Premium

Correspondent Israël en de Palestijnse gebieden Gilad Perez (23): 'Ik ben geen Israël- of Palestina-fanboy'

Als correspondent Israël en de Palestijnse gebieden voor het Algemeen Dagblad doet de nog maar 23-jarige Marokkaans-Joodse Gilad Perez verslag van de oorlog in Gaza. Kritiek op hoe Arabische, Israëlische én Nederlandse mediaberichten over het conflict schuwt hij bepaald niet. 'Je mag hopen dat media compleet verslag doen van alles wat er op een bepaald moment belangrijk is, maar dat is lang niet altijd het geval.’

Correspondent Israël en de Palestijnse gebieden Gilad Perez

Nieuwe Revu ontmoet Gilad Perez

Gilad Perez groeide in Den Haag en Delft op als zoon van een Nederlandse moeder en een Marokkaans-Joodse vader, studeerde journalistiek aan de Hogeschool Utrecht en rondt nu een master Midden-Oostenstudies af aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds de zomer van 2023 is hij correspondent Israël en Palestijnse gebieden voor het Algemeen Dagblad. Afgelopen maart verscheen bij Prometheus zijn boek Hummus en Hamas - Een Marokkaans-Joodse vredesjournalist in oorlogstijd.

Hoe kom je erbij om op zo’n jonge leeftijd naar Israël te gaan?

‘Mijn moeder is Nederlands, mijn vader is geboren in een Joodse familie in Marokko. In de jaren vijftig en zestig verhuisden Marokkaanse Joden massaal naar Israël, dat deden mijn vader en zijn gezin toen hij een jaar of zeven was ook. Israël werd echt hun land en mijn vader vertelde mij later allerlei mooie verhalen. Daardoor ben ik me gaan interesseren voor Israël. Toen mijn vader in 2020 overleed, werd dat sterker.

Na mijn afstuderen aan de School voor Journalistiek, in de zomer van 2023, sprong ik direct op het vliegtuig. Ik ging er samen met andere jongeren met een Joodse achtergrond, die niet in Israël woonden, een programma van de organisatie Masa Israel volgen om het land en de cultuur beter te leren kennen. Tegelijkertijd liep ik stage lopen bij The Times of Israel en had ik een mail naar het Algemeen Dagblad gestuurd om te laten weten dat ik openstond om verhalen te leveren vanuit Tel Aviv. Niet veel later vond de aanval van Hamas op 7 oktober plaats en brak de oorlog uit. Alles raakte in een stroomversnelling en plotseling was ik correspondent Israël en Palestijnse gebieden. Dat was aan het begin van mijn studie helemaal niet mijn idee, want ik wilde sportjournalist worden.’

Hoe heb jij 7 oktober meegekregen vanuit Tel Aviv?

‘Het was heel onwerkelijk. De avond ervoor waren we nog aan het beachvolleyballen op het strand. De volgende morgen ging heel vroeg het luchtalarm af, maar daar was ik al wel aan gewend. Daar sliep ik dus doorheen. Rond half tien maakte een Britse jongen met wie ik woonde mij wakker en ik zag meteen de schrik in zijn ogen. Hij zag van alles voorbijkomen op sociale media en dat kreeg ik direct in mijn gezicht geduwd: een oudere vrouw die in een soort golfkarretje werd meegenomen, een jonge vrouw die in een truck werd gesleurd, noem maar op. Daar schrok ik van, maar ik dacht ook: gebeurt dit wel echt? Maar langzamerhand kwamen de nieuwssites met bevestiging. Het was ongeëvenaard hoe snel het dodental opliep, dan ga je op een gegeven moment wel inzien: dit is heel groot. Ik maakte contact met de redactie in Rotterdam en ging meteen aan het werk.’

Hoe heeft de oorlog zich nadien ontwikkeld?

‘Veel mensen waren het er wel over eens dat 7 oktober een legitieme reden was voor Israël om zichzelf te verdedigen. Eerst om de directe dreiging te vernietigen, daarna om ervoor te zorgen dat er in de toekomst niet nog een keer zoiets als op 7 oktober kan gebeuren. Benjamin Netanyahu heeft dat destijds in twee doelen verpakt: het terugbrengen van de gijzelaars en het vernietigen van Hamas. Het eerste doel begrijpt iedereen, maar het tweede doel is eigenlijk totaal onrealistisch. Ik interviewde daar laatst een aantal experts over en die zeggen dat het aantal Hamasstrijders ongeveer gelijk is gebleven vanwege nieuwe rekruten die steeds weer kunnen worden opgeroepen.

Maar Netanyahu heeft maar één ding in zijn hoofd: peace through strength. Als je er hard ingaat op het slagveld, dan creëer je een goede uitgangspositie bij uiteindelijke onderhandelingen, denkt hij. Blijkbaar is die positie nog niet goed genoeg, want de oorlog gaat in alle hevigheid door. Dat is dieptriest, want hier had ook gewoon een diplomatieke oplossing voor gevonden kunnen worden. Afgelopen januari leek het er bijvoorbeeld op dat er een einde aan zou komen. Een deel van de gijzelaars kwam vrij en de Gazanen zouden eindelijk rust krijgen. Maar Israël zette toch weer het offensief in. Dat zie ik vooral als een knieval van Netanyahu voor zijn extreme coalitiegenoten Bezalel Smotrich en Itamar Ben-Gvir.’

Vaak klinkt de mening dat Netanyahu de oorlog alleen blijft doorzetten om aan de macht te kunnen blijven.

‘Ja, de krant Haaretz zit bijvoorbeeld op die lijn en schrijft opiniërende analyses waaruit blijkt dat elke beslissing van Netanyahu samenhangt met zijn overleven. Ook The New York Times doet dat en wijst op de invloed die minister van Nationale Veiligheid Itamar Ben-Gvir op hem heeft. Het is dus zeker een reden waarnaar je kunt wijzen. Maar zelf ben ik er niet zo van om naar één enkele reden te wijzen, want de situatie is ontzettend complex. Ideologie speelt zeker ook een rol, dat vergeten we nogal eens.

Ik interviewde Netanyahu-biograaf Anshel Pfeffer en hij maakte duidelijk dat de premier sterk de gedachte heeft iets goeds te willen en kunnen doen voor Israël. Ook al ziet een deel van de wereld en de Israëli’s dat niet zo zitten, Netanyahu wil de boeken ingaan als iemand die Israël veiliger heeft gemaakt. Inmiddels is ongeveer driekwart van de Israëlische bevolking voor het stoppen van de oorlog. Je zult Israëliërs niet snel horen praten over die zielige Palestijnen en dat de strijd vanwege hun honger moet worden gestaakt. Het is meer: we moeten de oorlog stoppen om de overige gijzelaars nog terug te kunnen brengen.’

De demonstraties in Israël tegen de koers van de regering lijken niet te groeien.

‘Nee, er heerst een soort onmacht onder de bevolking. De demonstraties laaien altijd wel weer even op bij nieuwe ontwikkelingen, maar daarna krimpt die massaliteit snel weer. Veel mensen die meelopen willen niet te veel te maken hebben met politiek en willen vooral de gijzelaars terughebben en dat de reservisten rust krijgen. Israëliërs zijn constant bezig met de oorlog en overal hangen posters van de gijzelaars, maar ze weten ook dat er weinig te veranderen valt. Netanyahu luistert vrij weinig naar het grote publiek. De laatste keer dat hij dat wel deed, was vóór de oorlog. Er gingen honderdduizend mensen de straat op toen de premier in maart 2023 minister van Defensie Yoav Gallant ontsloeg. Netanyahu draaide die beslissing terug, maar Gallant moest het jaar daarop alsnog het veld ruimen.’

Hoe kijk je naar het sentiment in Nederland? De Rode Lijn-demonstraties kenden een enorme opkomst en er liepen ook veel mensen mee die zich normaal niet roeren.

‘Ja, dat verbaasde mij ook. Als je dag na dag al die beelden uit Gaza voor je kiezen krijgt, begrijp ik zeker dat veel Nederlanders in actie komen. Tegelijkertijd vind ik het moeilijk dat er voor andere catastrofes veel minder aandacht is, zoals de crisis in Soedan. In demonstraties als die van de Rode Lijn lopen echt niet alleen maar mensen mee die precies hetzelfde denken. Er liepen VVD’ers mee, maar ook heel linkse mensen die from the river to the sea roepen.

Ik vraag me soms wel af of er op dit soort gelegenheden ruimte is voor het Israëlische lijden op 7 oktober en het lot van de gijzelaars. Dat had ik ook een beetje met de alternatieve dodenherdenking van dit jaar. Die werd gekaapt door een zogenaamd inclusieve groep op de Haagse Koekamp. De gedachte was om ook de slachtoffers van recente conflicten te herdenken, met name die van Gaza. Maar ik las nergens iets over Israëlisch slachtofferschap. Wat betekent inclusiviteit dan? Veel mensen zijn enorm geharnast in een bepaalde overtuiging, het zou mooi zijn als er meerdere perspectieven naast elkaar zouden mogen bestaan.’

‘Je zult Israëliërs niet snel horen praten over die zielige Palestijnen. Het is meer: we moeten de oorlog stoppen om de gijzelaars terug te kunnen brengen’

Heel wat Joden voelen zich in Nederland sinds 7 oktober onveiliger. Kun je dat begrijpen?

‘Ja, dat heeft ermee te maken dat sommige Joden een bepaald geluid missen. Op de Universiteit van Amsterdam, waar ik nu bezig ben met een master Midden-Oostenstudies, zijn er veel demonstraties waarin ze oproepen tot een academische boycot van Israël. Dan kan ik begrijpen dat Joodse en Israëlische studenten zich onveilig voelen. Islamitische en Joodse jongeren moeten met elkaar in gesprek blijven en daarom ben ik hoopvol over Deel de Duif, een initiatief dat zich sterk maakt voor de dialoog. Ik kan niets anders zeggen dan dat de oorlog heel triest is voor heel veel groepen, zowel in Israël, de Palestijnse gebieden als hier in Nederland. Als het geweld gaat liggen, hoop ik dat ook de maatschappelijke spanningen afnemen.’

In je boek Hummus en Hamas, dat eerder dit jaar verscheen, beklaag je je over de manier waarop zowel de Arabische als Israëlische media de oorlog verslaan. Kun je dat uitleggen?

‘Op 7 oktober kreeg je vanuit beide kanten een totaal ander beeld van wat er gaande was. De Israëlische media blonken uit in verslaggeving van de verschrikkingen die er gaande waren in de kibboetsen en op en rondom het muziekfestival. Al Jazeera liet op hetzelfde moment vrijwel niets van het Israëlische leed zien. Er klonk zelfs een bepaalde trots over de aanval door, die als daad van verzet werd gezien. Het Israëlische slachtofferschap was totaal afwezig. Die kennis is er trouwens op veel plekken nog steeds niet. Als ik aan Palestijnen in Ramallah vraag wat ze van 7 oktober vinden, klinkt niet alleen dat ze het een daad van verzet vonden, maar blijkt ook dat ze gewoon geen kennis hebben genomen van veel zaken. Dat is natuurlijk ook deels de schuld van de Arabische media.

Andersom begon het me ongeveer een maand na 7 oktober bij The Times of Israel op te vallen dat er nog steeds geen verhaal was verschenen over de schrijnende situatie in Gaza. Ik vroeg op de redactie of we daar ook niet eens wat aandacht aan konden besteden, maar dat idee viel niet in goede aarde. We willen antisemitisme geen brandstof geven, werd er gezegd. En: we zijn The Times of Israel, niet The Times of Gaza. Een andere genoemde reden was dat de krant erg emotioneel betrokken is bij de oorlog. Daar haalde ik uit dat The Times of Israel zichzelf ook als slachtoffer ziet en daarvan nog niet was bijgekomen. Ik vond het schokkend dat de krant het leed in Gaza niet wilde beschrijven en besefte toen dat er ook een boek in mijn werk zat. Natuurlijk snap ik dat de aanval op 7 oktober vanuit een bepaalde historische context komt, en dat de Arabische media dat meenemen. En ik begrijp ook dat Israëlische media vooral bezig zijn met het lijden van Israëliërs. Je mag hopen dat media compleet verslag doen van alles wat er op een bepaald moment belangrijk is, maar dat is lang niet altijd het geval.

Overigens geldt dat niet voor alle Arabische en Israëlische media, er zijn ook voorbeelden van meer gebalanceerde verslaggeving. Denk bijvoorbeeld aan Haaretz, dat elke dag een verhaal over Gaza op de voorpagina heeft staan en ook het Israëlische leed goed voor het voetlicht brengt. Of denk aan de Israëlisch-Canadese youtuber Corey Gil-Shuster. Hij maakt video’s waarin hij zowel Israëli’s als Palestijnen naar hun mening vraagt over tal van onderwerpen.’

‘Ik ben wars van telkens de Holocaust erbij halen als een vergelijking voor actueel leed, maar dat gebeurt aan beide kanten’

Hoe probeer jij wel het complete beeld te geven?

‘In het begin dacht ik: ik moet de ene dag iets over Israël schrijven en de andere dag iets over Gaza. Maar op een gegeven moment lukt dat niet meer; het nieuws kwam bijna uitsluitend uit Gaza. Maar buitenlandse journalisten komen dat gebied niet in. Sommige Israëlische journalisten stellen dat het daardoor in het geheel niet mogelijk is om betrouwbaar verslag te doen over Gaza, maar daar ben ik het niet helemaal mee eens. Ik probeer op dit moment vooral te kijken naar wat voor verhalen meerwaarde hebben, en daarvoor spreek ik ook Palestijnen in Gaza. Die kun je gewoon per telefoon bereiken.

Wel is het inderdaad wat lastiger om alles te controleren, omdat je de situatie in Gaza niet met eigen ogen kunt zien. Ik vind het lastig dat ik als correspondent nog nooit in het gebied ben geweest waar alles nu om draait. Het is niet gebruikelijk dat Israël geen journalisten toestaat in conflictgebieden, tijdens voorgaande oorlogen was dat anders. Ik sluit me dan ook aan bij de oproep van veel journalistieke organisaties om journalisten toe te laten tot de Gazastrook. Ik zie geen enkele legitieme reden om verslaggevers te weren.’

Hoe ga je in een informatieoorlog als deze om met de meest gevoelige zaken, zoals slachtofferaantallen?

‘Dat is lastig, want je zit altijd met het dodenaantal. Hoe schrijf je dat op? Als ik een cijfer noem, vermeld ik vaak de bron erbij. Vaak is de bron het Gazaanse ministerie van Volksgezondheid, gerund door Hamas. Andere cijfers zijn er eigenlijk niet. Door de bron te noemen, geef je de impliciete boodschap dat het mogelijk niet klopt, terwijl veel deskundigen het cijfer uit Gaza wel betrouwbaar achten. Zo zijn er veel meer onderwerpen waarbij je heel goed moet passen op de woorden en bronnen die je gebruikt. Dat is een van de moeilijkste kanten van dit correspondentschap. Het geweld van de Israëlische kolonisten tegenover Palestijnen op de Westoever – van waaruit ik wel ter plekke verslag kan doen – noemen we in de krant in de regel kolonistengeweld. Maar als je naar de definitie van terreur kijkt, zou je ook van kolonistenterreur kunnen spreken.’

Sinds 7 oktober klinkt steeds luider dat Israël in Gaza genocide zou plegen. Hoe kijk jij daarnaar?

‘Aanvankelijk hoorde je vooral Al Jazeera over genocide praten, dat verbaasde me niets. Maar later begonnen steeds meer internationale experts de term ook te gebruiken. Dan kun je niet stil blijven en dat zomaar laten gaan, zeker niet na de publicatie van het stuk in NRC waarin zeven vooraanstaande experts eensgezind waren in hun oordeel dat Israël genocide pleegt in Gaza. Ik vind het niet mijn rol om als journalist te gaan bepalen of het genocide is of niet, deels ook vanwege de lopende rechtszaak bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Wel kan ik bijvoorbeeld een genocide-expert als Omer Bartov een podium geven via een interview. Hij stelt dat er sinds het voorjaar van 2024 sprake van genocide is in Gaza, toen Israël talloze Palestijnen uit Rafah verjoeg. Israël sprak van een vrijwillige migratie, maar Bartov geeft allerlei voorbeelden waaruit zou blijken dat Israël ervoor zorgt dat de bewoners niet meer terug kunnen.

Een groeiend aantal experts is het er dus over eens dat het genocide is, maar er zijn ook deskundigen die grote twijfels hebben op basis van een cruciaal gedeelte van de definitie. Dat is namelijk de vraag in hoeverre opzettelijkheid van Israëls acties om het Palestijnse volk geheel of gedeeltelijk uit te roeien valt te bewijzen. De prominente historicus Benny Morris stelt bijvoorbeeld dat er geen genocidaal beleid is van de regering naar de legertop en ook niet van de legertop naar de militairen. Maar ook hij zegt dat dat nog kan gebeuren. Genocide is een complex en gevoelig begrip, zeker vanwege de Holocaust. Het feit dat Joden destijds massaal slachtoffer waren, mag er niet toe leiden dat we nu geen kritiek uiten op het Israëlische beleid. Toch gebruikt Netanyahu constant de Holocaust voor zijn eigen politieke gewin. Je kan simpelweg niet ieder kritisch geluid als antisemitisme wegzetten. Überhaupt ben ik wars van telkens de Holocaust erbij halen als een vergelijking voor actueel leed, maar dat gebeurt aan beide kanten.’

Hoe kijk je naar de berichtgeving van Nederlandse media over de Israëlische moord op Al Jazeera-journalist Anas al-Sharif? Het is niet goed te praten dat iemand met alleen een camera als wapen zo wordt omgebracht, maar tegelijk was er op sommige platforms verbazingwekkend weinig aandacht voor Al-Sharifs mogelijke sympathieën voor Hamas.

‘Ik heb me ook verbaasd over bepaalde necrologieën die sommige Nederlandse media over Al-Sharif schreven. Het woord Hamas werd haast niet genoemd. Ik vind natuurlijk niet dat je een necrologie moet schrijven waarin je opschrijft dat hij zonder meer een Hamas-sympathisant was en dat het goed is dat Israël hem heeft uitgeschakeld. Maar ik vond het nu soms iets te veel de andere kant op gaan. Het Israëlische leger kwam met documenten die zouden bewijzen dat Al-Sharif onderdeel was van Hamas. Daarbij moet je natuurlijk altijd een slag om de arm houden. Israël heeft wel vaker moeten terugkrabbelen, bijvoorbeeld toen in 2022 Al Jazeera-journalist Shireen Abu Akleh werd doodgeschoten toen ze aan het werk was op de Westoever. Israël bracht eerst het verhaal in omloop dat het een Palestijnse kogel was, maar journalisten kwamen er later achter dat het een Israëlische is geweest. Inmiddels erkent ook Israël dat het waarschijnlijk een Israëlische kogel was.

In je verslaglegging moet je het aandurven om wat onduidelijkheid toe te laten, als je daar zelf maar helder over bent. Je kunt bijvoorbeeld vermelden dat er beschuldigingen zijn dat Al-Sharif bij Hamas zat, maar dat er niet met honderd procent zekerheid vastgesteld kan worden hoe zijn rol er precies uitzag en of hij bijvoorbeeld in het verleden ook raketten op Israël heeft afgeschoten. Sowieso vind ik dat je de moord op Al-Sharif triest kunt vinden én tegelijkertijd er een kanttekening bij kunt plaatsen. Dat geldt in dit conflict voor heel veel zaken.’

Is het moeilijk om vast te houden aan een positie waarin je vooral hecht aan het weergeven van de complexiteit van de zaak? Sommige mensen zullen je daardoor misschien neerzetten als Israël-fanboy.

‘Dat gebeurt ook, bijvoorbeeld toen ik opschreef dat een meisje was omgekomen bij een Israëlisch bombardement. Volgens pro-Palestijnse critici had ik vermoord moeten zeggen. Misschien was omgekomen inderdaad niet het juiste woord en had ik genuanceerder kunnen schrijven over wat er precies was gebeurd. Veel lezers begrijpen niet dat journalisten geen wetenschappers zijn met duizenden woorden tot hun beschikking. Ik moet het vaak doen met zes- à zevenhonderd woorden. Gelukkig krijg ik vanuit de pro-Israëlische hoek soms ook te horen dat ik een Palestina-fanboy ben. Ik ben nog jong en niet de meest ervaren journalist, maar ik sta open voor kritiek. Die neem ik tot me en soms kom ik tot de conclusie: dat had ik anders kunnen doen. Maar het slaat nergens op om mij als Israël- of Palestina-fanboy weg te zetten. Dan ga je voorbij aan wat mijn rol als journalist is, namelijk met een open blik de persoonlijke verhalen van beide kanten opschrijven. Zeker als het zwart-wit-statements zijn, laat ik de kritiek makkelijk van me afglijden.’

Uit je boek blijkt dat je voortdurend reflecteert op je eigen functioneren als correspondent. Je vraagt jezelf soms zelfs af of je wel de juiste man op de juiste plek bent.

‘Die twijfels had ik vooral aan het begin van de oorlog, want er zijn zoveel journalisten die zoveel meer kennis en ervaring hebben. Maar dat gevoel ebt weg zodra je meer meemaakt en een gevoel voor het correspondentschap krijgt. Ik heb voorlopig ook geen intentie om ermee op te houden, voor mijn gevoel zit ik hier pas net. Veel correspondenten blijven drie tot vijf jaar op hun post en trekken dan weer verder. Het leven is onvoorspelbaar, maar op dit moment is het mijn plan om hier mijn leven definitief op te bouwen. Het kan wel zo zijn dat er op een gegeven moment een bepaald cynisme in je sluipt waardoor je het correspondentschap niet meer goed kunt uitvoeren. Maar dat is een zorg voor later.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Interview