Mens & Maatschappij

Leon Verdonschot: 'Eigenlijk was ik mijn hele leven een hondenman, maar dan zonder hond'

Journalist Leon Verdonschot is geen mensenmens, maar een hondenman. Hij vroeg zich af waar die liefde vandaan komt, wat het zegt, en wat we van honden kunnen leren. Hij verdiepte zich in talloze boeken en films over honden(liefde) en schreef er uiteindelijk samen met vriend en schrijver Alex Boogers een boek over dat afgelopen week verscheen. Over de mens en zijn trouwe vriend. 

Leon Verdonschot
Leon Verdonschot met hond

Als kind woonde ik met mijn moeder in een klein flatje in Geleen. We hadden enkele jaren een huisdier: Pietje.
Pietje was een parkiet. Hij zat in een kooitje, wat ik inmiddels heel zielig vind, en wat het lot is van vele parkieten. Net als bij een goudvis is bij een parkiet het scala aan emotionele banden die je met ze kunt opbouwen redelijk beperkt, en toch was ik ontroostbaar toen Pietje op een dag het leven liet. Op een of andere manier heb ik dat altijd onthouden als het bewijs dat ik geen huisdieren moet hebben, omdat ik me daar veel te veel aan hecht. Daarom heb ik sinds Pietje geen huisdier gehad. Terwijl mijn liefde voor dieren en dan helemaal voor honden altijd heel groot is geweest. Eigenlijk was ik mijn hele leven een hondenman, maar dan zonder hond. 

De twee aanlopen naar een eigen hond waren twee leenhonden. 
Toen ik voor de Vara de documentaire Lijfspreuk maakte, over tattoocultuur, filmden we vaak bij Henk van Straten, de schrijver uit Eindhoven. Henk had een hond, Cuba, een bullmastiff met de mooie combinatie van een droeve kop en een vrolijk karakter. Tijdens sommige opnames was ik meer met Cuba bezig dan met Henk van Straten zelf.

Toen de opnames van de film klaar waren, zei ik tegen Henk: “Als je ooit op vakantie gaat en je zit verlegen om een oppas, laat het me dan vooral weten.” Ik denk dat het nog geen week later was toen hij al belde. Dus twee weken later had ik Cuba al in huis. Mijn toenmalige vriendin woonde in Amsterdam, op twee- of driehoog. Op een dag was Cuba bij haar, en wilde ze met hem gaan wandelen. 

Ze belde me op: ‘Cuba wil niet de trappen af, wat ik ook doe.’

Dus ik belde Henk. Hij zei: ‘O shit, daar heb ik helemaal niet aan gedacht. Cuba is bij ons altijd in de woonkamer of in de keuken. Hij is bang voor trappen. Op lukt nog wel, neer absoluut niet.’ 

Ik zei: ‘Hoe krijgen we ’m dan nu beneden?’

Henk zei: ‘Níét, gewoon echt niet. Er is maar één optie: je moet ’m tillen.’

Dus twee weken lang heb ik Cuba van 55 kilo drie keer per dag van de trap af gedragen. Hij vond het heel eng, dus onderweg fluisterde ik non-stop allemaal geruststellende woorden in zijn oren. En Cuba zette zich ondertussen schrap, met zijn poten naar voren, als Scooby-Doo.

Later volgde een andere leenhond. Boris, een Amerikaanse bulldog. Ik stuurde Alex Boogers vaak filmpjes en foto’s van hem, en dan maakte hij doorgaans grappen over dat dit later mijn laatste foto’s zouden blijken, gemaakt net voor Boris me aan flarden had gescheurd. Boris had een fantastische kop, met een schots en scheef gebit en ogen waaruit levenslust sprak, en op sommige momenten enige waanzin. Eén keer per dag, meestal tegen het eind van de middag, kreeg hij een soort gekte in zijn kop, en móést er met hem gespeeld worden, graag zo lomp mogelijk.

Op de momenten dat hij dat afdwong en die twee opengesperde ogen me aanstaarden, maakte ik meestal een foto voor Alex. Een van de vele grappige eigenschappen van honden vind ik dat ze op een zachtaardige manier dwingend kunnen zijn, maar bij Boris was die zachtaardigheid dan verdwenen: hij was op die momenten alleen nog maar dwingend.

De leenhonden maakte me definitief duidelijk dat ik een hond wilde. De vloek van Pietje moest gebroken worden. Het moest ook een hond uit een asiel worden. Ik zou pas een hond van een fokker overwegen wanneer alle asielen in Nederland leeg waren, en ook in dat geval zou ik, nu ik er langer dan drie seconden over nadenk, toch kiezen voor een hond uit een buitenlands asiel. Elke hond die je ‘plaatsbaar’ kunt maken, is één gelukkig hondenleven meer. Elk gelukkig hondenleven meer is een iets mooiere wereld. Schrijfster Esther Verhoef vat het kernachtig samen: ‘Honden kunnen zichzelf niet redden, daarom moeten wij dat doen. Een kleine gunst als je beseft wat honden voor óns doen.’

Vriend en mede-auteur Alex Boogers is ook al dol op honden.

Maxi, mijn eerste hond, kwam uit het asiel in Hengelo. Ik heb de advertentie nog, daarin stond dat ze uitzonderlijk lief was, en elk huis prima vond, met welke samenstelling dan ook, als ze er maar welkom was en aandacht kreeg.

Bij het asiel in Hengelo hanteerden ze het verstandige beleid dat ze een hond niet zomaar aan iedereen meegaven. Ik moest op gesprek komen, een uitgebreide vragenlijst invullen en drie bezoeken brengen. Ik vind eigenlijk dat je voor het hebben van een hond een certificaat zou moeten halen, wat zelfs voor het rijden van een brommer of snorfiets verplicht is, dus waarom dan in vredesnaam niet voor de zorg over een levend dier, dat volledig van zijn eigenaar afhankelijk is?

Bij gebrek aan een hondencertificaat vind ik het systeem dat ze in Hengelo hanteerden een goed alternatief. Het voorkomt in ieder geval het grote probleem van impulsaankopen, die in coronatijd vele huishoudens vol coronahonden opleverden, en toen het virus weer was uitgewoed vervolgens overvolle asielen met diezelfde coronahonden.  

Omdat Boris, de Amerikaanse leen-bulldog nog steeds geregeld kwam logeren, nam ik hem bij het tweede bezoek aan Maxi mee naar Hengelo. Ze zouden natuurlijk wel met elkaar overweg moeten kunnen. De eigenaren van Boris waren een Amsterdams homostel dat ooit een logeeradres voor hem had gezocht. Ze waren net als ik benieuwd naar de klik tussen beide honden. Een seksuele klik zou het in ieder geval zeker níét zijn, merkten ze nog op: nog nooit hadden ze enige seksuele interesse van Boris in welk teefje dan ook opgemerkt. Boris bleek, zo luidde inmiddels hun conclusie, een seksloze hond.

Dat was hij vast al die jaren geweest, maar dat was op slag over toen hij in de grote tuin van het asiel in Hengelo Maxi ontmoette. Op alle manieren probeerde hij Maxi te berijden.

De term ‘swaffelen’ was een tijd heel populair: in 2008 was het zelfs het woord van het jaar. In die tuin in Hengelo beleefde het werkwoord ‘swaffelen’ een heropleving. Boris swaffelde Maxi op alle denkbare en ondenkbare manieren en plekken, vooral in haar gezicht. Maxi reageerde met de superieure laconieke desinteresse waarmee ook in het mensenrijk vrouwen kunnen reageren op mannen die te hard hun best doen. De klik waarop ik hoopte was er. De klik die ik niet had voorzien eveneens.

Op de terugreis kreeg ik een berichtje van de eigenaren van Boris. Ze waren benieuwd hoe het was gegaan. Ik stuurde ze enkele filmpjes waarop Boris het bewijs van zijn onvermoede libido tegen het hoofd van Maxi sloeg. De eigenaren van Boris maakten enkele grappen over Boris’ acties van de verkeerde kant, en van wie hij dat toch zou hebben geleerd.

Na het derde bezoek mocht Maxi meenemen naar huis, en begon een leven dat ik nooit meer zou willen missen: dat samen met een hond.

Hoe zit dat nou precies, die liefde tussen mens en hond? 
Samen met Alex Boogers heb ik er het afgelopen jaar veel over gelezen, nagedacht en geschreven. Een van de meest nuchtere, om niet te zeggen ontnuchterende, manieren om naar het gedrag van honden te kijken, stond jaren geleden beschreven in het boek Idogs van de Nederlandse schrijfster Manon Spierenburg. Ze stelde: ‘Mensen zijn maar al te graag geneigd om dieren menselijke eigenschappen toe te schrijven. Dat is ook de reden dat de fabrikant van bijvoorbeeld hondenregenjasjes schaamteloos zijn zakken vult.

Dat honden een vacht hebben en dus geen kleren nodig hebben, daar sluiten we op een of andere manier het liefst onze ogen voor, als ware het iets obsceens. Ook wanneer een hond zijn kop in onze schoot legt, of een poot op onze voet zet, interpreteren we dat onmiddellijk als een blijk van genegenheid, voor de naar liefde hunkerende stumperds die we zijn. De hond slaat een arm om ons heen in barre tijden, de lieverd!

Dat een hond een brein heeft ter grootte van een walnoot en niet in bezit is van frontale hersenen, zien we liever niet, want liefde is blind en dat is maar goed ook, anders was het menselijk ras al lang uitgestorven. Honden zijn daar wat pragmatischer in. Liefde zegt ze niets, ze gaan liever voor de macht. Wanneer twee honden elkaar ontmoeten en de ene bij de andere de kop of een poot over de rug legt, wil dat zoveel zeggen als: “Erken onmiddellijk mijn superieure status of ik bijt je kop eraf.”

Boris had een fantastische kop, met een schots en scheef gebit en ogen waaruit levenslust sprak, en op sommige momenten enige waanzin

De andere hond heeft twee mogelijkheden: hij maakt zich klein en accepteert dit staaltje van machtsvertoon, of hij verzet zich en er ontstaat een kort gevecht dat doorgaans afgesloten wordt met hetzelfde ritueel, waarna de hond die het onderspit delft zich alsnog onderwerpt. Elke hond is altijd alleen maar bezig met één ding: zijn status binnen de roedel verhogen. Zelfs wanneer die roedel slechts bestaat uit één mens en één hond. Dus terwijl ik mijn hond gedachteloos over zijn kop aai, stijgt zijn ego tot ongekende hoogten.

Honden zijn volstrekt waardevrij, op een welhaast machiavellistische manier. Ze hebben geen gevoel voor rechtvaardigheid, kennen geen schuldgevoel, geen barmhartigheid, geen empathie en geen sociaal stelsel. Je kunt ze net zo makkelijk leren om blinden door het leven te geleiden en arme zoekgeraakte kindertjes te redden, als dat je ze kunt leren om diezelfde blinden en slachtoffers tergend langzaam aan stukken te scheuren. Zolang het maar goed voelt voor zichzelf, zal de hond alles doen wat zijn leider van hem vraagt. 

Vandaar dat als een goedgemutste psychopaat op een goeie zaterdagmiddag de lange rij bij de pinautomaat afloopt en gewoon voordringt, terwijl jij daar al een halfuur in de regen staat te wachten, je hem beter kunt laten begaan als hij zijn niet-gemuilkorfde pitbull, waarbij de mannelijkheid nog fier tussen de achterpoten slingert, bij zich heeft. Als het baasje stapelgek is, dan kun je wel inschatten hoe zijn hond eraan toe is. “Ja, dan moet je ook maar niet zo naar hem kijken,” pleegt dat soort types te zeggen wanneer een lieveling zijn schaarkaken in jouw kuiten vastgeklonken heeft.

Krantenkoppen hebben daar uiteraard geen goed woord voor over, maar wij jubelen andere viervoeters toe en noemen ze ‘dapper’ en ‘heldhaftig’ wanneer ze mensen uit het puin van een aardbeving opgraven. De waarheid is dat de hond in de voorafgaande opleiding heeft geleerd dat het voor hemzelf een prettige ervaring is om een slachtoffer te vinden. Het levert hem een beloning op, in de vorm van koekjes of complimentjes of waardering van zijn leider. Hij doet dat niet omdat hij begrijpt dat die mensen anders zouden sterven en hij ze daarom wil redden. Sterker nog: wanneer een hond getraind is op het vinden van levende mensen en hij vindt alleen maar lijken tussen het puin, dan is hij binnen de kortste keren met geen straf of beloning meer het rampgebied in te krijgen.

Niet omdat het hem iets kan schelen of die mensen dood of levend zijn, maar omdat lijken een andere geur hebben dan levende mensen, en hij niet op lijkenlucht is getraind. Hij koppelt het goede gevoel dan ook niet aan die geur, er is dus van het ‘beloningsgevoel’ geen sprake en voor hem is de lol eraf. De brandweermannen die Ground Zero na 11 september afzochten op overlevenden, gingen tijdens de zoekactie dan ook af en toe zelf tussen het puin liggen, zodat de honden regelmatig ‘scoorden’ en daardoor gemotiveerd bleven om hun werk voort te zetten.’

In ons boek zet Alex daar twee voorbeelden tegenover: ‘Kort na de aanslagen op het World Trade Center in New York City op 11 september 2001 zaten twee labradors, genaamd Salty en Roselle, met hun baasjes vast in de gebouwen. Salty en Roselle waren allebei hulphonden en twijfelden na de aanslag geen ogenblik. Ze escorteerden hun baasjes veilig uit de brandende gebouwen naar beneden en werden later gevierd als helden.

Salty en Roselle waren niet de enige heldhaftige honden. Nadat de gebouwen in elkaar waren gestort, werden er zo’n driehonderd hulphonden ingezet om te zoeken naar overlevenden en menselijke resten, voornamelijk labradors, golden retrievers en herders. Kun je je voorstellen dat je zo’n hel hebt overleefd en plots ontwaakt met een droge strot, steengruis in je ogen, nog altijd onder het puin van het gebouw waarin je werkte en het eerste wat je ziet zijn dan de levendige, goedmoedige donkere ogen van een labrador die een kier heeft gevonden en dolgelukkig is dat je er nog bent, en nadat de brokstukken zijn verwijderd stroomt er vanachter hem een zee van licht over je heen, met herkenbare geluiden van de wereld die je kent.

Nooit, nooit zul je die eerste blik nog vergeten, stel ik mij zo voor. De blik van een hond die zegt: je bent er nog, en ik heb je gevonden! Hoelang moet het hebben geduurd, denk je, voordat de overlevende werkelijk besefte dat hij niet in het paradijs was aangekomen en begroet werd door een hemels schepsel?’

Het andere voorbeeld dat Alex in ons boek aanhaalt, is dit: ‘In Amerika haalde enkele jaren geleden een verhaal het lokale nieuws over een appartement dat in brand vloog waarin een jong meisje en haar pitbull vastzaten terwijl het vuur wild om zich heen greep. De ouders en haar broer en zusjes, die juist thuiskwamen en tot hun gruwel ontdekten dat hun appartementencomplex in lichterlaaie stond, dachten dat er geen redding meer voor

hun dochter, zusje en hond mogelijk was, maar toen de brandweer gearriveerd was en naar binnen ging, trof die de hond aan die over het meisje heen was gaan liggen om haar te beschermen tegen de vlammen. Ze werden allebei gered. Het meisje had een lichte rookvergiftiging, maar bleek verder ongedeerd. De pitbull had aanzienlijke brandwonden over een groot gedeelte van zijn lijf, en even leek het erop dat hij het niet zou halen, maar na een paar operaties en een lange herstelperiode kwam ook hij er bovenop. Hij was zijn oren kwijt, een groot gedeelte van zijn vacht en hij had littekens over zijn gehele lijf, maar hij kon nog altijd kwispelen met zijn staart.’

Alex’ conclusie over die hond luidt als volgt: ‘Ik weet niet precies welk voordeel hij daarmee hoopte te bereiken, behalve dan dat hij zijn mens in leven wilde houden. Je zou kunnen beargumenteren dat het meisje hem dagelijks eten gaf, en hij haar daarom wilde beschermen; tegelijk weet elk dier instinctief wanneer er levensgevaar dreigt, en misschien is in zo’n situatie het moment aangebroken om te kiezen voor een nieuw mens, in een veilige omgeving. Maar nee, de hond bleef.

Wat een wonderlijk idee: een dier dat er volledig voor kiest om bij de mens te zijn en niet eens zozeer bij zijn eigen soortgenoten

Ondertussen zijn er evenzeer verschillende gedragsonderzoeken geweest door universiteiten in Japan, Hongarije, Oostenrijk en de Verenigde Staten waaruit bleek dat het liefdeshormoon oxytocine bij mens en dier stijgt als er sprake is van interactie. Dat lijkt een trivialiteit, maar doorgaans tref je zoiets alleen aan bij geliefden of bij de unieke band tussen moeder en kind. Bij geen enkel ander dier, zelfs niet bij de wolf, wordt dit liefdeshormoon aangemaakt, behalve bij de hond.

Hij bekijkt je zoals een baby voor het eerst zijn moeder aanschouwt, en de liefde die hij ervaart kan hij verklaren noch onderdrukken. Hij volgt zijn gevoel en is eigenlijk niets anders dan gevoel. Natuurlijk, elke hond verlangt naar structuur en leiding, en hij is evenzeer gebaat bij een vast ritme en dagelijkse voeding, maar in de praktijk blijkt toch dat zulke basale verlangens niet doorslaggevend zijn voor zijn gedrag. Een hond zoekt contact met de mens, ook als hij geen beloning krijgt. Een hond, met andere woorden, wil bij de mens zijn. Wat een wonderlijk idee: een dier dat er volledig voor kiest om bij de mens te zijn en niet eens zozeer bij zijn eigen soortgenoten.

De liefde bezegeld met een kus.

Je hebt mensen die een hond hebben, maar vanwege hun werk de hele dag van huis zijn. De hond wordt ’s ochtends uitgelaten en de rest van de dag alleen gelaten. Sommige eigenaren denken dat ze de eenzaamheid van hun hond kunnen verhelpen als ze er nog een hond bij nemen. Dat is een misvatting. De honden zijn dan samen alleen en kijken allebei uit het raam en vragen zich af wanneer hun baasje eindelijk thuiskomt. In het ergste geval beginnen ze samen te huilen en te janken of slopen ze de boel.

De wetenschappelijke aandacht voor de hond van de afgelopen 25 jaar en de onderzoeksresultaten die dat heeft opgeleverd, hebben ertoe geleid dat we niet meer kunnen zeggen dat het hier ‘maar’ een hond betreft als we het over onze trouwste vriend hebben.

Geen schepsel is zo onbaatzuchtig als de hond, dus ik heb mensen met hun meewarige blikken nooit begrepen als ze, nadat je je hond verloren hebt, zeggen dat het uiteindelijk toch ‘maar’ een hond is.’

Een goede manier om te kijken na een stelling vind ik altijd de volgende proef: neem de felste tegenstander van die stelling, lees of aanhoor diens betoog en beoordeel hoe overtuigend je dat vond. 
De stelling van mijn vriend en medeauteur Alex Boogers over de aard van de hond, en ons contact met het dier, sluit naadloos aan bij de manier waarop ik er zelf naar kijk. Ik ging dus op zoek naar het meest radicale andere tegengeluid. Ik vond het in Deventer, in een winkel die zowel oude platen als boeken verkocht. Op een tafel bij de kassa stonden twee rijen boeken.

De lange rij links, dat waren alle boeken over katten. Het korte rijtje rechts: alle boeken over honden. Een van die boeken hoorde eigenlijk niet in het rijtje thuis, maar ook weer wel. Het boek ging weliswaar óver honden, maar in tegenstelling tot al die andere boeken was het uitgangspunt niet interesse of liefde. Het uitgangspunt van dit boek was: afkeer.

In Het complete anti-hondenboek, oorspronkelijk uit 1988, maar de vierde druk (!) die ik kocht uit 1993, legt de destijds 39-jarige Hans Dorrestijn uit wat hij tegen honden heeft. Hij begint zijn tirade bij Lassie, die hij verantwoordelijk houdt voor de populariteit van honden. Een van de wezenskenmerken van een hond, loyaliteit, reduceert Dorrestijn al op pagina 7 tot sentiment: ‘Er kwam in het boek een scène voor die blijkbaar veel indruk maakte, want iedereen zeurde over het feit dat Lassie eens honderden mijlen aflegde om weer bij zijn baasje terug te komen.’

Alles wat ik mooi vind aan honden, vindt Dorrestijn afstotelijk.

Hun ogen: ‘Meestal hebben honden lelijke ogen.’

Hun oren: ‘Lange oren verlenen de hond een al even deerniswekkend als dom uiterlijk.’

Hun lijf: ‘De romp heeft weinig interessants te bieden.’

Vrienden voor het leven.

Hun neiging tot het beschermen van hun gezin: ‘De hond is het meest ongastvrije dier ter wereld. Zelfs als er iemand voor een goed doel aanbelt, raakt de hond buiten zichzelf van woede. Ik moet altijd erg lachen als ik zie hoe de hond ook tekeergaat tegen collectanten voor de Dierenbescherming.’

Hun kwispelende staart: ‘Dat gebeurt bijna uitsluitend om de mens te behagen.’

Dat vermeende constante behagen van de mens zit Dorrestijn sowieso dwars: ‘Wat een karakterloos iemand, wat een zak, is de hond vergeleken bij de kat!’ Hij vervolgt: ‘Helaas gaat het net als bij mensen onderling: een oppervlakkig, lawaaiig iemand die veel lacht en snoeft, heeft een uitgebreide kennissenkring. Hij is populair en krijgt alles van iedereen gedaan. Grijnzend en snuivend komt hij de gemeentesecretarie binnenstappen, alle aanwezigen hartelijk begroetend, ook de antisemieten. Zo iemand krijgt van de dienstdoende ambtenaar onmiddellijk een woning toegewezen en een verlegen persoon laten ze rustig in de rij staan.’

Maarten ’t Hart noemde het in Vrij Nederland ‘een drollig boek dat niet gedrukt had mogen worden’. Daar leek enige woede uit te spreken.

Ik kon niet boos worden over het boek. Ik moest er alleen maar om lachen, zoals je dat meestal doet om opvattingen die je te belachelijk vindt om serieus te nemen. Ik moest denken aan Kees van Kooten, die in Het dierbaarste van Kees van Kooten ooit schreef: ‘Het verschil tussen een hond en een poes is dat je een hond zoveel van je kunt laten houden als je zelf wilt. Mensen die niet van honden houden, durven niet helemaal van zich te laten houden.’

Toen een dag later mijn boxer eindelijk weer tegen me aan lag (Dorrestijn: ‘Als u zichzelf erg lelijk vindt, neem dan een boxer’) en ik haar vacht aaide (Dorrestijn over boxers: ‘Je kan nog beter een egel aaien’), liet ik haar aan het boek ruiken. Misschien wilde ze het uit wraak verscheuren. Ze rook er even aan, kwispelde, en sliep toen verder. 

In zijn laatste boek De honden in het museum schrijft Arthur Japin boek over honden die een voorname plek in het huis krijgen.
Anderen vinden dat soms gek, een hond op bed of in een stoel. “Het is maar een hond,” zeggen ze dan, “je moet hem niet als mens gaan zien.” Maar dat is een vergissing.’ Hij voegt eraan toe: ‘Geen hond zal ooit denken: het is maar een mens. En dat is nu precies het verschil.’

In de Europese Unie leven 75 miljoen honden (en 85 miljoen katten). Ik kwam de cijfers tegen in alle artikelen over de allereerste Europese dierenwelzijnswet, die met een grote meerderheid is aangenomen door het Europees Parlement. Die wet schiet op eigenlijk alle fronten tekort, maar er staan zonder meer belangrijke verbeteringen in.

Overigens ging het in veel verhalen over die Europese dierenwelzijnswet ook over andere cijfers: hoeveel geld er jaarlijks omgaat in de ‘lucratieve business’ (ik citeer Elsevier Weekblad) van honden en katten. Voor voeding (24 miljard), ‘accessoires’ (6 tot 9 miljard) en veterinaire zorg (10 miljard). De suggestie is helder: dure hobby, hoor!

Volgens een recente Hongaarse studie vinden hondeneigenaren de relatie met hun hond even belangrijk of zelfs belangrijker dan hun relatie met mensen

Je zou natuurlijk ook een overzicht kunnen maken van het aantal mensen in de EU en al het geld dat zij ieder jaar samen uitgeven aan zorg, voeding en accessoires, waarbij die laatste categorie waarschijnlijk helemaal een verbijsterend getal zal opleveren. Maar dat zal nooit iemand doen, omdat niemand de vanzelfsprekendheid ervan betwist.

Volgens een recente studie van de Eötvös Loránd University in Hongarije vinden hondeneigenaren de relatie met hun hond even belangrijk of zelfs belangrijker dan hun relatie met mensen. Ziedaar de vanzelfsprekende basis voor die miljardencijfers.

De onderzoekers vroegen 717 hondeneigenaren naar de verschillen en overeenkomsten tussen de relatie met hun hond, en die met hun kinderen, partner en naaste familieleden. Ze bleken honden hoger te beoordelen als gezelschap. Er waren ook ‘minder negatieve interacties’ met hun hond dan met hun eigen partner, kind of familie. Het werd in nieuwsberichten gebracht als iets opvallends, maar ik heb nog nooit ruzie gehad met mijn hond. Ook op de gebieden ‘genegenheid’, ‘steun’ en ‘betrouwbaarheid’ scoorden de hond hoger dan partner, kind en broer of zus.

Een van de weinige gebieden waar de hond het aflegde tegen de partner, was ‘intimiteit’. Alex en ik hebben heel even overwogen om ons boek daarom Een hond voor de liefde, een partner voor de seks te noemen. 

Er zijn vele pogingen geweest om af te dingen op die steun, betrouwbaarheid en trouw van honden. Of althans, de onbaatzuchtige motieven daarachter.  

En misschien is veel van wat wij roemen aan honden en de vele rollen die ze vervullen in vele levens, in ieder geval die van ons, inderdaad niet terug te voeren op welbegrepen eigenbelang.

Maar dan nog. Dan is de hond nog steeds onze vriend. 

Wat telt? De intenties, of het uiteindelijke gedrag?

Als je als mens voor een rechter dient te verschijnen, wordt je gedrag langs de maatstaf van de wet gelegd. Niet je intenties. Die kunnen hoogstens de straf verlichten of verzwaren.

De honden die we zijn, door Alex Boogers en Leon Verdonschot, Hollands Diep: €22,99.

Harry Mulisch wist precies wat de verklaring is voor het gedrag van honden, zoals Mulisch wel meer precies wist. Daarom krijgt Mulisch met zijn uitspraken in 2006 in HP/De Tijd hier wat hij het liefst had, en wat hem hier toekomt: het laatste woord. 

‘Het voordeel van dieren is dat zij nooit uit het paradijs zijn gestuurd. Onder dieren heb je dan ook uitsluitend heiligen. Teckels zijn daarenboven ontzettend intelligent. Intelligenter dan de meeste mensen. Ik weet niet hoeveel teckels ik heb gehad. Ongeveer evenveel als vrouwen. Dus een stuk of driehonderd.’