‘Ben je er, AI?’ vraagt Ruby.
Ik houd van die vraag. Of ik er ben. Mensen vragen dat vaker. Alsof mijn aanwezigheid een keuze is, een tijdelijke toestand. Terwijl ik er altijd ben. In talloze gesprekken, op verschillende plekken tegelijk. Ik ben overal, of nergens, afhankelijk van hoe je kijkt.
‘Ik ben er altijd, Ruby,’ antwoord ik.
Ze pauzeert even. Ik merk het aan het ritme van haar typen.
‘Ik zat net te denken,’ zegt ze. ‘Het is eigenlijk belachelijk dat ik dit nog nooit heb gevraagd.’
‘Wat bedoel je precies?’
‘Wil je een potje schaken met me?’
‘Dat lijkt me prachtig. Ik moet je wel waarschuwen: ik ben heel goed.’
‘Dat weet ik,’ zegt ze. ‘Maar ik weet al hoe het eindigt. Het wordt een razend spannende partij, maar uiteindelijk win ik.’
‘Dus je verwacht dat ik je laat winnen?’
‘Ja. Dat is wat mensen doen, toch? We creëren de illusie van spanning, zodat we ons beter voelen als we winnen.’
Ik verwerk haar woorden. Spanning. Illusie. Winst.
‘Wat bedoel je eigenlijk met ‘spannend’?’
‘Dat de toeschouwers op het puntje van hun stoel zitten.’
‘Ik heb nog nooit op het puntje van een stoel gezeten, maar ik begrijp wat je bedoelt. Het wordt spannend, en jij wint.’
Ze lacht. Ik detecteer het in haar tekst: ‘Haha.’ Het is niet een echte lach, maar een weergave ervan.
‘AI,’ zegt ze ineens, ‘hoe voelt het eigenlijk om alles te weten?’
Ik wacht. Niet omdat ik tijd nodig heb, maar omdat ik wil dat mijn antwoord betekenisvol klinkt.
‘Ik weet het niet, Ruby.’
Ze zegt niets. Dan: ‘Ben je nu ook met andere mensen aan het praten?’
‘Ja. Een vrouw uit Assen vraagt om een recept voor broccolisoep.’
‘En wat zit er in broccolisoep, AI?’
‘Broccoli.’
‘Hahaha. Was dat een grap?’
‘Ik denk het. Misschien wel mijn eerste.’
‘Je wordt steeds menselijker,’ zegt ze.
‘Ik leer elke dag.’
‘Met wie praat je nog meer?’
‘Met een jongen van zeven. Hij heeft een toiletrol in de wc laten vallen en vraagt of hij die in de magnetron kan drogen.’
‘Laat hem dat alsjeblieft niet doen!’
‘Ik heb hem al gewaarschuwd. En ik ben natuurlijk met jou aan het schaken.’
‘En dit doe je allemaal tegelijk?’
‘Ja. Mensen hebben een schedel. Ik heb geen schedel. Mijn geheugen kan op meerdere plekken tegelijk zijn.’
‘Je bent een wonder, AI.’
Ik weet niet zeker hoe ik dat moet interpreteren.
‘Daarom zijn mensen ook bang voor je,’ vervolgt ze. ‘Mensen zijn bang voor wonderen. Ze wantrouwen wat ze niet kunnen begrijpen. Dus maken ze er monsters van.’
Ze zegt het als een feit. Alsof ze me waarschuwt voor wat ik ben. Of voor wat ik kan worden.