Iedere week wonen journalist Martijn Neggers en illustrator Jeroen de Leijer in de rechtbank een zitting bij waarin gewone mensen ter verantwoording worden geroepen. Geen zaken die breed worden uitgemeten in de media, maar huis-tuin-en-keukenleed. Deze week: meneer H. die zijn vrouw met een zware stoel in elkaar sloeg.

Illustratie Jeroen de Leijer

‘Meneer H,’ vraagt de rechter, voor de zekerheid. ‘Weet u waarom u vastzit?’

‘Ik heb te horen gekregen dat ik zondag ben opgepakt omdat ik mijn vrouw bedreigd en gestalkt zou hebben,’ moppert H. een beetje. Het lijkt erop dat hij het zelf een beetje overdreven vindt dat men hem opgepakt heeft.

‘Oké, want die is hier aanwezig, hè?’

‘Ja. Dat weet ik.’

Op de achterste bank zit de vrouw van meneer H. luid snotterend te huilen. De deurwaarder duwt haar een doos tissues in haar handen, maar het helpt eigenlijk maar amper. De rechter kijkt een keertje op naar H.’s vrouw. Na drie keer opkijken, en opnieuw beginnen omdat de mevrouw er te hard doorheen huilt, onderbreekt de rechter de zaak.

‘Mevrouw,’ probeert ze zo vriendelijk mogelijk, ‘ik begrijp dat u geëmotioneerd bent, maar u moet echt stil zijn.’

De vrouw in de banken snuit haar neus in een tissue. ‘Ik snap het, ik snap het,’ verzucht ze. ‘Maar het lukt gewoon niet.’ Dan gaat de rechter toch maar door. De vrouw van de verdachte probeert zich flink te houden.

Vertrouwensbreuk

Meneer H. is een kale man, ergens achterin de vijftig, op gympen. Hij vertelt dakloos te zijn en PTSS te hebben. Begin december is hij getrouwd. Hij zit terecht omdat hij eind december zijn vrouw met een zware stoel in elkaar geramd heeft, haar bedreigd heeft, zijn overbuurman bedreigd heeft en de ruiten van het huurhuis van hem en mevrouw H. ingeslagen heeft.

‘Oh, nog even,’ bedenkt de rechter zich, ‘uw raadsvrouw is er niet meer? Zij heeft zich onttrokken als advocaat.’

‘Nee, nee, dat klopt ja, die had mij een mail gestuurd, dat ze me niet meer vertrouwt. Een vertrouwensbreuk, zei ze. Ik weet verder ook niet hoe en wat.’

Alle zaken worden gevoegd behandeld, vertelt de officier, wat erop neerkomt dat alle straffen op één hoop gegooid worden en dat daar dan een oordeel over geveld wordt. Meneer H. vindt het allemaal prima.

‘Ik bedoel,’ voegt hij eraan toe, ‘dat dit hele gedoe, dit hele akkefietje mij gewoon mijn huwelijk heeft gekost.’

‘Oké.’

Mevrouw H. begint weer hard te huilen. Ze vraagt aan de deurwaarder of ze wat mag zeggen. Die schudt nee, en geeft haar een glaasje water. De officier verduidelijkt de aard van de misdrijven nog wat.

‘Meneer H. wordt verweten dat hij zijn overbuurman heeft bedreigd met de woorden: “Je gaat eraan vanavond, voor jou ga ik 20 jaar zitten.” Verder heeft hij mevrouw H. zwaar lichamelijk letsel toegebracht, terwijl hij tegen haar riep “Ga weg, ga weg, ik sla je helemaal de kanker in en ik maak je af”, waarna hij de EHBO-caravan heeft vernield, waar mevrouw behandeld werd. Ook heeft hij wat spullen bij de Nettorama weggenomen.’

‘Ja, meneer, klopt dit allemaal? Uit verschillende verklaringen blijkt inderdaad dat u dit geroepen heeft. Verder had u blijkbaar ook een fles in uw hand? Omstanders hebben een vrouw horen schreeuwen. Reageert u daar eens op.’

‘Ja, ik kan me daar dus heel weinig van herinneren. Ik weet echt niet meer precies wat er gebeurd is. Het zou kunnen kloppen, ja. Maar ik zeg het al: dit akkefietje heeft me gewoon mijn huwelijk gekost. Ik vind het wel jammer dat het gebeurd is, ja. We hebben hele moeilijke tijden gehad. Dat was net de tijd dat we dakloos zijn geworden. Inmiddels drink ik niet meer zoveel als toen. En met die drank op ben ik gewoon, nou ja… Want ik ben van de week wéér opgepakt omdat ik haar stalkte en bedreigde en ik was daar helemaal niet.’ ‘Maar u had toch een contactverbod?’

‘Ja, maar dat was volgens mij niet helemaal meer geldig. En over en weer werd daar toch niet aan gehouden, dus ja.’

Neerwaartse spiraal

Even is het stil. Meneer H. lijkt zich een beetje in een slachtofferrol te willen manoeuvreren, wat op zich, gezien de situatie, best knap is. ‘Ja, ik ben nu ook gewoon weer dakloos hoor, daar niet van.’

Aan zijn linkerhand lijkt H. een trouwring te dragen. Bij zijn vrouw is het door de doos tissues moeilijk te zien of ze haar ring nog om heeft.

‘Oké,’ gaat de rechter verder. ‘En die overbuurman dan? Dat was ook wel een stevige bedreiging, toch?’

‘Ja, maar hij heeft mij ook al zo vaak bedreigd.’

Het gesprek kabbelt van de de mishandeling naar de bedreiging, van de bedreiging, naar de andere bedreiging, naar de winkeldiefstal. Meneer H. bagatelliseert alle misdrijven, of hij ontkent ze. De rechter lijkt zich een beetje aan zijn antwoorden te ergeren. Als hij uiteindelijk min of meer, in tegenstelling tot zijn bekentenis bij de politie, toch weer de winkeldiefstal ontkent, lijkt de maat vol bij de rechter.

‘U bent niet zo van het meteen dingen toegeven, niet?’

‘Nou, nee, zo is het niet. Ik had gewoon niet alles gejat. Alleen maar een aantal spullen. Ja, ik had geen geld, dus toen ging ik naar de Nettorama en dacht ik: ik ga er gewoon voor. We kijken wel waar het schip strandt.’

Het lijkt erop alsof er maar moeilijk met meneer H. in discussie te gaan is. Hij is veel vergeten en herinnert zich hele fragmenten van de geschiedenis anders dan zijn omstanders, of dan hijzelf op eerdere momenten. Uiteindelijk krijgt hij voor de hele som aan misdrijven 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De rechter vraagt hem of hij er nog een laatste woord over wil zeggen.

‘Nou ja, ik heb er op zich best spijt van hoor, maar ik zit gewoon in een neerwaartse spiraal en ik kom er maar niet uit.’

‘Oké,’ antwoordt de rechter.