Premium

Kamp Miranda: de vergeten vlucht van Nederlandse Joden naar Spanje

Het Franse Pyreneeëndorpje Aulus-les-Bains herbergde in 1942 en 1943 bijna zevenhonderd Joden die bij het begin van de oorlog onder andere uit Nederland en België waren gevlucht. Toen de Duitsers ook tot in Zuid-Frankrijk oprukten, besloten tientallen vluchtelingen in kleine groepjes de zware tocht over de Pyreneeën naar Spanje te wagen. En klimmen zijn ze niet gewend. ‘We moeten door, terug kunnen jullie niet, daar zijn de Duitsers.’

Een wasgelegenheid in Kamp Miranda

Een hond blaft in de zwarte nacht; ze schrikken zich dood. Jeanne (21), die vooroploopt, staat abrupt stil. Haar vader, Jean-Pierre Acgouau (61), die achteraan in de rij loopt, spitst zijn oren en kijkt om zich heen, alhoewel hij weinig kan zien. Als er maar geen lampen of lantaarns aanflitsen of ferme stappen te horen zijn, of een schreeuw in het Duits. Het is kort na drie uur ’s nachts, niemand zou nog wakker moeten zijn. Behalve zij. En misschien een enkele patrouille, van de Duitsers of de Franse douaniers.

Ze zijn net begonnen aan de tocht, de verzamelplaats was achter de woning van Jean-Pierre en zijn dochter, dicht bij het gemeentehuis van Aulus-les-Bains. Jeanne heeft bij het passeren van het Croix du Ruisseau een kruisje geslagen en God om een voorspoedige tocht gevraagd. Daarna gingen ze de brug over, naar de andere kant van de rivier, dat was het gevaarlijkste moment, daar waren ze even zichtbaar voor anderen. Nu zijn ze veilig aan de andere kant... en blaft er een hond.

Geen reactie. Slechts de stilte van de nacht in het bergdal. Ze kunnen verder, tussen de bomen door, snel de weg oversteken en dan het pad naar de waterval van Ars. Omhoog, alleen maar omhoog. Als het straks licht wordt moeten ze ver genoeg zijn, zodat de kans kleiner is dat ze Duitse patrouilles tegenkomen – die lopen er sinds een paar weken, speciale alpenjagers voor wie de bergen geen geheimen hebben. 

Jean-Pierre en Jeanne kennen de route ook in het donker, zo vaak hebben ze hem overdag gelopen. En ze zijn gewend om te klimmen. Maar hoe zit dat met de rest van het gezelschap? Jean-Pierre heeft vooraf enkele instructies gegeven: weinig bagage, hooguit een kleine rugzak, warme kleding, want in december kan het op de top vriezen of hard waaien, en vooral goede schoenen, wat een probleem lijkt te zijn: niemand van hen is hier met stevige bergschoenen aangekomen. En ten slotte: niet te hard met de stokken op de stenen tikken. Want in de nacht draagt elk geluid ver.

Eind augustus was de schrik toegeslagen in Aulus-les-Bains. Om de Duitse bezetter, die toen nog niet tot de Pyreneeën was opgerukt, tevreden te stemmen hield de Franse gendarmerie een razzia in het dorp. Daarbij werden bijna tweehonderd vluchtelingen, allemaal Joden, opgepakt en weggeleid naar het grote gevangenenkamp Le Vernet, richting Toulouse. 

Alleen degenen die net op tijd waren gewaarschuwd konden ontsnappen naar de bergen en zich daar in de bossen of hutten verschuilen. Anderen mochten zich verbergen in huizen van dorpsbewoners, onder wie dat van Jeanne en haar ouders. De boerendochter had de wanhoop gezien van de mensen die achterbleven en van wie de vrouw, man of kinderen zonder enig mededogen waren meegenomen. Het gezin besloot toen ook een aantal Joden onderdak te verlenen, in hun stal, al was het maar voor een week, tot de gendarmes hun zoektocht zouden staken.

Soldaten van Hitler

Niet lang na de razzia waren de Duitsers op 11 november de demarcatielijn overgetrokken en hadden ze ook het nog ‘vrije’ Vichy-Frankrijk bezet. Hitlers troepen waren vervolgens razendsnel tot de Pyreneeën opgerukt. Zelfs in Aulus-les-Bains, het laatste dorp in een dal van de Ariège, waar de wegen doodlopen in de bergen, was het niet veilig meer. Vijf dagen later, op 16 november, arriveerden de soldaten van Hitler in het plaatsje, om hun intrek te nemen in Hotel Majestic.

De vluchtelingen die achtergebleven waren in het dorp konden en mochten wel op straat komen, maar zij voelden de voortdurende dreiging, de vrees elk moment opgepakt te kunnen worden. Daarom wilden ze er zo snel mogelijk weg. Er was echter maar één route mogelijk: over de bergen. 

Overzicht op Kamp Miranda

Jean-Pierre Acgouau was nog niet eerder als passeur opgetreden en vanwege de risico’s twijfelde hij toen hij het verzoek kreeg om een groep van negen mensen door de bergen te gidsen. Niet alleen het gevaar om door een Duitse patrouille te worden betrapt, maar vooral ook de zwaarte van de tocht, een klim naar de grensovergang op 2400 meter, 1700 meter hoogteverschil met het dorp.  Jean-Pierre zelf deed er, als ervaren herder, bij daglicht zo’n twaalf uur over; zijn ooien graasden in de zomer hoog in de bergen. Nu zouden ze ’s nachts moeten vertrekken, maar hij stemde toe. Negen personen vond hij wel erg veel personen voor hem alleen, er was nog een gids nodig. Dochter Jeanne bood zich direct aan; ze had sinds ze tiener was het pad in de zomer elke zondag met haar vader gelopen, om naar de schapen te gaan. Geld wilden ze niet, al waren de mensen bereid te betalen en eisten sommige passeurs wel een vergoeding.

Daar klimmen ze in de duisternis. Om geen geluid te maken hebben ze nog nauwelijks met elkaar gesproken. Jean-Pierre en zijn dochter kennen de mensen niet goed, al hebben ze hen wel in het dorp gezien. Maar er waren er zoveel het laatste jaar, wel zo’n zeshonderd had de burgemeester gezegd.

De groep bestaat uit een jong gezin met een tienerzoon, Gerrit (41), Dora (40) en Marcel van Geuns (13). Verder zijn er twee broers, Joop (21) en Ipie (20) Meljado, en Elias Zomerplaag (17). De laatste is alleen, zijn ouders en zus Betty (20) zijn in het hotel achtergebleven, zij zullen een poging wagen zodra het Elias is gelukt. Ook Bram Schilansky (40) is alleen. Naast de Nederlanders is er een Pools echtpaar, Szyja (40) en Hena (33) Moskowitz, dat net als de anderen van de groep uit Antwerpen komt.

Om de Duitse bezetter tevreden te stemmen hield de Franse gendarmerie een razzia in het dorp. Daarbij werden bijna 200 Joden opgepakt.

Elias Zomerplaag kent Joop en Ipie Meljado al uit de Belgische havenstad. De Zomerplagen en Meljado’s wonen in Berchem. Elias is er geboren, zijn ouders zijn net iets eerder van Amsterdam naar Vlaanderen verhuisd dan die van de broers, die in de Nederlandse hoofdstad zijn geboren. Op bijna dezelfde dag hebben ze Antwerpen halsoverkop verlaten, zoals zo ongelooflijk veel mensen.

Elias dacht nog dat er feestelijk vuurwerk was en hij reed er zelfs op de fiets heen, maar het waren de Duitsers. Op 10 mei 1940 bombardeerden die het vliegveld van Deurne. Vijf dagen later zat de hele familie Zomerplaag op de fiets, ieder met een koffer op de bagagedrager. Zijn vader, diamantslijper Barend (52), zijn moeder Johanna (46) en zijn zus Betty. Ze wilden zo snel mogelijk België uit, de Franse grens over. De wegen waren vol met andere vluchtelingen. Bij Abbeville vlogen er Duitse bommenwerpers over die hun lading lieten vallen, met als gevolg talloze doden op de weg en in de berm.

Dagenlang fietsten ze. Ze overnachtten bij vriendelijke mensen in huis of sliepen op het stro in stallen. Uiteindelijk arriveerden ze in Caen, dicht bij de kust van Normandië, waar vader Barend bij de consul informeerde of een overtocht naar Engeland mogelijk was. Geen enkele kans, was het antwoord. Te gevaarlijk ook. Naar het zuiden moesten ze. Daar, in Toulouse, verzamelde de Franse regering vluchtelingen met een Nederlands paspoort; voor elke nationaliteit was er een stad gekozen. Ze vonden een vrachttrein richting het zuiden en mochten mee in een wagon waarin normaal vee werd vervoerd, hun fietsen konden ook aan boord. Elias had geen idee op welke stations ze allemaal waren gestopt, de reis duurde wel tien dagen. 

De toegangspoort van Kamp Miranda met de spreuktodo por la patria, alles voor het vaderland.

In Toulouse meldde Barend zich bij het Nederlandse consulaat, dat hen doorstuurde naar het opvangkamp van Chateau de Clairfont, aan de rand van de stad.

Daar was het rustig en druk tegelijk. Een kamp kon je het niet echt noemen, het oude kasteel dat vijfentwintig jaar onbewoond was geweest.

Aanvankelijk ontbrak er van alles, maar de aardige, behulpzame consul Van Dobben zorgde dat er vuur was om te koken, pannen, en andere spullen die nodig waren om te overleven en om de tijd door te komen. Een echtpaar uit Breda wierp zich op als een soort uitbaters en zorgde voor enige structuur. 

Fleurige jurken

De vluchtelingen kwamen uit alle uithoeken van Nederland en Vlaanderen en waren van alle soorten komaf. Er waren zowel arbeiders als mensen van stand. Sommigen gingen goed gekleed; er waren mannen in pak met stropdas en vrouwen in fleurige jurken. Ook het gezin Zomerplaag had zijn nette kleren meegenomen. Aan tafels die steeds feestelijker leken deelden ze de maaltijden, in de winter binnen, in de zomer buiten. Er werden foto’s gemaakt die zo vakantiekiekjes konden zijn. Maar dat was slechts bedrog. 

De wegen waren vol met vluchtelingen. Bij Abbeville vlogen Duitse bommenwerpers over die hun lading lieten vallen, met als gevolg talloze doden in de berm

De mensen spraken over de oorlog, over thuis, over achtergebleven familie en over de onzekerheid of hun stad of huis was gebombardeerd. Ze hadden het ook over de nabije toekomst. Velen van hen wilden wel weer terug zodra ze zeker zouden weten dat er in Nederland niet meer werd gestreden en dat hun huis nog overeind stond. De mensen uit Breda hadden gehoord dat hun stad net als Rotterdam in puin lag. Ze waren opgelucht toen dat nieuws vals bleek te zijn. Anderen wilden naar Engeland of een plek elders in de wereld. Joodse mensen, zoals de vader van Elias, wilden absoluut niet terug; in Antwerpen zouden ze zich direct bij de Duitsers moeten melden.

In Toulouse gingen er al verhalen rond over de zuidelijke route, over geitenpaden door de Pyreneeën die tijdens de Spaanse Burgeroorlog in omgekeerde richting waren gebruikt door Spanjaarden die vluchtten voor het geweld, voor een zekere dood of, in het beste geval, voor gevangenschap als hun stad of dorp door de troepen van Franco werd veroverd.

Het gezin Zomerplaag

Aan de andere kant van de Pyreneeën regeerde nu de fascistische dictator, die met hulp van Hitler en Mussolini de door hemzelf ontketende burgeroorlog had gewonnen. Spanje had zich inmiddels neutraal verklaard, want het land kon geen nieuwe oorlog meer aan. Er bestonden bovendien nog Nederlandse consulaten in Madrid, Barcelona en Bilbao. Die zouden mogelijk een uitweg kunnen bieden: papieren voor een overzeese reis.

Toen kwam het onverwachte gebod van de Franse regering. Het was alsof de vluchtelingen niet echt meer gewenst waren. Voor hen allen kwam er een résidence assignée, een aangewezen plaats waar ze beter in de gaten konden worden gehouden, waar ze niet in alle vrijheid konden rondlopen, zoals in een stad als Toulouse. 

Honderden lotgenoten

De gezinnen Zomerplaag en Meljado moesten verkassen naar Aulus-les-Bains, honderddertig kilometer onder Toulouse. In dit kuuroord kwamen midden in een oorlog, geen gasten of patiënten meer. Er was maar één toegangsweg door het dal die doodliep tegen de schier onneembare bergpassen. De hotels stonden er leeg, niemand vierde vakantie. Plaats genoeg om honderden vluchtelingen op te vangen. En die door een groepje gendarmes te laten bewaken. Een paar kilometer terug, in Ercé, was een controlepost van de politie waar iedereen die Aulus wilde verlaten gecontroleerd werd.

Elias en Betty Zomerplaag en hun ouders kregen net als een twintigtal andere Nederlanders een kamer toegewezen in hotel Villa Raphaël en probeerden er iets van een leven op te bouwen, net als de honderden lotgenoten die ineens het dorp hadden overstroomd.

Elias dacht regelmatig aan thuis, niet alleen aan Antwerpen, maar ook aan Baarn en Amsterdam, waar hij bij zijn tantes de zomervakanties doorbracht. Vooral Baarn, waar de niet-Joodse familie van moederskant woonde, vond hij prachtig: de grote huizen en kastelen in de omgeving, de tuinen, de ruimte… Al woonden zijn tante en haar kinderen niet groot. Hij hielp er op het land en met het vee. 

Amsterdam was ook bijzonder, met de neefjes van de familie van vaderskant, de vele Zomerplagen die niet naar Antwerpen waren verhuisd. Hoe zou het hun nu vergaan? De berichten die hem per post uit België en Nederland bereikten waren zorgwekkend.

Het aanvankelijk brede pad is bijna onbegaanbaar geworden, ze moeten klauteren over de grote stenen. Soms raakt er eentje onder hun voeten los en rolt naar beneden, het klinkt als onweer in de stille nacht. Dan moeten ze even stilstaan, afwachten of er een reactie komt. 

Ze zijn vertrokken onder een druilerige hemel, nu is het onbewolkt, er staan sterren aan de lucht en een kwart maan. Heel koud is het niet en van het lopen krijgen ze het ook warm.

Joop Melgado

Het wordt vanaf nu steeds steiler. Maar goed dat het gezelschap de soms grote diepte langs het pad niet goed kan zien, ze zouden er alleen maar banger van worden. Dan komt het moeilijkste deel, langs de waterval van Ars. Op het altijd vochtige pad is het water nu bevroren. In het donker lichten de ijsplakken op, het lijken stenen, maar dat is bedrog. Jean-Pierre legt het hun uit: ze moeten op de donkere plekken blijven lopen, dat zijn de droge rotsen; als ze op het witte deel stappen kunnen ze tot hun enkels door het ijs in het koude water zakken.

Op een rotsblok staan de letters F en E, Jeanne legt de vluchtelingen uit wat het betekent: de F is van France en de E van España. Het zwaarste zit erop

Hoe hoger ze komen langs de waterval, hoe zwaarder het wordt. Soms moeten Jean-Pierre en Jeanne de mensen één voor één een stuk begeleiden, op die manier gaat het lang duren. Ze moeten naar Tavascan, het eerste dorp in Catalonië; Jean-Pierre heeft deze tocht meer dan eens gemaakt, na de twaalf uur tot de grens komen er nog eens minimaal drie uur afdalen bij. Nu is de grens nog ver weg. 

Nadat ze de waterval achter zich hebben gelaten, licht in het donker een witte vlakte op , het is een gletsjer waar ze niet omheen kunnen. Jean-Pierre loopt voorop en hakt achter elkaar gaten in het ijs waar de mensen hun voeten in kunnen plaatsen. Het gaat stap voor stap, de vertraging loopt verder op.

In het oosten begint het inmiddels te dagen, wolken waaien over, er vallen een paar druppels. Bij het meertje van Cabanes is het even vlak, een stuk grond waar ze met zijn allen kunnen gaan zitten om iets te eten. Ze horen geritsel, voetstappen. Ze verstijven. Dan verschijnt Jean-Baptiste Rogalle, een twintiger uit het dorp. Hij is ook passeur. Achter hem lopen een echtpaar met een baby en een oudere vrouw. Het zijn Belgen. Ze gaan ongelooflijk traag, beklaagt Jean-Baptiste zich. Ze zijn om middernacht vetrokken, drie uur eerder…

Iedereen is al vermoeid, maar er is geen tijd te verspillen.

De dag breekt nu echt aan, Jean-Pierre wil verder. ‘We moeten door, terug kunnen jullie niet, daar zijn de Duitsers. En boven kan het elk moment gaan spoken, we moeten zo snel mogelijk over de berg heen.’ Het is een groot geluk dat er in deze periode van het jaar nog geen sneeuw op deze hoogte is gevallen.

De jongens lijken sterk, maar ze zijn niet gewend om te klimmen. In hun land zijn geen bergen. De vrouwen willen steeds vaker stoppen. ‘Une minute, une minute,’ roepen ze dan. Jean-Pierre wordt ongeduldig, maar hij vertelt liever niet hoe ver het nog is en hoe zwaar het nog wordt tijdens de laatste kilometers naar de top, naar de grens, op meer dan 2400 meter hoogte. 

Er is een moeilijk stuk met grote rotsblokken, Jeanne, Jean-Pierre en Jean-Baptiste moeten hun beschermelingen een voor een naar boven trekken, bij elke volgende steen weer. De vader draagt zijn baby in een stoffen zak op borsthoogte en puft na elke stap. Wanneer hij lijkt om te vallen neemt Jeanne de baby van hem over. Jean-Baptiste bekommert zich om de moeder en de oma; de laatste neemt hij soms een tijdje op de rug, om en om met Joop en Ipie. Als hij dat ziet heeft Elias spijt dat zijn ouders en zus niet zijn meegekomen – zijn moeder zag op tegen de tocht, maar hij had beloofd haar op de rug te nemen als ze niet meer verder kon. Hij voelt zich schuldig, had hij maar wat meer aangedrongen.

Het vlakt iets af richting de top van de Col de Guillou. Het is inmiddels middag en de zon zet de hele omgeving in een warm licht, de gitzwarte rotsen zijn bijna wit geworden en het uitzicht is overweldigend. Alles is groen, en stil, de vroege nevel is weggetrokken en er is verder geen mens. Alleen zij. ‘Magnifique,’ zegt Elias.

Geen Duitsers

Jeanne bereikt met de baby als eerste de top. Ze legt het jongetje in zijn buidel op het gras naast een steen, een van de mannen arriveert ook en zal op het kleintje passen terwijl zij terugloopt om Jean-Pierre en Jean-Baptiste te helpen met de anderen. Op een rotsblok staan de letters F en E, ze legt de vluchtelingen uit wat het betekent: de F is van France en de E van España.

Het zwaarste zit erop, de klim is voorbij. Lang stilstaan is echter geen optie, hoe graag ze hier ook zouden uitrusten, op een plek waar de aanblik van het natuurschoon hun vermoeidheid voor even doet vergeten. De passeurs moeten straks nog omkeren, terug het dal in en naar huis, en daarbij mogen ze vooral geen Duitsers tegenkomen. Nog een kilometer zullen ze de vluchtelingen vergezellen, tot het meer van Romedo.

Een tijdje later stoppen ze op een klein plateau boven het meer. Jean-Pierre wijst naar beneden: aan de andere kant van het meer zullen ze een pad vinden, dat moeten ze volgen. Het gaat bijna alleen maar naar beneden, met af en toe een klein stukje omhoog, langs een beekje, soms over de linker-, dan weer over de rechteroever. Als ze opschieten is het nog zo’n vier uur, het laatste deel van de tocht zal weer in het donker zijn.

Kamp Miranda| Edwin Winkels |Uitgeverij Brandt | €22,50

De groep deelt het eten dat er nog is. Kaas, brood, suikerklontjes. Iedereen lijkt ervan op te knappen. De baby krijgt melk uit een kleine thermoskan. 

‘Op pad,’ zegt Jean-Pierre. Elias geeft hem een briefje dat hij haastig heeft geschreven; in het dorp zal iemand dat komen ophalen, zegt hij. Jean-Pierre weet het.

Ipie vraagt Jeanne hoe oud ze is en bedankt haar voor alles wat zij en haar vader voor hen hebben gedaan. De moeder van de baby brengt wat make-up aan op haar gezicht, de anderen aanschouwen het met verbazing.

Hun wegen scheiden zich. De drie passeurs klimmen weer terug naar de top. Als ze boven zijn draaien ze zich nog eenmaal om. In de diepte zien ze de dertien vluchtelingen achter elkaar langs het meer lopen, over het juiste pad. ‘Ils sont bien partis,’ zegt Jean-Pierre. ‘Ze zijn goed vertrokken.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Historie