Voor velen zijn de middeleeuwen een verzameling van donkere jaren: de pest, de kruistochten, feodale onderdrukking, en natuurlijk nergens goeie wifi. Toch zijn er nog altijd mensen die niets liever willen dan terug naar de tijd van ridders, boogschutters en een leven zonder riolering. Onze man zocht ze op.

Fotografie Clemens Rikken

De binnenplaats van het kasteel staat al vroeg behoorlijk vol. Niet per se met ridders en edellieden, maar met een plaatselijke Honda-motorvereniging. Terwijl de voorzitter van de vereniging een speech geeft en het café dat bij het kasteel hoort bedankt voor de lekkere taartjes en de koffie, beginnen de eerste burchtbewoners langzaam over het terrein te scharrelen. Een aantal mensen maakt een vuur bij de poort van de vesting, en links staat een man in een wit kasteeltenue die een wapenslijper klaarzet. Er lopen een paar boogschutters voorbij. De burcht ontwaakt.

Kasteel Doornenbrug wordt al een aantal jaar bemand door een groep ridders die zichzelf de Knights of the Four Quarters noemen. Elke derde zondag van de maand komen ze samen, en leven en trainen ze met elkaar zoals echte ridders dat zouden doen in een middeleeuwse burcht. Soms komt er een mandenvlechter mee, soms een smid of een worstenroker, en soms zijn ze er alledrie. Ook vandaag zijn de ambachtsmannen present. Terwijl ze hun middeleeuwse handeltje opzetten, kijken ze een beetje argwanend naar de motorclub. Ze lijken het een soort invasie te vinden, van de de anders altijd zo rustige burcht. Voordat de motorclub op pad gaat om de wegen van Gelderland en Duitsland te verkennen, willen ze nog een groepsfoto. Twee zwaardvechters kijken van een afstandje toe, met een zuinig gezicht. De fotograaf sommeert de hele groep bij elkaar te gaan staan. Dan kijkt de fotograaf verstoord naar de smid van de burcht.

‘Hé, kunnen jullie effe weg?! Jullie staan in beeld!’

Een beetje beteuterd ruimt de smid en zijn gezel het pad. Na een paar seconden kijkt de fotograaf weer op van zijn camera.

‘Hé! Hé, Ivanhoes!’ roept hij naar de twee ridders. ‘Gaat eens aan de kant, joh!’ Even kijken de twee mannen elkaar aan, alsof ze op het punt staan hun zwaard te trekken. Dan gaan ze toch ook maar aan de kant voor de foto. De motortochtjesvereniging juicht. Nu kunnen ze mooi op de foto in een middeleeuws kasteel, maar wel zonder al die malle ridders erop. Als de motorfietsvereniging uitgejuicht is, loop ik naar Charles, een van de wat oudere ridders, toe.

Een echte middeleeuwenbril

Wat een contrast, dit.

‘Wat?’

Nou, jullie, en de motormuizen.

‘Ah ja,’ verzucht Charles, ‘ja, dat was niet helemaal gepland, nee.’ Charles plukt een beetje aan zijn katoenen tuniek. Dan ineens valt zijn bril op. Een soort houten geval, met leren bandjes eromheen. Ik knik naar zijn bril.

‘Ja! Dat is mooi, hè! Kijk, ik ben boogschutter hier, en die hadden natuurlijk vroeger helemaal geen bril, want dat werd je alleen maar als je hele goede ogen had. Maar voor wetenschappers en priesters was dit een beetje hoe het zicht wat geholpen werd.’

Dat is een echte middeleeuwenbril, neem ik aan?

‘Zeker. Kijk, wij proberen de geschiedenis zoveel mogelijk eer aan te doen. Sommigen noemen dit misschien riddertje spelen, of re-anactment, hè. Maar die re-anactors, die in hun vrije tijd historische veldslagen na gaan spelen, die doen dit puur en alleen voor zichzelf.’

En jullie?

‘Nou, wij doen het ook wel voor publiek, hoor.

We zien het meer als levende geschiedenis. Het is wel een hobby, maar ook wel echt voor het publiek. Bij ons mogen kinderen ook gewoon komen kijken. En aan de spullen zitten en zo.’

Ik kijk om me heen. Nergens is er publiek op de binnenplaats van de burcht. Dan kijk ik nog eens naar Charles, die trots naar me lacht.

Kan het kloppen dat ik niet echt publiek zie?

‘Nee, ja, dat klopt,’ antwoordt Charles. Dan is hij even stil en kijkt hij om zich heen. Zo staan we een paar seconden. Charles probeert een paar keer met zijn antwoord verder te gaan, maar bedenkt zich toch. ‘Nou ja,’ zegt hij na een tijdje.

Ik ga nog even bij de boogschutters kijken.

Als ik iets verder de binnenplaats op loop, word ik begroet door de directeur van de stichting die het kasteel beheert. Hij leidt me naar binnen en vertelt enthousiast over het kasteel, over de evenementen hier en over de ridders die een paar vertrekken beheren, in ruil voor hun aanwezigheid.

‘Kijk, ik ben hier maar een omstander. Ik mag de directeur zijn van de stichting die het kasteel beheert, maar de mannen en vrouwen daar op de binnenplaats, dat zijn natuurlijk de echte ridders. Zij trainen hier, komen hier samen en houden de geschiedenis in ere.’

Door elkaar met paard en zwaard te bevechten tot het bittere eind?

‘Nou, ja, nee, niet helemaal natuurlijk. Kijk, het is natuurlijk gewoon een hobby. De een mag graag een potje dammen op de zondagmiddag, de ander trekt zijn harnas aan en neemt een slagzwaard in zijn handen.’

Maar daar gaan uiteindelijk toch doden bij vallen?

‘Hier valt het wel mee, hoor. In Nederland zijn best strenge regels als het gaat om zwaardvechten. Ons spectaculairste ongeluk was tijdens een jousting-evenement.’

Pardon?

‘Met van die lange houten lansen, dat je elkaar van een paard af moet steken, je kent het wel. Nou, soms schiet er weleens een splintertje van zo’n lans af. Bij een Franse ridder schoot er een flinke houtsplinter onder zijn helm door, linksonder, zo zijn kin in. Wat denk je?’

Nou?

‘Schoot er zo bij zijn rechterwang weer uit. Ja, dat was wel even schrikken, toen die ter aarde stortte. Uiteindelijk hebben ze hem wel weer opgelapt in het ziekenhuis, hoor. En het publiek vond het prachtig, die applaudisseerden. Die dachten natuurlijk dat het erbij hoorde. Ja, tot de ambulance hier binnenreed.’

Ik vind het nogal…

‘Maar die splinter, die hebben we dus bewaard.

Mooi opgepoetst, die hangt hier als een trofee aan de muur. Mooi man. Nee, maar verder valt het hier best mee, hoor. Kijk naar Engelsen, die zijn veel erger hoor. Of de Russen en de Polen.’

O ja? Hoezo dan?

‘Als er daar riddertoernooien zijn, dan is dat in principe grotendeels zonder spelregels. En dan weet je het wel. Dan staan de ambulances gewoon met tien tegelijk buiten te wachten, hoor.’

Buiten staat ridder Charles inmiddels in een volledig ingepakt boogschutterskostuum zijn eigen boog te spannen. Om hem heen lopen nog wat andere boogschutters. In de verte volgt een klein klasje jonge ridders hun eerste zwaardvechttraining. Zodra Charles me ziet, komt hij meteen weer naar me toe. Hij legt uit dat de veldtraining misschien niet doorgaat, omdat het gras wat te zompig is voor de paarden.

Oei. Denk je dat de paarden en de ridders in de modder weg zouden zakken?

‘Als het te drassig is wel, ja,’ antwoordt Charles beteuterd. Dan bedenkt hij zich ineens iets. ‘Wil je mijn klotendolk zien?’

Ik weet niet zo goed wat ik daarop moet antwoorden, Charles.

Charles lacht en haalt een kleine dolk uit een holster aan zijn riem. Het is een dolk van ongeveer twintig centimeter, en aan het gevest zitten geen handbeschermers, maar twee grote ballen. Zijn dit wat ik denk dat het zijn?

‘Kloten, ja.’

Als in… ‘Ja. Dit was een wapen voor boogschutters, als ze belaagd werden. Daarmee konden ze de veel zwaarder geharnaste zwaardvechters mee, ehh…’ In hun ballen steken.

‘Ja, daar komt het wel op neer, ja.’

Dan word ik meegenomen door een van de sterridders van de Four Quarters: ridder Paul. Ridder Paul is een Noord-Ier, die in Engeland een fudgewinkel heeft, maar zich heden ten dage voornamelijk focust op zijn ridderschap. Aan alles wordt duidelijk dat hij de grote man van het kasteel is. Een jongen die aan een tafel een maliënkolder repareert, noemt hem, een beetje onderdanig, niet bij zijn naam, maar ‘marshall’. Als ridder Paul bij het klasje komt kijken, laat hij de jonge ridders even zien wie de beste zwaardvechter van het fort is. Met twee zwaarden gaat hij in gevecht met twee jongere ridders. Toch is Paul een sympathieke gozer, met vooral een heel erg groot hart voor de middeleeuwse geschiedenis. Vol trots laat hij de vertrekken zien van zijn riddergezelschap. Achteloos duwt hij me een paar eeuwenoude zwaarden in mijn handen. Dan een goeiedag en een vijfhonderdjarige dolk. Ik wijs naar een lepel die op tafel ligt.

Is die ook van voor de oorlog?

‘Nee, die is onlangs nagemaakt.’

Ah, ja, dat zul je altijd zien.

Heet ijzer in het vuur

Ondertussen wordt er bij de ambachtslieden flink doorgewerkt. De mandenvlechter heeft zijn eerste mand al voor de helft af, en ook de wapensmid heeft het hete ijzer in het vuur hangen. Ik kijk naar hoe hij een gloeiende ijzeren staaf in het vuur port. De smid ziet me, maar zegt niets.

Dit wordt een mes?

‘Ja.’

‘Pardon? Franse soldaten onthoofden? Dat doen wij hier niet. Dit wordt een gebruiksmes.’

Voor eten.

‘Bijvoorbeeld.’

Zwijgend gaat de smid verder met smeden. Een klassieke middeleeuwse ambachtsman. Zoveel mogelijk daden, zo weinig mogelijk woorden. Het begint nog wat harder te waaien, de eerste regendruppels beginnen met de wind mee te komen. De middeleeuwse worstenroker kijkt met een zuinig gezicht naar de hemel. ‘Dat wordt niks, hoor,’ mompelt hij profetisch, terwijl hij een klein knikje naar het veld buiten de burcht maakt.