Dagelijks, zeker in de zomer, trekken er horden toeristen naar het meest Nederlandse stukje Nederland dat er bestaat: de Zaanse Schans. Op een steenworp afstand van de hoofdstad, een klein half uurtje met de trein, als je naar boven afrondt. Maar hoe Nederlands ís de Zaanse schans nou echt? En kan dat onze zeer geliefde bezoekers wat schelen? Onze man ging erheen en zocht het voor u uit.

Fotografie Gerard Wessel

Ik zit in de stoptrein in de richting van de Zaanse Schans, misschien wel het meest Nederlandse stukje Nederland. Denk aan windmolens. Denk aan klompen, aan chocoladekoekjes, tulpen en vrolijke Hollandse meisjes met blosjes op hun wangen. Denk aan water, weilanden, polders, klompen en de nationale driekleur die fier op de vlaggenstokken prijkt.

De zon schijnt vrolijk; het is vandaag een perfecte dag om eens lekker naar dé toeristische trekpleister van het land te gaan. Vanaf Amsterdam Centraal stroomt de stoptrein behoorlijk vol. Er komt een groep mensen om me heen zitten, waarvan een mevrouw in een zwarte jurk me vertelt dat ze helemaal uit Japan hierheen gekomen zijn. Naast haar zit een paar jonge kinderen die wild naar buiten wijzen bij elk huis, elke vogel en elk stroomhokje dat ze zien.

Iets verderop zit een familie Italianen, twee Britten en een mevrouw uit Amsterdam die hard door haar telefoon roept dat ze bijna bij de mandenmakerij is. Dat ze wat vertraging had gehad op station Olst-Wijhe. De Britten dragen allebei een petje dat aan de wereld vertelt dat ze houden van Amsterdam. Een van de Japanse mannen die bij de mevrouw in de zwarte jurk hoort, wijst vrolijk lachend een UWV-gebouw aan. Hij maakt er een foto van en steekt zijn duim op. Zijn kameraad lacht ook en maakt ook een foto van het UWV-gebouw. Ik besluit de mannen een beetje te helpen.

It’s the UWV building.

‘Yes, yes!’ knikken de mannen enthousiast.

It’s where we go when we get sacked.

‘You got sacked?’

Never mind.

Weer steekt de man zijn duim op. De rest van de treinrit maken de mannen vrolijk lachend foto’s van totaal onbeduidende kantoorpanden en nietzeggende struikgewassen.

Klompjes Bij station Zaandam-Zaanse Schans stappen we met zijn allen uit. Ik groet de Japanse familie en wandel het informatiebord voorbij waar zich ongeveer twintig mensen rondom hebben verzameld, achter twee Britten van een jaar of 60 aan, in de richting van de Zaanse Schans.

De twee Britten — hij heeft een grijs vlassig matje in zijn nek en draagt een korte ruitjesbroek, zij heeft geblondeerde haren en een wijde flanellen broek — wandelen stevig door, maar stoppen wel bij elk gebouw dat ze zien. Van een meter of 3 afstand kijk ik toe hoe ze door een hek naar de blinde muur van een chocoladefabriek kijken. Er komt een man voorbijlopen met een camera op zijn buik. Zonder naar de fabriek te kijken loopt hij door. Wanneer hij de twee Britten passeert, laat hij een harde scheet. Het echtpaar doet alsof ze niets gehoord hebben. Nu wijst de Britse mevrouw een grote stortcontainer aan. Haar man knikt. Dan lopen ze door.

Op de Zaanse Schans zelf is het bizar druk: overal lopen ouders met kinderwagens, bejaarden, clubjes mensen met een gids met een vlaggetje in de hand en busladingen Aziaten en Amerikanen. Er zijn een hoop clichés te verzinnen over toeristen in Nederland, maar in de Zaanse Schans worden ze allemaal werkelijkheid. Ik passeer een vader met een zoontje. Het ventje huilt, maar zijn vader houdt hem streng bij de arm.

‘En toch wil ik die klompjes!’ gilt hij. ‘Ik wil gewoon die klompjes!’

Zijn vader probeert te fluisteren, maar hij kan zijn boosheid en blinde paniek maar amper onderdrukken. ‘Je krijgt helemaal niks als je zo doorgaat,’ blaast hij, zo zacht mogelijk, tussen zijn kaken door.

‘Ik wilde toch alleen gewoon die klompjes!’ gilt het kind, nog harder huilend.

‘Als je nou niet ophoudt, gooi ik je hier gewoon in het water, ja!’ briest zijn vader, en pakt zijn zoon nog een keer extra streng bij zijn bovenarm. Even twijfel ik of ik zal vragen of het allemaal goed gaat, maar ruim op tijd bedenk ik me. ‘En nou ga je normaal doen!’ hoor ik de vader nog net zeggen, terwijl ik doorloop.

Heilig Vuur

Bij een van de molens zit Hans, een man in klederdracht en met een accordeon op zijn buik. Hij speelt liedjes en vertelt af en toe wat over de molen achter hem. Het lijkt alsof hij wordt aangejaagd door een heilig vuur, door de liefde voor de molen waar hij voor zit. Als hij me ziet, begint hij bijna als vanzelf tegen me te praten. ‘De meeste toeristen denken hier dat het meel is,’ roept hij knipogend naar me, terwijl hij nog een beetje doorspeelt op zijn accordeon. ‘Dus dan komen ze bij mij en dan vragen ze of het meel is, om brood van te bakken. Maar het is krijt. Ha! Meel, denken ze. We maken verf hier. Verf. En niks anders. Met een beetje lijmolie, snap je? En soms dan gaat de molenaar hier naar het Rembrandthuis, want hij maakt die verf nog via een oud systeem. En je hebt dus gidsen hier, die vertellen aan de toeristen dat Rembrandt hier zijn verf ging halen. En Vermeer ook.’

Pardon?

‘Ja precies! Dan zeg ik tegen die gids: dat is een mooi verhaal, maar die molen staat in Volendam! Dus dan klaagt die gids dat ik niet moet zeuren, omdat hij het gewoon maar aan die toeristen vertelt. Maar dat is gewoon onzin. Deze molen is van veel later. Rembrandt was al lang dood toen deze molen gebouwd werd. En Vermeer ook. Hoe deed ie dat dan? Hoe ging ie dan verf halen? Vanuit de hemel?’

Ach joh, kan die toeristen het wat schelen.

‘Ja, maar die gids vertelt dat. Die gids vertelt hier ook rustig dat dit hier achter een meer is,’ moppert Hans, terwijl hij de rivier achter de molen aanwijst. De toerist krijgt de gids die hij verdient?

‘Nou, er zijn hele goede gidsen, hoor. Als wij een contract met ze hebben, dan zijn het goede gidsen. Maar je hebt er ook, ja, nou ja, die zeggen maar wat. Voor hetzelfde geld zeggen ze dat je daar aan de waterkant de boot naar Antwerpen kunt pakken. En die lui, die vreten het wel.’

Even zijn we allebei stil. Hans pulkt wat aan zijn accordeon en kijkt nog een keer omhoog, naar de verfmolen. ‘Ja, dat is het verhaal,’ voegt hij er nog, een beetje beteuterd, aan toe.

En jij bent de laatste der Mohikanen die nog wat om molens geeft?

‘Nou, ja, er zijn er nog wel een paar meer, hoor. Onze vereniging heeft 3500 leden, waarvan er 2000 buiten Europa wonen. Dus we hebben 1500 mensen.’ En hebben jullie ook weleens een clubdag? ‘Die zijn er, ja, verenigingsdagen. De leggerezaan, heet dat altijd. Maar daar zijn eigenlijk altijd wel te weinig aanmeldingen voor.’

Dus die gaan nooit door?

‘Nou, ja, soms wel. En je hebt natuurlijk ook nog de mensen die de stoomtrein op gang proberen te houden. Ja, we moeten wat.’

 Ik snap het.

‘Joh, d’r komt een kudde aan. Ik moet even aan het werk. Pas op jezelf, jongen!’

 Jij ook, Hans.

The boat to Belgium

Terwijl ik probeer me een weg te banen langs alle toeristen, loop ik achterop een Nederlandse moeder met haar zoon. Zij heeft zich helemaal uitgedost voor een dagje op pad, hij heeft gewoon lekker casual zijn bootschoenen aangetrokken. Beiden hebben ze de uitstraling van een iets te dure fles witte wijn bij de lunch.

Wat dachten jullie, Zaanse Schans, leuk?

De moeder begint te lachen en draait zich om. ‘Ja, we dachten we gaan altijd al zo ver weg: maar er zal toch óók wel wat moois in de buurt zijn?’

En dan kom je hiernaartoe?

‘Och, man, wat een drama!’ verzucht de zoon. ‘Het is natuurlijk he-le-maal kut hier.’

Oh?

‘Ja, zeg nou eens eerlijk, dit gaat toch helemaal nergens over,’ lacht hij nog maar eens, alsof hij zijn eigen aanwezigheid op een van de idiootste stukjes Nederland wil goedpraten.

‘Exact!’ vult zijn moeder hem aan. ‘Bon, nu weten we weer waarom we normaal altijd ver weg gaan, niet?’

Als ik dit zo hoor, zou ik kijken of je nog ergens een Ryanairtje naar Milaan of Lissabon kunt regelen voor vanmiddag.

‘Nee, nee! We houden moed!’ kirt de moeder vrolijk. Dan slaan ze rechtsaf, een bruggetje over

Een paar minuten later word ik op mijn schouders getikt. ’Hey, hey, mister,’ sommeert een Amerikaan van een jaar of 60, die zich na even aandringen voorstelt als Lesley. Hij vraagt of ik een foto wil maken van hem en zijn wat jongere vrouw. Ik pak zijn camera vast en richt hem op de twee toeristen. Ze wijzen naar een molen en lachen breeduit. Dan besluit ik de woorden van Hans eens te controleren en spreek Lesley nog eens aan.

Sorry to bother you, but I was wondering…

‘Yes?’ antwoordt Lesley, eigenlijk al voor ik mijn vraag kan stellen. Ik wijs naar de rondvaartboot die aangemeerd ligt aan de kade.

That boat, over there, do you know if that’s the boat to Belgium?

‘Yes, yes, Belgium, yes,’ antwoordt Lesley, een klein beetje peinzend. Dan knikt hij nog een keer, wenst me een fijne dag en veel plezier in België. Voor ik kan reageren is hij alweer weg, met zijn vrouw, verdwenen in de steeds maar voortbewegende massa mensen dat vrolijk lachend naar Nederland komt kijken.