Inmiddels is volgens de regel van de kerk de vastenmaand begonnen, die in de katholieke gebieden van Nederland traditioneel volgt op de vijf dagen carnaval. Het vasten is er met de jaren wat vanaf gesleten, maar carnaval wordt nog onverminderd gevierd. Onze man stapte het oog van de orkaan in en bezocht de Striepersgatse carnavalsmis.

Fotografie Alexander Schippers

Eén week per jaar worden de Brabantse dorpen en steden omgedoopt tot wat ze de meeste status en bekendheid geeft. Eindhoven wordt Lampegat, vanwege Philips, Tilburg Kruikenstad, vanwege de textielindustrie. Het zuidelijke grensdorp Valkenswaard, van oudsher het thuis van sigarenfabrieken als Hofnar en Willem II, wordt tijdens de vastenavond (term voor carnaval, maar dan voor insiders) Striepersgat. En daar, op zaterdagochtend in alle vroegte, vindt de Striepersgatse carnavalsmis plaats in een kerk aan de kop van het dorpsplein.

Het is 10.45 uur, ik sta verkleed bij de ingang van de Nicolaaskerk. In het café naast de kerk verzamelen prins carnaval en de Raad van Elf. Een dikke man van rond de vijftig met een paar veren op zijn hoofd gaat rond met een blad bier. Er klinkt carnavalsmuziek en iemand deelt worstenbroodjes uit. Het Brabantse cliché is binnen vijf minuten bevestigd. Klein / Inzetje

Zoete geur van alcohol

Langzaam maar zeker druppelt de kerk vol. De Striepers en Strieperinnen zijn verkleed en van alle leeftijden. Twee bejaarden schuifelen richting de voordeur van de kerk. Hij draagt een blauw-gele pet en dito sjaal, zij loopt met een wandelstok in de hand en draagt een roze pruik met een hoedje erop. Een meisje van een jaar of 25, verkleed als dansmarieke, komt haastig Lifestyle aangelopen. Terwijl ze een beetje heen en weer ijsbeert voor de deur van de kerk, werkt ze nog snel een gehaktstaaf naar binnen. Aan de deur staat een man in een officieel ogend uniform. Hij heeft een soort tambour-maîtrestok in zijn handen en een sjerp om zijn schouders waarop ‘Eerbied voor Gods huis’ staat geborduurd. Het meisje met de gehaktstaaf gooit haar servetje in een vuilnisbak op het plein. Ze loopt naar binnen en knikt naar de beveiliger van Gods huis. Hij knikt terug. Los van de carnavalsmuziek naast de kerk is het redelijk stil op het plein. Mensen komen zonder veel te praten aanlopen en gaan, zonder al te veel te praten in de kerkbanken zitten. Sommigen zijn okselfris en gretig om te beginnen met de week, anderen zweten al een zoete geur van alcohol uit, die zelfs in de buitenlucht te ruiken is.

Dan ineens wordt de stilte doorbroken. Vijf vrouwen en één man, allemaal rond de zestig, komen met een fietskar het plein op lopen. Ze zijn verkleed als hippies. Uit de boxen van hun fietskar, waar op de zijkant in een soort Austin Powers-achtige letters ’t Hermenieke van Nix staat geverfd, klinkt harde hippiemuziek. Son of a Preacher Man. In het café naast de kerk gaat een lid van de Raad van Elf weer met een blad bier rond. De hoempapa schalt hard en scherp over het terras. Voor de kerk zetten de hippies van ’t Hermenieke van Nix hun bakfiets op slot en beginnen om het ding heen te dansen. Er sloft een gezin in badjassen, met groene maskers op, de kerk in. Iemand zwaait naar de hippies. Een ander knikt naar de tambour-maître van God.

Als ik om 11.00 uur de kerk binnenstap, zitten bijna alle banken al vol. Twee keer per jaar hebben ze hier nog een vol huis, wordt me verteld. Met kerst en met carnaval. ‘En dan witte ’t wel,’ wordt eraan toegevoegd.

Ik word begroet door Peter, de president van de stichting die gaat over de carnavalsviering van Striepersgat. Hij heeft redelijk kleine ogen, maar een omgekeerd evenredig grote glimlach op zijn gezicht.

Heb je de avond van gisteren overleefd?

‘Kijk, ik ben gisteren natuurlijk wel naar het café geweest. Om een beetje te helpen hier en daar, snapte? Laten we zeggen: ik heb de hele avond met bladen bier rondgelopen – en als je rondloopt dan verbrand je meer, denk ik dan altijd maar. En als je meer verbrandt, dan word je toch net iets minder snel zat. Tenminste, dat denk ik dan altijd maar.’

Oh?

’Ja, toch?’

Vooruit, zit wat in.

Peter lacht en slaat me op mijn schouder. De adem die met zijn lach meekomt, verraadt toch een klein beetje dat zijn theorie over het verbranden misschien niet helemaal dekkend is.

Ik schuif aan op de achterste bank in de kerk, naast een klein bejaard dametje in gewone kleren, maar wel met een groen-witte, pluizige boa constrictor om haar nek. Een paar minuten nadat ik naast haar ben komen zitten, schuift er recht voor haar neus een extravagant verklede huismoeder met een soort paarse verentooi van dertig centimeter hoog op haar hoofd. Even kijkt zij moedeloos ‘Dè zulde nou altèd zien.’

Wilt u ruilen met mijn plaats? Ik kan er een beetje omheen kijken.

‘Neu, ik zit hier wel goed. Bovendien: ik zieget toch allemaal niet zo goed meer, dus zuveul maakt het ook niet meer uit.’

Oh… Oké.

c.v. Ketel

Aan alle zuilen van de kerk hangen logo’s van Striepersgatse carnavalsverenigingen met namen als c.v. de Vurdeurtrekkers, c.v. Halluf Elluf, c.v. Wij Gaon Nie Fietsen en c.v. Vijf vur Halluf Elluf. De muziek van de carnavalsmis wordt verzorgd door een vereniging van jonge Valkenswaardenaren: c.v. Ketel. Als iedereen zit, komt er ineens een fanfare de kerk binnenlopen: de Striepersgatse Hofkapel, gevolgd door de Raad van Elf en prins carnaval, prins Fons d’n Urste. De hele kerk gaat staan. Het kerkkoor, c.v. Ketel en de pastoor en zijn gevolg klappen mee, terwijl de stoet richting het altaar trekt en het Valkenswaardse volkslied ingezet wordt.

Het lied bezingt het dorp, een terras aan een watermolen, en drinkende trappisten aan de waterkant. Voilà, lijkt het te zeggen: ziedaar de Valkenswaardse cultuur in een notendop. Na de pastoor is prins Fons d’n Urste aan de beurt.

‘Goeiemiddag, Striepers en Strieperinnekes,’ begint hij enthousiast. Er wordt gelachen in de kerk. ‘Oh wacht, ’t is morge nog, natuurlijk.’

De prins heet ons welkom en houdt een zalvend verhaal waarin hij predikt dat we een beetje aardiger voor elkaar moeten zijn, en een beetje meer voor elkaar moeten zorgen. Naast me knikt de oude mevrouw instemmend.

‘Dè vin ik nou ook,’ mompelt ze tegen me. Dan zet Erwin, een Strieper in een fluorescerend konijnenpak, met een afropruik op zijn hoofd, Elvis Presley‘s Suspicious Minds in.

De grote mevrouw met de verentooi wiegt voor onze neus heen en weer. Dan weer belemmert ze mijn zicht, en dan weer het zicht van de mevrouw naast me, die aanvankelijk nog om haar heen probeert te kijken, maar het daarna toch maar opgeeft en zich focust op haar misboekje.

Komt u hier vaker?

‘Wat, in de kerk?’

Nouja, in de carnavalsmis, maar ook in de kerk?

‘Och, ge probeert af en toe eens te gaan hè.’

De Vlaamse Paay

De beurt is aan de pastoor. Hij begint met een katholieke klassieker: Jezus’ wonderbaarlijke deling van vis en brood. Hij vertelt dat het goed is om te delen wat je hebt, dat er altijd plek aan tafel zou moeten zijn voor mensen die in nood zijn, en haalt nog wat belangrijke katholieke paradepaardjes van stal. Hij preekt van warmte, vergeving en mededogen. Hel en Verdoemenis komen niet voorbij. In de Valkenswaardse Nicolaaskerk is iedereen vooral gewoon lief en gezellig, lijkt het credo. Zijn betoog over Jezus sluit hij af met een belangrijke levensles.

‘Het lève, Striepers en Strieperinnekes,’ begint hij, terwijl hij een klein beetje voorover gaat staan. ‘Het lève is eigenlijk meer zoals unne frikandel.’ Even laat hij een theatrale stilte vallen. ‘Het is allemaol best lekker, maar ge moet hem zelf speciaal maken.’

Er wordt gelachen in de kerkbanken. Dan is de pastoor los. Gedragen door het succes van zijn eerste grap, gaat hij verder.

‘En dan zeggen ze wel van alles over liefde, hè, over dè ’t allemaal groeit en steeds meer wordt. En ik denk denk dat dè klopt: als je net verliefd bent, dan zeg je: “Ik hou van je,” en bij de verloving zeg je “Ik hou steeds meer van je!” ’ De pastoor gaat nog eens anders staan. Ineens is hij van prediker tot een soort carnavaleske cabaretier geworden. ’Als mensen trouwen, dan zeggen ze nog: “Ik hou zielsveel van je!” ’ Weer laat de pastoor een kleine stilte vallen. Dan duwt hij de clou over het altaar heen: “En bij het scheiden zeggen ze: “Ik hou alles van je!” ’

Of het het uur is, of de toon van de muziek, is moeilijk te zeggen, maar de Striepers lachen hard om de ietwat drollige grappen van de pastoor, die er in één adem alle wethouders doorheen haalt, de plaatselijke visboer en tot slot de prins carnaval zelf nog een keer. Hij vertelt over een nieuwe vogelsoort die net over de grens ontdekt is, afgelopen jaar. Het mannetje zit net een paar takken hoger dan het vrouwtje. En als een soort paringsdans plast het ene vogeltje over het andere heen.

‘Witte gullie hoe die heet, dè vogelke?’

De pastoor neemt een aanloopje en haalt een keer adem. ‘De Vlaamse Paay.’ De hele kerk lacht. Het dametje naast me klapt in haar handen.

Daarmee is Striepersgat warmgedraaid en klaar voor de carnaval. De communie – de hostie – wordt uitgedeeld, er worden nog wat kerkliederen gezongen, en c.v. Ketel speelt nog wat liedjes. De collecte gaat rond. Ook daar heeft de pastoor nog wel wat over te zeggen.

‘Witte gullie wel wa un pilske kost, komende dagen, op de Mert, en op de Statie? Geef wa ge kunt missen, maar denk ook eens: die mis hier, in de Nicolaaskerk, dit prachtige begin van de carnaval: is dè gullie nie één pilske werd?’

De Striepers knikken goedkeurend. Wat is nou één pilske op het vat dat ze leeg gaan drinken. Er wordt grif gegeven. De vastenavond kan beginnen.