Er zijn minstens zoveel ratten als mensen in Rotterdam. Komt de opmars door al het voedsel op straat, of door het ingestelde verbod op gif? Of wordt de rat gewoon steeds slimmer in het ontlopen van de vallen? In de Maasstad kennen ze de problemen als geen ander. Op pad met rattenvanger Willem van Scheers. ‘Moet je die klerelijer zien!’

Fotografie Alexander Schippers

‘Ja hoor, beet.’ Rattenvanger Willem van Scheers stopt zijn gehandschoende vuist in de betonnen kist en haalt er een dichtgeklapte val uit. Eén morsdode rat: eindelijk. Volgens sommige schattingen nog een miljoen te gaan en Rotterdam is rattenvrij.

We zijn al drie weken bezig met ons verhaal over de rattenoverlast in de Maasstad. We hebben ze in de verte zien scharrelen, in de bosjes horen piepen en voor de foto tevoorschijn gelokt. Maar eentje vasthouden, dood of levend, bleek lastiger dan gedacht. Wat wil je ook; de rat is een van de meest begaafde overlevingskunstenaars op de planeet. De mens kan uitsterven, maar de kans dat de rat van de aardbodem verdwijnt lijkt nihil.

Van Scheers legt de rat voorzichtig op de straat. Het is een bruine, natuurlijk. Zwarte ratten vind je hooguit in de haven, al schijnt de soort momenteel met een opmars bezig te zijn in Brabant. Dit exemplaar zal zich in elk geval niet meer voortplanten. Witte buik, spitse snuit, de zwarte oogjes zijn nog net niet geraakt door de klem die door de enorme kracht zijn kop bijna van de romp heeft gescheiden.

Een dood uit het boekje, zo ziet Van Scheers het graag. ‘Het is dan wel een rat, maar zo’n beestje moet niet lijden. En hij is slim, hè? Er zijn klemmen waar weken niks in komt.’ Heeft hij weleens een levende rat in een val gehad? Willem schudt het hoofd: ‘Nooit. Als ie met alleen zijn poot in een klem komt, vreet ie zijn eigen poot door.’ Ja, dan ben je een echte overlever.

Als havenstad heeft Rotterdam nooit een gebrek aan ratten gehad. De stad zag gedurende zijn geschiedenis de knaagdierpopulatie geregeld exploderen. In de jaren 50, jaren 80 en nu ook weer wordt er gesproken van een ‘onhoudbare situatie’. Komkommernieuws? Niet helemaal. De overlast is in sommige wijken als Crooswijk, Spangen en Kralingen serieus te noemen. Ratten hollen er over vensterbanken, vallen katten aan en ondertunnelen stoepen, met verzakkingen en valpartijen tot gevolg. Een kind kreeg een rat tussen fietswiel en dynamo.

Permanent rattenbuffet

Waarom juist nu? Belangrijk is de constatering dat we het de rattus norvegicus met z’n allen wel heel aantrekkelijk maken. Een overvloed aan eten op straat zorgt voor een permanent rattenbuffet. En gif strooien is door Brussel verboden. Niet gek dat de gemeente veel tijd en geld steekt in zowel de bestrijding van de rat als de bewustwording van haar burgers. Want een rattenprobleem is in de eerste plaats een mensenprobleem.

Het is begin oktober, het Afrikaanderplein op Zuid. We hebben in café Bloemfontein afgesproken met een aantal Rotterdammers die de rat als geen ander kent. Zoals Willem van Scheers, al bijna veertig jaar in dienst bij de gemeentelijke plaagdierbestrijding (‘24 uur per dag oproepbaar, maar voor een kakkerlak moet je me niet wakker maken’). Nel Noël, als voorzitter van de gebiedscommissie Feijenoord een klankbord van 73.000 burgers (‘Lullen voor spullen op het stadhuis, daar komt het op neer’). Anneke Strasters, die al een decennium een kruistocht voert tegen zwerfvuil, indirect de grote aanjager van de rattenplaag (‘Altijd aardig blijven, dan bereik je het meest’).

De drie beginnen direct de laatste nieuwtjes op het gebied van rattenoverlast te delen. Willem: ‘Bij de Markthal hebben we er al zestien gevangen.’ Nel: ‘De gebiedsdirecteur hier vertelde dat toen ze een dag na de markt een winkelwagentje aantroffen met voedselresten, die vol zat met etende ratten.’ Anneke: ‘Weet je dat ze bij de groenvoorziening achter het stadhuis gewoon heen en weer lopen? Het stadhuis!’

Willem bevestigt dat de rattenpopulatie zich in pieken manifesteert. ‘Vijf jaar geleden hadden we hier in het Afrikaanderpark nog een explosie. Toen hebben we de boel vol gezet met gif en was het binnen afzienbare tijd over. Dan is het even stil en steekt het weer de kop op. Nu werken we met klemmen in betonkisten, want gif mag niet meer. De mensen moeten stoppen met eten op straat te gooien.’

Anneke valt hem bij. ‘Liep ik een paar weken geleden op het Visserijplein, en als je dan ziet wat die marktkooplui wegmieteren. Een kist appelen, zo op de grond. Of een rotte meloen.’ Ze is een actie tegen zwerfvoedsel begonnen, die inmiddels breed gesteund wordt door de gemeentelijke politiek: Rattenplan 010. Slogan: Geen Ratterdam maar Rotterdam! ‘Een stedelijk voederverbod, zodat betere handhaving mogelijk is. Als dat wordt aangenomen, trek ik mijn schoenen uit en ga ernaast lopen. Dan ben ik zo trots dat ik dat bereikt heb.’

Bak haring

Nel ziet nog een lange weg voor zich: ‘Maar je moet wel kunnen handhaven. Die mannen lopen daar wel rond, maar alleen bij heterdaad mogen ze bekeuren.’ Ze vertelt hoe ze een paar weken terug nog zag hoe een marktkoopman aan het einde van de dag een bak haring omkieperde in het park. ‘Handhaver ernaartoe, maar ja, niet op heterdaad betrapt. Kunnen niks doen.’ Voedselverspillers komen in verschillende smaken. Zoals de hardnekkige voederaars, die Anneke onvermoeibaar blijft aanspreken. Ze woont zelf in Crooswijk, de armste wijk van Nederland. Bijna elke dag haalt ze, vaak met hulp van buurtkinderen, een vuilniszak vol zwerfafval op. ‘Ik ken een man, die koopt hele broden om uit te strooien. Maakt ie eerst nat, want dan kunnen de vogels het makkelijker eten, zegt ie.’

Ze vertelt over het dametje in de wijk die heel haar achtertuin vol zette met vogelvoer, tot verdriet van de omwonenden. ‘Begint een buurvrouw op z’n Crooswijks te tieren, logisch. Nou, ze zou het niet meer doen. Loop ik er van de week langs, heeft ze in de voortuin een parasol neergezet waar allemaal voederstrips aan hingen. Dan ben je geen vogelliefhebber meer, dan ben je puur voor jezelf bezig.’

‘Zullen we eens op pad gaan?’ Willem van Scheers staat op om het clublied van Feyenoord in praktijk te gaan brengen. Bestemming is het park pal naast de Afrikaandermarkt. Hier was afgelopen zomer de overlast enorm. Terwijl het park vol picknickende bewoners zat, renden de ratten gewoon tussen de mensen door. Inmiddels zijn overal de bosjes gesnoeid en is klimop weggehaald. Allemaal onderdeel van Integrated Pest Management (IPM); de aanpak waarmee op milieuvriendelijke wijze plaagdierenoverlast wordt tegengegaan. Gif is verbannen, want grote vogels als reigers en kraaien eten de rat en sterven – de zogenaamde doorvergiftiging.

Borders, perken, een talud afgewerkt met een stalen wand: de nietsvermoedende bezoeker ziet een fraai aangelegd park. Willem ziet vooral schuilplaatsen voor ratten. Hij wijst op een rij van zeker twintig holen, vlak langs de stalen afscheiding. ‘Kijk, hier kruipen ze allemaal in. Als je dit weg zou halen, zou je allemaal gangen vinden. Ik snap dat dit een soort kunstwerk is, maar hier moet echt wat gebeuren. Eruit halen en er beton in storten, want dit zijn allemaal schuilplaatsen. ’ Als onderdeel van IPM hebben Willem en zijn mensen op strategische plekken klemmendozen staan, lokkisten van beton met elk twee klemmen erin. ‘Die voel je wel hoor. Ik heb weleens zo’n ouderwetse houten jongen op m’n vingers gehad, onder een koelkast. Ach, ik heb toch dikke vingers.’ Hij gniffelt en opent een doos. Leeg. Een klem krijgt een nieuwe lik pindakaas, en afwachten maar.

Geduld is een schone zaak. Er mogen dan volgens een ruwe schatting evenveel ratten als Rotterdammers zijn, in de eerste paar dozen die we openen zit niks. Maar schijn bedriegt. Van Scheers: ‘Van de zomer kon ik niet slapen. Dan ging ik hier ’s nachts met een zaklantaarn ratten kijken. Dat was gewoon bizar zoveel als ik er hier zag.’ Hij wijst naar een kale muur. ‘Dit is al een heel stuk beter. Hier stond een hele grote klimop, daar zaten ze allemaal tussen. Maar ja, je kunt niet al het groen van Rotterdam platgooien. De gemeente vindt het ook belangrijk dat het een groene stad blijft.’

Rat in de nek

We lopen langs een aantal vaste medewerkers van het park. Iedereen ondervindt overlast. Bij vogelopvang Karel Schot komen de ratten op het voer af. Stond een medewerker klimop te snoeien, viel er een rat in z’n nek. De aangrenzende botanische tuin is zelf maar aan de slag gegaan met rattenklemmen. De score tot op heden: 64 stuks. Paul van de naschoolse opvang Duimdrop weet wel hoe het komt: ‘De mensen blijven alles maar op de grond gooien. Dan spreek je ze erop aan, dan krijg je “sorry.” Ja, daar zit de gevangenis vol mee. Het is de cultuur hier: je flikkert gewoon alles weg. Als je rat bent, moet je híer wonen – het is twee keer per week markt.’

Willem onderbreekt hem; hij heeft iets zien bewegen in het gras. Uit een van de gaten bij het talud komt een flinke rat doodgemoedereerd onze kant op. Van Scheers schudt zijn hoofd. ‘Tien over twee, klaarlichte dag. Moet je die klerelijer zien.’ Fotograaf Alexander loopt zijn kant op en de rat schiet weer naar binnen. Maar als Alexander zich twee meter verderop posteert, komt het beest weer naar buiten en laat zich onbekommerd fotograferen.

Een juf van de speeltuinvereniging bevestigt dat de ratten steeds brutaler worden. ‘Kwamen er kindjes naar ons toe: hebben jullie soms hamsters hier? Wij: ja! Maar het is gewoon vies, die beesten zitten in de zandbak waar de kinderen spelen. Ze brengen de ziekte van Weil over. En het is zo’n fijn park, met Paul en zo. We waren blij dat de junkies allemaal weg waren, en nu komen de ratten. Die junkies kon je er tenminste nog op aanspreken.’

Naast de botanische tuin ligt de Kocatepe Camiimoskee. Ook de imam is ingeschakeld om zijn gemeenteleden de noodzaak van een schone straat onder de aandacht te brengen. Cultuurverschillen blijken een rol te spelen. De islam schrijft voor dat eten verspillen zondig is. Anneke Strasters weet er alles van. ‘Bij een opruimactie kreeg ik naar mijn hoofd: ja, maar wij zijn gastvrij. Oh, bedankt, ik dus niet? Bij mij thuis is ook genoeg brood, maar wel in de vriezer. Als ik onverwacht gasten krijg, haal ik dat er gewoon uit.’

Zij en Nel willen niet dat de discussie een ‘wij tegen zij’-karakter krijgt. ‘De mensen van de moskee staan achter ons, en het is niet enkel de islam die dit doet. Het zijn ook de Hollandse opaatjes en omaatjes die denken dat de beesten doodgaan als je ze niet voert. Die vertellen dat weer aan hun kleinkinderen.’ Anneke heeft een kinderboekje over de gevaren van zwerfafval gemaakt dat nu op Rotterdamse scholen wordt uitgedeeld: Bolle Arie. Twee uur rondlopen heeft ondertussen nog geen enkele gevangen rat opgeleverd, maar des te meer rondhuppelende levende exemplaren. We snappen de frustratie van Van Scheers: het vangen is door het IPM lastiger geworden, en ondertussen worden de ratten steeds brutaler. We spreken af om een week later met Willem alleen ’s avonds op pad te gaan.

Opgezette beverratten

De afdeling plaagdierbestrijding zit in het pand van Stadsbeheer aan het Kleinpolderplein. Willem van Scheers ontvangt ons in wat bijna een klein museum over ongenode gasten mag heten. In zijn kantoor staan opgezette beverratten, knapen van wel een halve meter lang. De bak met buitenmodel kakkerlakken komt direct tot leven wanneer Willem er een blaadje sla in gooit. ‘Mooi, hè?’

In Willems busje gaan we op pad. Een onvervalste Rotterdammert, trots op zijn stad. Stones-fan, glas halfvol-mentaliteit. Bijna veertig jaar trouwe dienst levert genoeg verhalen op voor een spannend boek. Want Willem heeft ook hennepkwekerijen opgeruimd en woningen ontsmet. Onderweg wijst hij links en rechts naar panden die hij ooit bezocht. Een zelfmoord in een hotel. Een muizenplaag bij een bakkerij. ‘Ik heb in kruipkelders gelegen, daar liepen de ratten over mijn benen. Ergens lag iemand vier maanden dood, dan gaan de stoffelijke resten in de vloer zitten. Als dat beton is, moet de toplaag eraf. Anders gaat die lucht er nooit meer uit.’

We nemen met hem wat sterke verhalen over ratten door. Dat ze steeds groter worden bijvoorbeeld. ‘Onzin, je hebt er flinke jongens bij, maar de bruine rat wordt niet groter dan dertig centimeter.’ Dat valt dan weer mee. En springen ze mensen naar de strot als ze zich bedreigd voelen? ‘Welnee, maar het zijn felle beessies hoor. Ik heb er weleens een onder mijn schoen gehad, ging ie piepen en gillen. Haalde ik mijn voet weg, kwam ie gewoon weer terug. En blazen, hè?’

Het ultieme horrorverhaal over ratten die via de wc-pot de badkamer binnendringen, valt helaas niet in de categorie broodje-aap. ‘Ik heb het een paar keer meegemaakt. Kwam er een rat omhoog, kreeg de man de schuld omdat hij op de bril had gepiest. Onzin natuurlijk, dan moet er echt wel iets mis zijn met de riolering. Vroeger hingen we dan een boterham met gif aan de bril.’ Ah, de onbekommerde dagen van voor het IPM.

We passeren club Tropicana, verlaten de Maasboulevard en nemen de Oosterkade langs het water. Pal onder de rood oplichtende Maasbrug heeft Willem een paar kistjes staan. Hoeveel zijn het er eigenlijk in heel Rotterdam? ‘Zo’n vier-, vijfhonderd, maar we gaan richting duizend. En om de twee dagen controleren, hè?’ Het rattenprobleem als werkverschaffing.

Even later staan we dan eindelijk oog in oog met onze eerste gevangen rat. Is het een mannetje of een vrouwtje? ‘Ga ik niet over nadenken. Perfect hier, hè, mannen?’ Willem wijst naar het inderdaad meesterlijke panorama van de nachtelijke skyline. Hij poseert met zijn vangst. Als uw journalist na enig aansporen het beestje ook even heeft vastgehouden, is het mooi geweest. ‘Zal ik hem maar opruimen, die acteur?’ In de wagen krijgen we een ontsmettingsmiddel aangereikt. Willem wil graag zijn pensionering halen zonder ziekte van Weil.

De overige kisten aan de Maasboulevard leveren niets op. Uit enkele geparkeerde auto’s worden verstoorde blikken onze kant op geworpen. Tijd om te gaan. Is Willem nooit benauwd om zo laat op pad te zijn? ‘Ik ben nog nooit ergens bang voor geweest. Maar ik heb ook geen zin in ruzie, ben ik niet voor in de wieg gelegd. Van de week nog was ik bij een parkeergarage op Zuid, duivenpennen plakken, komt er een vent aanrijden. Gooide zijn hele kofferbak leeg onder het metrostation. Stokbroden, de hele rotzooi. Ik zeg: “Moet je het niet mee naar huis nemen?” Gelijk: “Hou je muil joh, klootzak. Is voor de duiven.” Oké, fijne avond.’

Het zit hem niet lekker, die mentaliteit. ‘Er moet nu volop gehandhaafd worden, het begint uit de klauw te lopen. Mensen kieperen hele zakken leeg. Waarom nou niet eens lik op stuk een vette bekeuring uitdelen?’ We draaien het terrein van Stadsbeheer op. ‘Maar we moeten ook niet overdrijven hoor. Toen ik veertig jaar geleden in dienst van de gemeente kwam, was het eerste wat ik moest doen een rat vangen bij mensen in huis. Nou zijn we veertig jaar verder. Als ik over veertig jaar op de eeuwige jachtvelden lig, lopen er nog ratten, hoor.’

All you can eat

We passeren de wasstraat als plotseling een rat vanonder een vuilcontainer schiet. Willem moppert en parkeert zijn busje. Een nachtwaker komt naar buiten. ‘Overdag zie je niks, maar na zessen komen ze te voorschijn.’ De man wijst naar een betonnen richel van een meter of dertig lang tegenover de wasstraat. Willem legt uit dat daarachter de veegwagentjes hun afval storten. ‘Daar ligt zoveel rotzooi tussen, appeltjes van de markt enzo. Dat is een keuzemenu daar. All you can eat, zonder bandje.’

Terwijl Alexander zijn camera in de aanslag houdt, richt Willem zijn zaklantaarn op de afvalhopen. Drie ratten kijken verstoord om. Ze zijn allemaal een stuk dikker dan het exemplaar dat we gevangen hebben. Als Alexander te dichtbij komt, schommelen ze weg, met enige tegenzin. Willem: ‘Gisteren zat hier nog een reiger ratten te vangen. Die vreet ze in één keer op. Kom mannen, we gaan een bakkie doen. Of moeten jullie terug naar Amsterdam? Ga ik niet mee, hoor.’

Hij werpt een laatste blik op de vuilnishoop.

‘Zag je ze lopen, die viezeriken? Die ene was echt een dikzak, hahaha!’ Gelukzalige blik.

‘Mooi, hè?’