Nieuwe Revu ontmoet Marianne Timmer
Waar? De Veranda, een brasserie aan het Amsterdamse bos. Hoelang? Van 11.00 tot 12.15 uur. Nog iets genuttigd? Timmer een cappuccino en een water, Revu twee cappuccino.
Kun je zeggen dat er bij jou een leven is voor en na 19 februari 1998, de dag dat je olympisch goud won op de 1500 meter in Nagano?
‘Zeker. Mijn leven is daarna natuurlijk enorm veranderd. Als ik hier ga hardlopen door het Amsterdamse Bos, dan word ik af en toe nog nageroepen met het commentaar van Frank Snoeks: “Timmertje, Timmertje, wat ga je doen?” Die woorden zijn veel mensen bijgebleven. Wat ook meespeelde, is dat we toen tien jaar lang nauwelijks iets hadden gewonnen op de Winterspelen – het vorige succes was van Yvonne van Gennip op de Spelen in Calgary, in 1988. Ineens waren we heel succesvol met Nederland.’
Je zat destijds in een flow, zei je eens. Hoe was dat?
‘In Nagano vielen alle puzzelstukjes samen. Alles ging vanzelf. Ik was een keer op een congres waar een psycholoog zei: “De perfecte race bestaat niet.” Dus ik stond op en zei: “Jawel hoor, ik heb dat meegemaakt, en wel een paar keer in mijn leven.” Elke klap, elke bocht was raak in Nagano. Op dat moment zat ik in een soort tunnel. Ik vergelijk het weleens met een ritje op de fiets. Soms zit je op de fiets en ben je zo in gedachten, en dan word je je ineens weer bewust van de plek waar je rijdt. Dan ben je een heel stuk kwijt van waar je fietste. Zoiets is het.’
Je was toen pas 23. Wat veranderde er?
‘Toen mijn ouders, die erbij waren in Nagano, en ik thuiskwamen, hadden we ineens heel veel vrienden. Heel Sappemeer, een dorp waar normaal gesproken nooit iets gebeurd, was uitgelopen, wat erg raar voelde. Ineens kwamen wildvreemde mensen langs om te kijken waar je woont. Ik weet nog dat mijn moeder zei: “Als mensen van ver komen, dan moeten we ze misschien een bakje koffie aanbieden.” Superlief, maar ze kon nooit weten hoeveel mensen er kwamen.
We hebben toen allemaal koffiezetapparaten geleend uit de buurt. De mensen kwamen er via de achterdeur in en gingen via de voordeur weer naar buiten. Je wordt echt geleefd op zo’n moment. Ik herinner me nog hoe fijn ik het vond om even met onze hond door het Slochterbos te wandelen. Voor hem was er niets veranderd. Voor hem was ik nog steeds dezelfde, terwijl ik voor de buitenwereld ineens een sportheld was.’
En, is het leuk om een sportheld te zijn?
‘Dat is natuurlijk iets positiefs, maar het heeft wel impact. Het heeft voor- en nadelen. Je komt ergens makkelijker binnen, krijgt leuke uitnodigingen, maar er zijn ook mensen die commercieel met je mee willen liften. Ik ben een paar keer opgelicht. Dat vond ik wel lastig.’
Is je vertrouwen in mensen beschadigd?
‘Ik was vrij naïef, ja, goedgelovig. Ik ben thuis opgegroeid met de gedachte: jij bent goed voor mij, ik ben goed voor jou. Maar er komt zoveel op je pad. Ik zou mijn carrière zo weer overdoen, maar dan het liefst wel met de wetenschap van nu.’
Het moment dat je stopte, was vrij abrupt.
‘Ik ben gestopt op mijn 36ste. Dat is oud. Ik ben nog een jaar doorgegaan na mijn enkelbreuk. Ik moest en zou afscheid nemen op de Olympische Spelen van Vancouver in 2010, maar het jaar daarvoor werd ik op vrijdag 13 november geschept door een Chinees tijdens de World Cup in Heerenveen. Toen was het over.’
Heb je daar lang last van gehad?
‘Zeker. Hoe ouder je wordt, hoe extremer je moet leven. Als schaatser heb je gewoon een eenzaam nonnenbestaan. Ik moest en zou naar die Spelen. Dat zat heel diep. Ik heb het ook echt wel geprobeerd. Ik kwam een seconde tekort op de 500 meter en anderhalve seconde op de 1000. Niet slecht voor iemand met een gebroken been, toch?’
Miste je begeleiding na je carrière?
‘Die transitie is best moeilijk. Als je vanuit de topsport komt en je stopt ermee, dan is de vraag: wie ben ik? Wat blijft er over van mij? En wat kun je? Dat laatste weet je niet, want je hebt je leven volledig opgeofferd aan het schaatsen. Natuurlijk heb je op bepaalde vlakken een voorsprong op anderen, zoals praten met de media, met tegenslagen omgaan, discipline tonen en gestructureerd werken, maar je hebt ook een achterstand op het sociale aspect. In het bedrijfsleven begin je weer gewoon vanaf nul.’
Hoe merkte je dat je sociaal een achterstand had?
‘Ik ben zelf wel een sociaal mensenmens. Maar als je bij een bedrijf terechtkomt, dan weet je totaal niet hoe het eraan toegaat op de werkvloer. Ik redde mij wel, maar ik vond het ook wel een lastige tijd. Ik zei destijds op alles ‘ja’ om erachter te komen of iets bij me paste of niet. Ik zat in allerlei commissies, waar ik geen idee had waar ze het over hadden. Google was mijn beste vriend toen.’
En, wat was de uitkomst? Wat past bij je?
‘Ik ben toch wel een coach. Dat vind ik ook heel leuk om te doen. Ik geef momenteel veel lezingen in het bedrijfsleven, waarvoor ik in gesprek ga met bedrijven die vastlopen op bepaalde vlakken. Vanuit de sport haal ik dan veel metaforen om te laten zien hoe je dat kunt veranderen. Daarnaast vind ik het ook leuk om te ondernemen.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F11%2Fv8K6T8xu5iCgvc1762343771.jpg)
Ik ben bezig met de ontwikkeling van een drankje op natuurlijke basis en ben ook bezig met een sieradenlijn. Omdat ik zie dat veel mensen tegenwoordig een burn-out of stress hebben, hebben we iets ontworpen waar mijn hart sneller van ging kloppen. Als een soort reminder van: doe hetgeen waar je blij van wordt met goede mensen om je heen.’
In een podcast zei je onlangs dat je nu heel bewust positieve mensen om je heen verzamelt. Waarom?
‘Je hebt bruistabletjes en zuigtabletjes. Er zijn ook mensen die chaos in je leven brengen. Je zult zien: als je mensen om je heen hebt waar je blij van wordt en waar je grapjes mee kunt maken, dan word je daar veel blijer van. Dan maak je andere stofjes aan, sta je positiever in het leven.’
Hoe ben je tot dat inzicht gekomen? ‘Levenservaring.’
Er was geen eyeopener? ‘Er zijn natuurlijk momenten in je leven dat je ook in een dip gaat komen. Dat zijn van die momenten waarop je een reset gaat maken. Ook qua mensen met wie je omgaat.’
Was je verhuizing naar Amsterdam zo’n moment?
‘Dat heeft ook met mijn scheiding te maken (Timmer was van 2012 tot en met 2019 getrouwd met oud-doelman Henk Timmer, red.). Ik ben helemaal opnieuw begonnen hier. In het begin vond ik het wel heftig, want ik ben geen stadsmeisje, al woon ik wel vlakbij het groen in Amsterdam. Een scheiding is gewoon heel traumatisch. Het is ontwrichtend. Niet alleen qua familie en vrienden, maar ook voor jezelf als persoon.
‘Ik ben helemaal opnieuw begonnen hier. Een scheiding is gewoon heel traumatisch en ontwrichtend'
De eerste twee, drie jaar zat ik met de vraag: wat moet ik nu gaan doen? Henk en ik hadden wat vastgoed, waarvoor ik ook wat cursussen had gedaan, maar daar heb ik afstand van gedaan. Ik moest weer nieuwe dingen gaan doen. Ik vond dat heel naar. Ik had te maken met een nieuwe leefomgeving, nieuwe mensen, en was ook nog bezig met onthechten en ontvlechten.’
Hoe heb je dat gedaan?
‘Ik heb op alles ‘ja’ gezegd bij wat er op mijn pad kwam. In mijn appartementencomplex wonen ook twee wielrenners, dus daar fiets ik regelmatig mee. Ik vind Amsterdam echt geweldig. Ik ben blij om hier te wonen. En als ik vanuit de stad naar Ouderkerk fiets, dan zit ik al snel in de natuur.’
Was bewegen het perfecte medicijn in je dipjaren?
‘Zeker. Ik had toen een hond, Chico, die helaas is overleden, aan wie ik veel heb gehad. Hij moest eruit, ik ook. Ik nam hem ook overal mee naartoe, zoals naar interviews en presentaties. Chico was een Hollandse herder. Hoog intelligent, ook qua emoties. Ineens zat hij met mij in een appartement in Amsterdam. Ik denk dat hij het daar op de Veluwe misschien wel leuker vond, al is hij hier wel veel meer dingen gaan zien.’
Je huidige vriend woont ook op de Veluwe, toch?
‘Hij woont op de Veluwe, ja. Dat is een supermooie omgeving. Ik heb er zelf ook gewoond. Maar ik zit voorlopig op mijn plek in Amsterdam.’
Vind je dat moeilijk?
‘Ik heb hier een nieuw leven opgebouwd. Daar ben ik zuinig op. Ik ben wel heel blij met wat ik nu heb. Dat onderhoud ik. Ik word blij van mensen, heb veel ‘bruisjes’ om mij heen. Dat maakt het leven een stuk leuker. Ik ben het leven aan het inhalen nu.’
Miste je tijdens je carrière soms de prikkel om jezelf buiten het schaatsen te ontwikkelen? ‘Nee, want je hebt je doel en dat doel is presteren en beter worden. De rest is dan alleen maar ruis. Dus verjaardagen en uitstapjes? Dat gaan we gewoon niet doen, want dat past niet in het schema. Alles moest wijken voor het schaatsen.’
Is dat schaatsen niet een heel klein wereldje?
‘Zeker. Als teams gaan trainen, dan kom je elkaar telkens weer tegen op de ijsbaan. Het is een soort rondreizend circus. Van Salt Lake City ga je naar Calgary, et cetera.’
Er zijn ook veel setjes in het schaatsen.
‘Je komt elkaar dagelijks tegen. Ze trainen met elkaar, snappen elkaar en als het dan ook nog klikt op het persoonlijke vlak, hoe mooi is dat dan? Daar krijg je superschaatsers van.’
Hoe kijk je aan tegen de huidige generatie schaatsers?
‘Ik vind het een heel mooie generatie. We hebben echt authentieke sporters tegenwoordig die een verhaal hebben, wat mooie beelden en mooie interviews oplevert. We hebben de afgelopen periode vaak schaatsers gehad die leuk waren om naar te kijken, maar zij hadden niet dat stukje extra’s. Dat hebben we nu wel.”
Aan wie denk je dan?
‘Joep Wennemars is natuurlijk prachtig om naar te kijken. Maar we hebben ook Jenning de Boo, Tom Prins, Chris Huizinga, Femke Kok, Jutta Leerdam en Joy Beune. Prachtige schaatsers. En dan vergeet ik er nog een hoop.’
Bestaat er zoiets als een handleiding naar goud, een recept voor olympisch succes?
‘Het is belangrijk om in een team te zitten waar je gezien wordt en waar je ook in past. Dat is niet overal. Als je bij een coach komt, dan moet het matchen. Er moet ook een bepaalde dynamiek zijn. Dat hij jou aanvoelt en andersom. Daarnaast is het hard werken en een beetje geluk hebben.’
Voordat jij olympisch kampioen werd, ben je ook twee jaar overtraind geweest. Hoe leerde jij om te gaan met de grenzen van je lichaam?
‘Ik was constant oververmoeid, had voortdurend wat. Eerst een keelontsteking, daarna een voorhoofdholte-ontsteking en toen heb ik nog een keer mijn amandelen laten knippen, omdat ik dacht dat het daar aan zou liggen. Ik had wel een goede techniek, maar ik was niet de allersterkste en kon niet goed mee met die zware trainingsbelastingen.
‘Op de Olympische Spelen gelden toch vaak andere regels. De favorieten winnen meestal niet. Die bezwijken onder de druk’
In het begin denk je: ik ben geen topsporter, mijn lichaam is hier niet voor gemaakt. Dan ga je aan jezelf twijfelen. Dat heb ik ook gehad. Ik heb toen – achteraf gezien – geleerd waar mijn grenzen lagen. Want ja, waar liggen je grenzen? Dat weet je niet. Je moet eerst grenzen over om dat te weten.’
Was het jouw kwaliteit niet om goed te kunnen luisteren naar je lichaam?
‘Ik denk dat een goede zelfreflectie essentieel is bij de vraag of je de top gaat halen of niet.’
Komen er weleens schaatsers naar je toe voor advies of tips? ‘Ja, maar dat ga ik niet doen, want zij hebben hun eigen team en begeleiding. Ik vind ook dat ze het daar moeten zoeken. Als ze begeleiding willen, dan zou ik dat wel willen doen, maar altijd in samenspraak met de coach, want ik wil niet achter iemands rug mensen coachen. Dat is heel naar. Er zijn al zoveel mensen die extern bezig zijn. Dat is niet oké.’
Jutta Leerdam koos voor haar eigen weg en besloot om een team om haar heen te bouwen. ‘Dat is echt gedoe. Je hebt gewoon veel stress. Dan gaat het erom: heb je hele goede mensen om je heen die jou ‘ontstressen’ of moet je zelf nog veel sturen? Rintje Ritsma heeft het destijds ook gedaan. Jutta is iemand die niet de makkelijkste weg kiest, maar ik vind het wel superstoer. Er zijn best wel wat uitdagingen voor haar, inclusief een verloofde die ver weg woont.’
Hoeveel medailles gaan we halen in Milaan?
‘Oei, dat is nu nog lastig te zeggen. De dichtheid aan de top is enorm. Er gaan veel mensen blij worden, maar ook heel veel mensen verdrietig. Laten we eerst eens wat wedstrijden gaan kijken. Op de Olympische Spelen gelden toch vaak ook andere regels. De favorieten winnen meestal niet. Die bezwijken onder de druk. Ik had altijd wel iets extra’s op de momenten dat het moest, ging niet bevriezen. Als ik niet goed kon slapen, dacht ik: dat heeft de rest ook. Die druk had ik ook wel nodig om te presteren.’
Ga je zelf nog naar Italië?
‘Ja, ik ga interviews maken en verslag doen voor Sportnieuws. Ik wil het mooie achter de schaatser, de coach en de chef de mission naar boven halen. Wat hun drijft, hun valkuilen, hun DNA. Dat vind ik leuk. De mens achter de sporter interesseert mij wel. Maar ik voel me geen journalist, hoor, meer een liefhebber van het schaatsen.’
Zien we je ooit nog terug in het schaatsen, bijvoorbeeld als coach?
‘Dan moeten de voorwaarden wel heel goed zijn. Ik ben na mijn actieve carrière coach geweest en had toentertijd moeite om de budgetten rond te krijgen. Ik was én bezig om sponsoren aan te trekken én bezig met de schaatsploeg. Dat ga ik niet meer doen. De budgetten moeten van tevoren duidelijk zijn. Anders heb je daar zoveel stress van. Daar word je heel snel oud en lelijk van.’
- ANP