Leon Verdonschot
Politiek

Leon Verdonschot: ‘Dat u als minister van Migratie, namens een partij die het al twintig jaar alleen maar over migratie heeft, geen enkel resultaat heeft geboekt; dat is bijna knap’

'Het riep weleens de vraag op wat u eigenlijk de hele dag dééd'

Leon Verdonschot
Column Leon Verdonschot

Beste Marjolein Faber,

Ik denk dat geen minister ooit minder voor elkaar kreeg dan u. Ja, uw voormalige collega Wiersma van Landbouw, maar haar bedóéling is juist iedere vorm van milieuwetgeving te vertragen, en dat is haar gelukt, dus in zekere zin heeft zij juist alles voor elkaar gekregen wat ze wilde. Maar dat u als minister van Migratie, in een rechts kabinet, namens de grootste partij, een partij die het al twintig jaar alleen maar over migratie heeft, geen enkel resultaat heeft geboekt; dat is bijna knap. Het riep weleens de vraag op wat u eigenlijk de hele dag dééd. Gelukkig is die vraag nu beantwoord. Een boek schrijven! 

Uw boek heet Mij krijgen ze niet klein. Want zo zijn ‘ze’. U stelt in uw inleiding, in zinnen van tweet-lengte: ‘Ik zit mijn tijd wel uit, zullen sommigen denken. Wie dan leeft, wie dan zorgt, is ook zo’n houding. Slappe hap. Zo zit ik niet in elkaar.’ 

Hoe dan wel? De hoofdstukken over uw jeugd staan vol anekdotes die duidelijk moeten maken dat u toen al onverschrokken was. U beschrijft uw moeder, maar omdat u meteen schrijft dat u op haar lijkt, daarmee u zelf, met termen als ‘leeuwin’, ‘fel karakter’ en ‘voor de duvel niet bang’. Fascinerend vind ik bij types als u – Rita Verdonk was er ook zo een – wat er vervolgens gebeurt. Nou ja, wat er vervolgens gebeurt laat zich natuurlijk uittekenen: een (politiek) leven vol conflicten – de prijs van starheid, het ontbreken aan diplomatie en tact, gecombineerd met het cultiveren van gebrek aan empathie.

Maar ik bedoel meer: wat daar vervolgens uw interpretatie van is. En die luidt: dat komt doordat ik een rechte rug heb, en doordat die anderen dat niet kunnen verdragen. Het is de tragische, zichzelf waarmakende voorspelling van de zelfverklaarde man-of-vrouw-uit-één stuk. Elke valkuil waar ze in vallen omdat ze die rechte rug van staal nou eenmaal niet kunnen buigen om even naar beneden te kijken, beschouwen ze als het ultieme bewijs van hun rechtschapenheid. Hoe meer ruzies, hoe groter de bewijslast van hun gelijk.  

En dus is de rest van uw boek precies dat. Tegenwind of tegenspraak? ‘Gek werd ik ervan.’ ‘Ik kreeg zowat een rolberoerte.’ ‘Het was nooit goed.’ ‘Er kwamen apen uit verschillende mouwen.’ ‘Ik en mijn fractie werden weggehoond.’

Wat deed u vervolgens? Altijd hetzelfde. Een bloemlezing: ‘Uiteraard nam ik die woorden niet terug.’ ‘Ik weigerde.’ ‘Nu ben ik niet op mijn achterhoofd gevallen, ik was mij daar wel degelijk van bewust.’ ‘Zo’n opmerking viel niet zo lekker. Nou: so what!?’ ‘Maar ik liet mij niet kennen.’ ‘Maar ik hield stand.’ ‘Ik boog niet.’ ‘Nu ben ik niet van suiker.’ ‘Ik ben niet van de poespas, maar weet wat ik wil. Wat het beste is voor Nederland.’ 

Uw eindconclusie: ‘Het was een wonder dat ik overeind bleef. Ik was geen dag ziek. Iedere ochtend hees ik mij weer in het harnas. Door al die tegenwerking werd ik met de dag vastberadener.’ Want: ‘Er is maar één weg, die is naar voren.’

Het is zo’n zin die klopt, tot één specifiek punt opdoemt. Het ravijn.