James Worthy
Column

James Worthy: ‘Ik denk niet dat ik in God geloof. Maar ik geloof wel in mensen die denken dat ze God zijn’

'De God in mijn wasserette eet een krentenbol met boter en gaat door de knieën voor een centrifugerende machine'

James Worthy
Column James Worthy

In mijn wasserette staat een man die zegt dat hij God is. En ik zeg wel mijn wasserette, maar de wasserette is niet van mij. Nog niet.

Als ik rijk zou zijn, stinkend rijk, zou ik deze wasserette willen kopen. Veel van mijn vrienden bezitten restaurants en sportscholen, maar ik droom al een tijdje van een eigen wasserette. Een plek waar mensen met vieze dingen naar binnen lopen en met schone, zachte dingen weer naar buiten gaan. Verzachtende omstandigheden. Zo zou ik mijn zaak noemen.

De man die zegt dat hij God is, vraagt of ik pijnstillers bij me heb. 

Ik zeg dat ik niet in pijnstillers geloof. ‘Ik heb mijn pijn het liefst als een operazanger. Luidruchtig en theatraal.’

‘Vind je het niet gek om God tegen te komen in een wasserette?’ vraagt hij.

‘Nee hoor, ik begrijp het wel.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Misschien ben ik vanochtend overleden, en is dit de plek die tussen het leven en de dood zit. En misschien moet ik straks wel in zo’n wasmachine stappen. En als alle vlekken uit mij gaan, mag ik naar de hemel. Begrijp je?’

‘Zit je God nou te mansplainen?’

‘Mijn welgemeende excuses,’ zeg ik.

‘Geloof je in mij?’

‘Ik weet het niet. Ik denk niet dat ik in God geloof. Maar ik geloof wel in mensen die denken dat ze God zijn. Heel eventjes. Ik denk dat een mens een paar keer in zijn of haar leven goddelijk kan zijn. Een beetje zoals een griepje. Dat je het goed te pakken kunt hebben. Ik kom ook steeds vaker mensen tegen die zeggen dat ze God zijn. Het lijkt te heersen, begrijp je?’

‘Ik begrijp alles,’ zegt de man.

‘Botkanker bij kinderen?’

‘Oké, ik begrijp bijna alles. De wereld en de mens zijn twee verschillende wervelwinden. Ik ben de controle volledig kwijt. Daarom ben ik hier. Als ik in al die wasmachines kijk, zie ik controleerbare wervelwinden. Sokken kunnen niet kapot.’

‘Wat ik zo fijn vind aan wasserettes is dat ze laten zien dat mensen nog kunnen wachten. Negentig minuten lang. Veertienhonderd toeren per minuut. Mensen die gewoon even wachten op een machine die hun handdoeken weer schoonmaakt.’

De God in mijn wasserette eet een krentenbol met boter en gaat door de knieën voor een centrifugerende machine.

Een los tegeltje in de vloer trilt zachtjes onder hem.

Hij kijkt door het ronde raampje het apparaat in.

Hij ziet dat een donkergroen washandje de mooiste rondjes maakt in het heelal van zijn wasmachine.