(Rob)
Wij hebben grote schoenen te vullen, mijnheer Van Amerongen. Dat deze allereerste woorden van een nieuwe Nieuwe Revu-rubriek uitgerekend uit mijn pen vloeien, met de vertaling van een vermaard Brits gezegde, zal menige landgenoot die weet dat ik King Kong de Tweede ben verbazen: mijn schoenmaat is 49. Bij u is dat anders, zoals tijdens mijn laatste bezoek aan uw Algarviaanse woonst weer eens bleek.
Nog altijd neem ik het mezelf kwalijk dat ik u toen niet heb gefotografeerd: met een schattig rood puntmutsje op uw sproetige hoofdje zat u bij mijn onaangekondigde entree daar aan de Ria Formosa tevreden lurkend aan uw pijpje in de moestuin van uw verloofde op uw favoriete paddenstoel over het leven na te denken, of iets soortgelijks, met tweedehands kindersandaaltjes van hooguit maatje 28 aan uw hoog boven de grond bengelende voetjes.
Het ware derhalve beter geweest als u deze openingszin voor uw rekening had genomen, maar goed, we hebben nu eenmaal afgesproken dat ik in deze bijdrage het voortouw zou nemen. En laten we wel wezen: een dialoogrubriek als de onze in Nieuwe Revu schept zware verplichtingen, zoals ik ermee wilde suggereren. Ooit schreven Rijk de Gooyer en Maarten Spanjer een vergelijkbare kroniek voor dit legendarische weekblad, waarin zij op hilarische wijze de mensen uit Het Wereldje op de korrel namen. In het bijzonder wanneer de hoogdravendheid van deze types hun irritatiegrenzen ruimschoots passeerden, deinsden Rijk en Maarten er niet voor terug om op droogkomische wijze melding te maken – ik doe slechts een greep – van uit de hand gelopen alcoholgebruik of opmerkelijke gevalletjes buitengaatse oerdrift van de betrokken poseurs.
Behalve bij de J.Kessel-avonturen van P. F. Thomése schater ik eigenlijk nooit bij het lezen van verhalen, maar toen deed ik dat wel.En dan waren er natuurlijk ook Theo & Theo, die eveneens een dialoog voor Nieuwe Revu componeerden. Dat waren Theo van Gogh en ons beider vriend Theodor Holman, wier schrijfstijlen geen enkele overeenkomst vertoonden, maar wier vriendschap onovertroffen was. Net als wij hadden zij allebei een bloedhekel aan vaak religieus getinte hypocrisie. Theo kan daar sinds 2 november 2004 helaas geen blijk meer van geven, maar Theodor kan dat gelukkig nog steeds wél, zij het niet meer in Het Parool waarvoor hij decennialang dag in dag uit schreef. Die krant heeft hem op de meest lafhartige wijze ooit geloosd.
En die vier grote mannen mogen wij dus opvolgen, mijnheer Van Amerongen. Het is een eer! Voor mij persoonlijk bestaat daar trouwens nog een extra reden voor: bij Nieuwe Revu was Bert Voskuil lange tijd een grote jongen. En wie haalde mij ooit in de journalistiek? Goed geraden. Hij was toen een piepjonge chef sport bij het Noordhollands Dagblad en vermoedelijk dacht hij later nog weleens aan dat moment terug toen hij bijkluste voor de pr-afdeling van de SP. Want toen schreef ik inmiddels columns voor De Telegraaf. Haha!
(Arthur)
Oom Rob, ik ben benieuwd of uw boomerhumor aanslaat bij de jonge lezers van de Revu. Zo’n grap met een baard over mijn dwerggroei deed het vroeger natuurlijk goed tussen de schuifdeuren in uw ouderlijk huis in Alkmaar, waar de glaasjes met Caballero-sigaretten zonder filter klaar stonden en waar uw familieleden na het ledigen van een emmer advocaat van het merk Zwarte Kip, de polonaise deden op de klanken van het Cocktail-trio. Maar tegenwoordig is dwarfshaming alleen nog leuk als het over een gnoom als Sander Schimmelpenninck gaat.
Net zoals fatshaming alleen maar leuk is als het Asha ten Broeke betreft, de bipolaire huiskamerolifant van de Azijnbode.Uw schoenmaat is 49, de mijne 36. Welnu: de Duitsers zeggen ‘an der Schuhgröße eines Mannes, erkennt man seinen Johannes’, maar dat is bij u beslist niet het geval, zo bleek toen wij na een borrel bij uw Telegraaf een wedstrijd verplassen deden waarbij u op een gegeven moment, behoorlijk beschonken, over mijn ‘kleine Tuur’ struikelde.
Op uw aanraden heb ik daarom een penisverkleining ondergaan in een kliniek in Istanbul. U noemt geheel terecht de rubriek van mijn helden Rijk de Gooyer en Maarten Spanjer. Het toeval wil dat Maarten mij laatst een heerlijk verhaal stuurde over zijn ervaringen met talkshows, en daarin had hij een aardige anekdote over Eva Jinek, die ik u en uw jonge lezers zeker niet wil onthouden.
Hij schreef: ‘Wat is er toch overgebleven van die leuke, spontane geschiedenisstudente uit Leiden die dispuutgenoten ooit wakker hield met kreten vanuit de slaapkamer als: “O Joost, o Joost, spuit me tegen het plafond!” Deze uiting van enthousiasme heeft haar jaren later geïnspireerd tot het schrijven van haar boek Droom groot. Joost was een vierkante rugbyspeler uit haar studiejaar. Het is na Bram en Freek (niet Neerlands Hoop) nooit meer helemaal goedgekomen met haar.
Wist u, oom Rob, dat ik in mijn vlegeljaren de razende reporter was van de Nieuwe Revu? Het geld klotste tegen de plinten
’Wist u, oom Rob, dat ik in mijn vlegeljaren de razende reporter was van de Nieuwe Revu? Het geld klotste tegen de plinten en ik reisde in de tijd van de bazen Hans Verstraaten (dat zijn herinnering tot een zegen mag zijn) en Frans Lomans als zelfverklaard oorlogsverslaggever – ik was immers afgestudeerd in het Arabisch en de islam – de hele wereld over. Dan ging ik bijvoorbeeld naar Iran of Libanon en maakte ik op een bierviltje een begroting voor Hans. Die knikte dan met zijn olijke jongenshoofd en vervolgens cashte ik een astronomisch voorschot bij de boekhouder.
Ik heb trouwens een keer op de cover gestaan van de Revu. Niet zittend op de loop van een tank in Afghanistan of tussen een peloton zelfmoordjihadisten van de Hezbollah, maar met twee turkentassen vol lege flessen bij de glasbak voor mijn woonst in Amsterdam-Zuid. De kiek was van fotograaf Paul Levitton en de aanleiding was mijn twaalfdaagse verblijf in de detox van de Jellinek-kliniek. Ik had voor de Nieuwe Revu een spraakmakend dagboek bijgehouden in dit voorportaal van de hel. Hoe is het trouwens met uw legendarische dorst? Eén ding is zeker: je gaat niet krimpen van alcohol en dat is goed nieuws. Proost, ouwe!