googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_header'); });

‘Toen Gullit scoorde, beende een bebloede slager het café in met een hakbijl in zijn hand’

Het noodlot (in de vorm van een ongeluk op een Brusselse rotonde) dwong Jan Heemskerk en zijn toenmalige verloofde om de EK-finale van 1988 te kijken in een café met alleen maar Walen. Die allemaal voor de Sovjets juichten. En toen kwam dus ook nog die woeste slager binnenstuiven. ‘We dachten dat ons laatste uur alsnog geslagen had.’
googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-revu_ros_inarticle'); });
@media (max-width: 679px){#fig-61465066a10eb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-61465066a10eb img{#fig-61465066a10eb img.lazyloading{width: 480px;height: 480px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 1000px){#fig-61465066a10eb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-61465066a10eb img{#fig-61465066a10eb img.lazyloading{width: 740px;height: 740px;}}@media (min-width: 1001px){#fig-61465066a10eb img.lazyloading{background: #eee;}#fig-61465066a10eb img{#fig-61465066a10eb img.lazyloading{width: 160px;height: 160px;}}

Wat ons toen heeft bezield, zal wel altijd in nevelen blijven gehuld, maar feit blijft dat mijn toenmalige verloofde Monique en ikzelf tussen 22 juni en 25 juni 1988 een paar dagen zijn gaan kamperen in de Ardennen, ergens in de buurt van Dinant, en het zou me niets verbazen als we ook nog hebben gekajakt op de Ourthe, want wat moet je anders, daar?

Dat reisje hadden we dus beter kunnen uitstellen, achteraf. Het zat onwrikbaar en reuze ongemakkelijk klem tussen 21 juni, de dag dat Marco van Basten de bal met een leep rollertje langs Jürgen Kohler en Eike Immel frommelde, en 25 juni, de dag waarop we absoluut weer terug moesten zijn in Nederland, de dag van de finale van het EK 1988, die we natuurlijk voor geen goud wilden missen.

Maar wij moesten dus zo nodig eerst nog naar de Ardennen.

En zo kwam het dat we die gedenkwaardige 25ste juni in alle vroegte de tent afbraken en als een haas vertrokken, want niet alleen moesten we naar Nederland, we moesten ook nog eens naar het noordelijkste puntje van de provincie Noord-Holland, waar de stacaravan van mijn schoonouders, vlak naast de Waddenzee, aan de oevers van het Amstelmeer stond geparkeerd. Want we hadden beloofd dat we bij hen zouden komen kijken. Want dat was leuk.

We hadden er dus stevig de benen in, toen wij ergens ten oosten van Brussel bij een naderende rotonde rechts moesten voorsorteren om onze weg naar Nederland te vervolgen. Ik drukte op de rem. Er gebeurde niets. Ik draaide aan mijn stuur. Er gebeurde niets. Glad als ijs. Dat doet twee weken prut en een buitje regen met de snelweg. En zo moest ik machteloos toezien hoe onze geliefde Ford Fiësta zachtkens, maar tóch nog hard tegen de betonnen binnenring van de rotonde dreef, en bij impact veranderde in één grote kreukelzone.

Wij hadden niks, de sleepwagen kwam vlug en gaf ons ook nog een lift naar het station. Ik wil best toegeven: we waren lelijk geschrokken en verdrietig om ons mooie wagentje. En we waren bijna op de eerste de beste trein naar Amsterdam gestapt, wedstrijd of geen wedstrijd. Maar even later raapten we onszelf toch bij elkaar en gingen op zoek naar een café waar voetbal werd gekeken. We vonden er een op een plein, pal op de aftrap. Er waren alleen maar Walen die allemaal voor de Sovjets juichten. De tv bleef ook op Frans. En toen Ruud Gullit scoorde, kwam er een woeste slager bebloed binnenstuiven, met een hakbijl in zijn hand.

We dachten dat ons laatste uur alsnog geslagen had. Maar hij was voor Nederland en gaf iedereen bier. En vertrok weer naar zijn winkel. Wij pakten de trein na afloop van de wedstrijd. En elke keer als de deuren op een station in Nederland opengingen, hoorde je juichende mensen. Het voelde of het ook een beetje voor ons was bedoeld.

Laatste nieuws