Het autokerkhof, de laatste rustplaats voor je oude, vertrouwde bakkie. Waar de auto waar je kinderen in verwekt werden voor het laatst op de handrem gaat. Hier zijn maar weinig mensen te vinden. Onze man ging op zoek naar de enigszins gesloten ziel van de autosloop.

Het autokerkhof ligt er stil en op het oog verlaten bij. In de verte klinkt een slijptol, en links komt er uit een garagehal het geluid van een schelle fabrieksradio. Het is koud maar droog in Rucphen, waar Arjan Franken een van de grootste autosloperijen van Oost-Brabant runt. Aan de rand van het terrein staat een kast van een villa, het huis van Arjan. Daarachter een kantoortje en een paar garagehallen vol met uit auto’s gesloopte onderdelen. Binnen in het kantoortje begroet de mevrouw aan de balie me meteen.

‘Koffie?’ Lekker. Hoi trouwens, ik ben Martijn. De mevrouw kijkt van mij naar de camera van fotograaf Alexander. Even knijpt ze haar ogen samen. Ze twijfelt of ze zichzelf ook zal voorstellen. ‘Hoi,’ antwoordt ze, een beetje bedachtzaam, zonder haar eigen naam te noemen. ‘Melk of suiker?’ Nee, dank je. Terwijl ze koffiezet, komt Arjan, de eigenaar van de autosloop, binnenlopen. ‘Ik had eigenlijk nog nooit van de Nieuwe Revu gehoord,’ begint hij. ‘Terwijl ik best wel veel tijdschriften lees, hoor. Maar ik lees bijvoorbeeld liever de Schroot, of de Recycle Magazine.Ach ja, natuurlijk. Nee, maar de Nieuwe Revu, die ken ik niet, hoor.’ Even kijkt hij opzij, naar zijn vrouw. ‘Jij?’ ‘Ja, ik ken de Revu wel.’ ‘Oh…’ antwoordt hij verbaasd. Ook Arjan zelf lijkt een beetje op zijn hoede te zijn. Terwijl hij aan tafel komt zitten, begint hij meteen te vertellen dat hij een geweldig bedrijf heeft, met oog voor mens en milieu. Hij herhaalt een paar keer dat hij een integer en oprecht bedrijf heeft. Oh, maar zijn er dan veel sloperijen die dat niet zijn?

Zijn vrouw valt hem in de rede: ‘Ho, ho, wij zijn geen autosloop, hè. Wij zijn een autodemontagebedrijf. Dat is iets heel anders. Wij slopen niet, wij demonteren.’ Oké. Nee, ja, omdat op internet ook sloperij staat. ‘Ja, dat, maar dat doen we voor de hits op Google.’ Hè? ‘Nou ja, mensen gaan toch op sloperij zoeken.’ Maar jullie zijn geen sloperij? Is dat dan niet een beetje als een theater dat op internet zegt dat het een bioscoop is, zodat er meer mensen op de website komen? ‘Ja, ja, zo kun je het wel zien, ja.’

Corina

Even valt het gesprek een beetje stil. Ik kijk van Arjan naar zijn vrouw, naar mijn bekertje koffie. ‘Maar, vooruit, om op je vraag terug te komen: er zitten wel cowboys tussen, natuurlijk, in de demontagewereld, maar daar zitten wij niet bij, hoor.’ Oh? Wat voor cowboyverhalen… ‘Nee, wij doen daar niet aan mee, hoor. Wij nemen het hier allemaal serieus.’ Ja, maar… ‘Nee, dan moet je toch bij het kamp gaan kijken, als je dat wilt. Met al die wilde praktijken. Maar daar ga ik niks over zeggen, hier, dat snap je wel.’ Oh… Niks? ‘Nee, niks. Want dat zet jij allemaal zeker weer in je verslagje.’

Dan gaat de voordeur van het kantoortje open. Er komt een autosloper binnen van een jaar of 50. ‘Pieter, jongen, kom erbij zitten. We hebben journalisten binnen. Van de Nieuwe Revu. Ken je dat?’ ‘Natuurlijk ken ik de Nieuwe Revu.’ ‘Oh,’ antwoordt hij beteuterd. ‘Ik had er nog nooit van gehoord.’ Weer gaat de deur open. Jenny, de moeder van Arjan, komt binnen met een heel klein hondje. Ze komt meteen aan tafel zitten en begint te praten. ‘Jahaaa… Je denkt misschien, autosloop, autosloop, jaja. Maar we hebben hier ook wel echt mensen in tranen gehad, hoor. We hadden eens een keer een meiske dat een lelijk eendje in kwam leveren. Dus wij geven d’r een bakske koffie en zeggen dat we goed voor haar auto gaan zorgen.’ Mooi toch? Waarom moest ze daarom huilen? ‘Nou ja, de auto ging natuurlijk gewoon de shredder in. Wat denk je? Stond ze in de file achter de vrachtwagen waar ie achterop stond opgestapeld. Stond ze in tranen bij ons terug. Dat we beloofd hadden dat we er goed voor zouden gaan zorgen.’ Oei. ‘Ja, nou ja, dat verwacht je ook niet, natuurlijk.’ Jenny zucht een keer en knikt nog eens. Het hondje strekt zich uit. Arjan roert nog eens in zijn koffie. Zijn vrouw vraagt of ik nog een koffie wil. Ik schud nee, en probeer nog eens te achterhalen hoe ze heet.

Nou heb ik alleen even gemist hoe je ook weer heette?  ‘Dat komt omdat ik niet gezegd heb hoe ik heet,’ antwoordt ze, deels triomfantelijk, deels gespannen. Ze kijkt haar man aan. ‘Ze mogen wel weten hoe je heet, hoor,’ stelt hij haar gerust. ‘Ja?’ ‘Welja.’ ‘Ik heet Corina.’

Dodelijk ongeval

Na het ontvangst met Jenny en Corina loop ik samen met Arjan over het terrein. Trots laat Arjan zien waar hij al zijn verschillende soorten auto-onderdelen bewaart. Hij legt uit dat hij er een systeem voor heeft. Daarna laat hij trots zien dat hij een bewegingssensor voor de lampen heeft, omdat hij natuurlijk ook bezig is met het energieverbruik.

We lopen over het terrein, langs torenhoge stapels autokarkassen. Alexander, de fotograaf, wijst naar een man in de verte die met een slijptol een auto doormidden zaagt. ‘Klein momentje, ik wil daar even een foto van maken,’ mompelt hij. ‘Nee, nee, daar niet van,’ antwoordt Arjan meteen resoluut. Oh, waarom niet? ‘Nou. Nee, gewoon, want dat zet jij dan weer in je verslag.’ Ja, maar waarom dan niet? 

Ineens houdt Arjan zijn mond en draait hij zich van ons weg. Zonder iets te zeggen en zonder om te kijken loopt hij weer door, met zijn handen op zijn rug. Na een paar seconden wijst hij naar een rij auto’s. ‘Maar we hebben alle auto’s dus op merk staan. Daihatsu’s bij elkaar, Renaults bij elkaar, etcetera,’ begint hij ineens weer, uit het niets. Ik probeer hem bij te houden. Dan staat hij even stil en draait hij zich om, om een andere stapel auto’s aan te wijzen.

Oké. Maar wat gebeurde daar nou net? Met die auto? ‘Nou, ja, oké. Als je het dan echt zo nodig moet weten: dat was een dodelijk ongeval.’ Die auto? ‘Ja.’ Dat is best wel heftig. ‘Ach, ja tegenwoordig maakt de brandweer dat wel weer goed schoon, hoor. Maar ik heb het allemaal wel gezien, vroeger. Vroeger ging het allemaal wat minder secuur. Dat het bloed nog op de banken zat, of aan de portiers. Ik heb nog weleens een paar schoenen gevonden. Dat is toch wel even slikken.’ Een paar schoenen? ‘Van de voormalige chauffeur. Maar ik heb het nog wel erger gezien, hoor.’ Poe. Ik vind het nogal wat. ‘Ja, ja eigenlijk wel. Maar het went. En wat ik zeg, tegenwoordig is de brandweer er wel secuurder mee. Maar je begrijpt dat het niet fijn is om de auto van een overleden naaste ontmanteld te zien worden.’ ‘Vroeger ging het allemaal wat ­minder secuur. Dat het bloed nog op de banken zat, of aan de portiers. Of je vond een paar schoenen’

Ik Moet Me Laten Gaan

Na het gesprek over de dodelijke ongelukken lijkt er iets veranderd te zijn in Arjan. Niet alleen buiten breekt de zon langzaam door, zelfs onze autodemonteur begint nu wat te ontdooien. We lopen samen over het terrein heen en houden even stil bij de autobanden. ‘Kijk,’ begint hij meteen, als we voor zijn bandenverzameling staan. Dit vind ik nou mooi. Hier, die staan dus allemaal gesorteerd, hè. Ik heb er nu ook een nieuw rek voor laten maken, komen ze allemaal nog in.’

Het kan het doorkomende zonnetje zijn, maar even lijkt het of Arjan echt geraakt is door zijn gesorteerde autobanden. Van een afstandje komt ook Corina aanlopen. Ook bij haar heeft de argwaan het toch verloren van het enthousiasme en ze vertelt voluit over het familiebedrijf. Dan komt ineens Youri ter sprake, de grote trots van het bedrijf. ‘Youri is een zanger, hè, en een goeie ook, hoor,’ vertelt Corina. ‘Ik moet me laten gaan,’ vult Arjan aan. Pardon? ‘Ga hem eens halen,’ zegt hij tegen zijn vrouw. Corina duikt het kantoortje in. Een paar minuten later komt ze met een jonge autosloper terug. Hij vertelt dat zijn eerste hit Ik Moet Me Laten Gaan heet. Youri is niet echt een man van veel woorden. ‘Ik zie John West en Tino Martin wel een beetje als mijn voorbeelden, denk ik.’ Oké, oké, en treed je ook op? ‘Jawel, jawel,’ antwoordt Youri. ‘Steeds meer,’ vult Arjan enthousiast aan. ‘Prachtig mooi. We waren een keer in een café, en toen mocht ie van de kroegbaas een liedje zingen door de microfoon. Heeft ie uiteindelijk de hele nacht staan zingen. Dat zegt wel wat, vind ik, want dat wil iedereen natuurlijk. Nee, dat gaat hartstikke goed. Tenminste, tot op zekere hoogte natuurlijk, want hij moet wel kunnen blijven demonteren. Toch, Youri? dit is voor de Nieuwe Revu trouwens. Ken je dat?’

‘Ja.’ ‘Oh… Jij ook al.’ Arjan en Corina zwaaien me enthousiast uit, terwijl ik terugloop naar mijn rammelende Volvo uit 1994. Even kijk ik bezorgd of hij er nog staat, of dat hij per ongeluk al gedemonteerd is.