerikaanse pioniersverleden centraal staat. ‘Ik wil films maken die reuring veroorzaken.’

Fotografie Corné van der Stelt

We gaan even terug in de tijd. Hoe kwam het dat je films bent gaan maken?

‘Ik groeide op in Asten en het lag helemaal niet in mijn vocabulaire om films te gaan maken. Ik was gewoon een filmgek. Ik had er nooit over nagedacht dat het tot de mogelijkheden behoorde om filmmaker te worden, tot ik op de opleiding zat om verstandelijk gehandicapten te helpen. Ik was toen tussen de zestien en de twintig, en die studie had een vak dat, volgens mij, audiovisuele vorming heette. Dat was een beetje gedoe met fotografie, radio en video. Maar het kwam nog steeds niet in me op om films te maken. Ik zocht met hulp van een leraar naar een vervolgopleiding in het audiovisuele. Ik zei: “De filmacademie!” Hij zei toen iets van: “Ja, dat zou ik ook wel willen.” Het was gewoon de vervan-mijn-bedshow. Uiteindelijk kwam ik in Sittard terecht op een school waar ik vier jongens ontmoette die heel stellig zeiden dat ze filmregisseurs wilden worden. Toen zei ik dat ik dat ook wilde, alsof het altijd al zo was. De opleiding was eigenlijk om bedrijfsfilms te maken, maar wij gingen gewoon de hort op en maakten onze eigen filmpjes. Via omwegen kwam ik uiteindelijk toch op de academie in Amsterdam terecht.’

Hoe kon je je eerste film maken?

‘Nou, op de filmacademie werd er al gezegd dat het weleens wat zou kunnen gaan worden. Mijn studieleider scheen tegen producenten “die moet je in de gaten houden” te hebben gezegd. Een heel strenge man, aan mij heeft hij nooit iets laten merken. Frans van Gestel en Jeroen Beker van Motelfilms gaven vijf jonge makers met het Route 2000-project de kans om vijf lowbudgetfilms te maken. Door mijn derdejaarsfilm kreeg ik de kans om daaraan mee te doen. Daar begon het een beetje. Na de academie kon ik een Lolamoviola maken – ook een project voor jonge filmmakers. En zo kon ik Duister Licht maken, zelf geschreven. Mijn eerste film buiten school om, ik heb er zelfs twee nominaties voor de Gouden Kalveren voor gekregen. Daarna kreeg ik Suzy Q aangeboden. Ik had een probleem met het scenario, dus ik heb de eerste helft herschreven. Dat was mijn eerste echte film, maar ook die van Carice van Houten, Michiel Huisman, de cameraman en de editor. Suzy Q heeft eigenlijk een hele nieuwe generatie gebracht.’

Lees het volledige interview op Blendle.