De onderschatte Belgische schrijver Herman Brusselmans maakt korte metten met overschatte personen uit de wereldgeschiedenis. Deze week is het tijd voor zelfreflectie, en fileert Herman Brusselmans zichzelf.

In een lijst met overschatte eikels mag ik zeker niet ontbreken. Met m’n vieze, lange haar. En die neus waarmee je een gebarricadeerde deur kan instampen. En dat pokdalige gezicht, met die venijnige oogjes, die naar iedereen staren alsof ik me veel beter acht dan alle andere mensen.

En wat heb ik tenslotte gepresteerd? Weinig of niks, behalve als kind m’n ouders, m’n broer en zus, m’n buren, m’n leraren en m’n eerste vriendinnetje pesten. Geen wonder dat dat vriendinnetje zelfmoord pleegde op 9-jarige leeftijd, nadat ik haar zwanger had gemaakt en weigerde om te betalen voor de abortus. Ik stak immers al m’n gejatte geld in brommers, bier en drugs.

Ik was in m’n geboorteplaats Hamme de eerste die cocaïne snoof, heroïne rookte en spacecake te eten gaf aan z’n cavia Patricia, zodat het diertje heel raar begon te doen, en m’n grootmoeder in haar vagina beet terwijl ze rechtstaand tegen een boom stond te zeiken. Want ik zweer jullie: dat ik geheel verknipt ben, heb ik van geen vreemden.

Als student aan de universiteit wilde ik ook al niet deugen. Een van m’n professoren, een 72-jarige specialist in de gedichten van Shakespeare, heb ik eens de daver op het lijf gejaagd door z’n toupet van z’n kop te rukken en die in brand te steken. Daarna stak ik ook het haar in z’n oren in brand, z’n wenkbrauwen en ook z’n baard. Ik oordeelde namelijk: iedereen met een baard moet dood en ook iedereen met een snor.

Daarom heb ik m’n tante Sonja proberen te vermoorden, door drie bananen in haar luchtpijp te duwen. Gelukkig werd ze bijtijds gevonden door haar man, oom Sylvain, een klootzak die ik eens in in het water heb gegooid, nadat ik z’n lievelingsgeit op z’n rug had gebonden. Die geit had ik natuurlijk eerst omgebracht door haar de kop in te slaan met een voorhamer. Ik bleef maar meppen op die kop tot er een bloederige, onherkenbare massa overbleef waarin ik m’n gezicht stak en m’n mond volzoog.

Compleet gestoord ben ik. Dat merk je ook aan m’n boeken, zo je al ooit zin zou hebben om ooit een boek van mij te lezen. Het zijn regelrechte kutboeken, geschreven in een brabbelig Vlaams, vol overbodige personages, geheel zonder plot en zo spannend als de smurrie van een poedel met diarree. In de liefde ben ik een mislukkeling en een tiran, en al m’n vrouwen hebben mij gillend verlaten, zo ook m’n laatste vriendin, die ik om de twee dagen insmeerde met sperma, maar niet met mijn sperma, wel het sperma van een poedel met diarree, die ik gevangen houd in een kooitje waarin dat dier niet eens rechtop kan staan.

Geloof mij, mij wil je niet ontmoeten, want ik ben de krankzinnigste gek van heel Gent-Centrum.