Een van de grootste jaarlijks terugkerende zomerevenementen in ons land is misschien wel het bloemencorso. Niet alleen in Zundert en in Valkenswaard wordt naarstig geplukt en geprikt, maar ook noordelijker, diep in de polder, is het elk jaar weer bal. Onze man ging op zoek naar de magie van het bloemenprikken.

Fotografie Clemens Rikken

Ergens in de weilanden, tussen een aantal sloten en een stukje van wat ooit de Zuiderzee was, ligt Vollenhove, tussen dorpjes als Heetveld, Kraggenburg, Kadoelen en Muggenbeet. Vollenhove mag dan bekend zijn vanwege de beruchte dubbele moord uit 1878, verder is er over het algemeen niet al te veel aan de hand in het plaatsje. Ja, elk jaar een bloemencorso dus. En daarvoor zijn zo’n beetje alle 4000 inwoners weken in touw – ieder bij zijn eigen club.

Ik ben welkom bij de club Corsogroep Nameless, die huist in een boerenhal, ergens tussen de vele weidse weilanden en sloten. Als ik mijn auto in de berm parkeer, loop ik een boerenerf op, waar een oude man staat te lassen. Even kijken we elkaar aan. Ik twijfel. Zit ik wel goed? Dit lijkt me niet echt iets waar een bloemencorsowagen gemaakt wordt. Dit is gewoon een boerenbedrijf.

Ik ehh, ik kom ehh… ‘Voor de bloemen?’

Ja. Er zou hier ergens een soort bouwdag zijn voor het Vollenhovese bloemencorso?

De man zegt verder niet veel meer, maar knikt in de richting van een van de schuren. Dan gaat hij weer verder met lassen. Los daarvan is het behoorlijk stil hier, in de polder. De serene rust maakt me een klein beetje zenuwachtig. Ik weet niet zo goed waar ik terecht ga komen. Is het een soort carnavalsclub? Is het een soort bloemenverering avant la lettre? Ik haal een keer diep adem en stap naar binnen.

Als ik de hal in loop waar gewerkt wordt, lijkt niemand me op te merken. Ik wandel tussen een enorm bebloemd bouwwerk door, een andere hal in, waar aan een paar tafels allemaal mensen naalden in bloemen prikken. Iedereen werkt geconcentreerd door. Af en toe lacht er iemand, maar er wordt toch vooral geprikt.

Dezelfde vader en moeder

Dan zwaait Geert, een van de bouwers naar me. Hij wenkt, om me een stukje wagen te laten zien. Hij geeft me een hand en begint meteen vol trots naar allerlei details op de corsowagen-to-be te wijzen. ‘Hier, kijk, dit wordt een dakje,’ mompelt hij, terwijl hij naar een dakje wijst. Ik knik beleefd.

Begint te komen, niet?

‘Jawel, jawel, maar we zijn er nog niet. En de concurrenten zitten hier gewoon om de hoek, hè. Een concurrent zit hier een boerderij links, en rechts zit ook nog een club.’

Ah ja. En wat wordt dit, deze wagen?

‘De maan.’

De maan?

‘Ja. En een meisje. Ze kijkt uit het raam, naar de maan. Vandaar dat dakje ook, natuurlijk.’

Dat is potverdomme een spectaculair tafereel.

‘Dat hoop ik wel voor d’r, ja.’

Maar even voor mijn begrip, hè? Is het een wedstrijd hier in het dorp, of is het gewoon voor de leuk, iedereen maakt wat, en we rijden allemaal een keer rond?

‘Het is een stad, hè, pas op! Vollenhove is een stad!’

Oh, pardon. Want, hoeveel mensen wonen er?

‘Vierduizend. Ja, oké, dat is natuurlijk niet heel veel, maar het is écht een stad, hoor. En dit corso is overigens wel degelijk een wedstrijd. We willen wel winnen, hier.’

Ah, natuurlijk. En die mensen hier een boerderij verderop? Maken die een beetje kans?

‘Hier rechts? Nee, nee. Och, nee. Bij lange na niet. Die op de boerderij hier links, misschien. Maar rechts, nee.’

Er komt nog een jongen bij staan, die zich voorstelt als Gerald. Als ik in eerste instantie abusievelijk óók Geert versta, beginnen de twee meteen te lachen.

‘Ja, we heten hier allemaal ongeveer Geert,’ legt Geert uit. ‘Gerald, Geert,’ gaat hij door, ‘we hebben toch allemaal bijna dezelfde vader en moeder, hè.’

Geen tuin

Terwijl Geert weer verder gaat met zijn dakje, laat Gerald me trots zien waar hij zelf mee bezig is. We wandelen langs tafels waar de moeders, de ouderen van dagen en de kleine kinderen van Vollenhove nog altijd naalden door dahlia’s aan het duwen zijn.

En wat is de mooiste wagen die hier ooit rondgereden heeft?

‘Men zegt, ja, heu, we gaan dat zelf niet zeggen hè, maar men zegt: “Het vergeten leven van de Zuiderzee”.’

En wat was dat?

‘Ja, die was dus van ons. We hadden de kade van Vollenhove gemaakt. Dat was de voorwagen, en daarachter hadden we dus een enorme botter.’

Een botter?

‘Ja, zo’n oude boot.’

En dat was de mooiste van het dorp, ever?

‘De stad, hè, ho ho, Vollenhove is een stad.’

O ja, pardon. Ik vergeet het steeds. Maar, komend weekend wordt het heel erg warm, toch?

‘Ja.’

En hoe doe je dat dan? Met prikken en zo?

‘Gewoon zweten.’

Oké.

‘Nou ja, en de bloemen krimpen natuurlijk.’ Pardon?

‘Ja. Bloemen krimpen in de hitte. Weet je dat niet? Heb jij geen tuin of zo?’

Nee, joh, ik kijk wel uit.

Even kijkt Gerald verbaasd naar me, alsof ik hem in de maling neem. Hoe kan iemand nou geen tuin hebben? Hij woont in een stad, en zelfs híj heeft een tuin. Dan schudt hij een keer zijn hoofd, en neemt hij me mee naar zijn werkplek.

‘Kijk, hier ben ik nou mee bezig, de hele dag. Dit is het hoofd.’

Eerlijk is eerlijk, hoewel het van bloemen en piepschuim gemaakt is, ziet het er best mooi uit. Ook Gerald begint meteen allerlei details aan te wijzen.

En wat is nou de grootste fout die een mens kan maken, bij het prikken der bloemen?

‘Als in?’

Nou, wat is nou echt een beetje hoofdzonde nummer één in de prikkerij?

‘Ah, zo. Ik zou zeggen: dakpannen leggen.’ Dakpannen?

‘Ja,’ begint Gerald, meteen enthousiast dat hij iets bloementechnisch uit kan leggen. ‘Ja, dat je bijvoorbeeld die bloemen zo, en zo, en zo hup, naast elkaar prikt. Dat is gewoon echt niet goed, snap je,’ gaat hij verder. Ter verduidelijking houdt hij een aantal bloemen naast elkaar en kijkt hij me veelzeggend aan. Ik snap niet zo goed wat hij bedoelt, maar knik toch maar.

Ja, precies. Dan gaat het helemaal mis.

‘Precies.’

Starkwark en Tsjakkan

Als ik vervolgens bij de bloemenpriktafels, waar nog altijd onverminderd voortgeprikt wordt, aan de praat raak met Sander, komt weer de concurrentie ter sprake. Sander vertelt, met een beetje weemoed in zijn stem, dat zijn club vroeger wel echt een van de beste was, maar dat ze al tijden geen prijzen meer gewonnen hebben. Met een bloedserieus gezicht vertelt hij over de concurrentie. Dat ze het wel zwaar hebben, de laatste tijd.

Ah! De concurrentie is killing?

‘Ja, die is wel killing hoor. Maar, een topvijfnotering moet elk jaar wel lukken.’

Ah, kijk aan. Want ik hoorde eerder van Gerald, dat de buren hier een boerderij verderop er geen kut van kunnen. Welke buurtschappen zijn dan wel, eh, top of the bill, zeg maar?

‘Ja, om te beginnen werken wij niet met buurtschappen. Dat is meer een Zundertdingetje.’

Ah, ja, en in Zundert kunnen ze er natuurlijk helemaal niks van.

‘Nee, uiteraard niet.’ Even valt Sander stil. Even gaat hij bij zichzelf na of hij inderdaad heeft gezegd dat de organisatoren van het grootste corso van Nederland een stelletje prutsers zijn. Dan herpakt hij zichzelf. ‘Maar hier werken we dus met verenigingen, met een stuk of vijftig, honderd mensen erin. Veel kennissen, vrienden, ouders, aanwas, dat werk.’

En jullie zijn dus Nameless, maar welke clubs zijn de te kloppen clubs?

‘Nou, laten we zeggen, wij zijn dus niet meer helemaal de top. Wij zitten, zeg maar, tegen de top aan. En de top, dan hebben we het over een Starkwark. En Tsjakkan.’ Starkwark? Tsjakkan?

‘Ja. En een club als Rataplan. Of Fenomenaal. En wij toch ook nog wel hoor, dat zijn wel de clubs die bovenin meedraaien. Maar, vergis je niet: het is allemaal heel vriendschappelijk, hoor. Als er een club extra bloemen nodig heeft, dan komt iedereen helpen.’

Ah, dat dan weer wel.

‘Ja, het is ook wel gewoon voor de gezelligheid, natuurlijk.’

Maar na de optocht is het wel gewoon knokken, toch?

‘Ja. Dat wel ja. Zoveel mogelijk.’

Konten of ontkonten

Sander stelt me voor aan zijn ouders, die al twee dagen onafgebroken naaldjes door dahlia’s heen duwen. Zonder al te veel te praten, zitten ze naast elkaar aan een van de lange tafels.

Wat zijn jullie eigenlijk aan het doen? ‘We zitten te konten,’ zegt Sanders moeder.

Pardon?

‘Ja,’ vult haar man aan, met een ernstig gezicht.

‘Ja, die bloemen hebben een soort bolle kont, snap je? Kijk.’

De vader van Sander laat me de achterkant van een bloem zien. Doodserieus wijst hij het groene kontje van de bloem aan. ‘Kijk, dit moet er dus vanaf. En dan, ja dan moet je dus een spijkertje pakken, en die moet er dus dan bijna helemaal doorheen. En dan gaat ie hier in deze kist.’

Hij wijst, ook hier weer zonder ironie, naar een plastic krat waar iedereen aan tafel de geprikte bloemen in gooit.

‘Ja,’ zegt zijn vrouw, die zich toch voor de zekerheid nog even met het gesprek bemoeit, ‘ja en de kleine kinderen komen de blaadjes ophalen, altijd.’

Oké.

Het mag duidelijk zijn: de wereld kan ten onder gaan aan oorlog, hongersnood of klimaatverandering. De mensheid kan zichzelf schreeuwend ten gronde storten, maar de bloemencorso in Vollenhove zal altijd blijven bestaan en uiteindelijk wint Starkwark. Of Tsjakkan. Zonder een spoortje van ironie.