Nieuwe Revu ontmoet Henk Schiffmacher
Waar? In café Hesp, het clubhuis van Henk, op struikelafstand van het (huur)huis waar hij woont met zijn liefhebbende (vierde) vrouw Louise. Nog iets genuttigd? Koffie, latte en een Affligem (voor Henk). Normaal is zo’n rondje uiteraard voor Nieuwe Revu, maar Henk wilde daar niets van weten. Verder nog iets? Henk is dé tattookoning van Nederland. Hij zette er tienduizenden, bij pop- en voetbalsterren, BN’ers, zeelui, internationale sterren en ‘gewone’ mensen. Zelf heeft hij er zo’n honderdvijftig, die hem stuk voor stuk even lief zijn. Onlangs bracht hij, samen met Eva Posthuma de Boer, een kinderboek uit: Pier Piet kakt zijn poffer & andere avonturen, over een jongetje dat op het eerste gezicht heel gewoon is en heel gewone dingen meemaakt, maar de gewone dingen net even anders ziet.
Boven jou hangt een bordje waarop staat: ‘Dit is de stamtafel van Henk en Louise Schiffmacher. Henk zit hier meestal van drie tot vijf uur. U kunt hier zitten, maar we waarderen het enorm als u opspringt en verplaatst als Henk verschijnt.’ Zit je hier echt elke dag?
‘Ja, want in de namiddag gaat mijn vrouw lekker los in de keuken. Zij is een enorm goede kok, iemand die met veel plezier kookt en altijd buiten de gebaande paden treedt bij wat ze maakt. Ze kookt niet zomaar een gerechtje met rijst, nee, dat is altijd iets waar je zelf nooit op was gekomen. Alles moet perfect zijn, dus ze mag niet worden gestoord als ze kookt. Daar moet je zo min mogelijk van zeggen, dat moet je je laten aanleunen. Ik laat haar lekker begaan en zit elke middag hier, aan mijn tafel.’
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F11%2FAyOoGfsmjYNGYC1763540230.jpg)
Wat doe je tijdens de vele uren die je hier doorbrengt?
‘Ouwehoeren. Als er niets te doen is, dan ga ik naar huis. Maar er is altijd wel wat aanloop, vanuit verschillende hoeken. Daar zit een advocaat bij, een oud-hoogleraar, een criminoloog, iemand van het Waterlooplein. Allemaal types met hun eigen verhalen, een mooie mengelmoes van wat hier woont, voor zover er nog buurtbewoners zijn. Veel mensen wonen hier drie, vier jaar en verdwijnen dan weer, omdat ze een kind krijgen en het huis te klein is. Hotel Amsterdam, zo wordt dat fenomeen genoemd.’
Vind je het jammer, dat vluchtige?
‘Ach, het hoort bij de stad, denk ik. Ik hou van het sociale leven in het café, de gesprekken die je voert, de mensen die je ontmoet. Ergens komt dat ook voort uit een soort asociale neiging, want ik wil dat allemaal niet mee naar huis nemen. Als er mensen bij ons thuis zijn, dan moet ik daar verplicht mee aan tafel blijven zitten. Dan kan ik niet zeggen: welterusten, jongens. Als ik in een café zit, dan kan ik weglopen als ik er geen zin meer in heb. Je zit hier ook zo mooi, met tot aan de Amstel nog veel ruimte voor je, waardoor je lang en tot laat licht hebt. Ik vind het winterlicht zo mooi. Daar zit ik van te genieten, Moeder Natuur in het café.’
Wat drink je daarbij?
‘Eerst een koffie, maar dat hou ik niet de hele middag vol. Ik hou van een Belgisch biertje. Affligem, dat is stevig, maar niet zo stevig als Duvel. Drie of vier Duvels trek ik niet, maar drie of vier Affligems gaan prima.’
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F11%2FZYA5JGHzuWXQKb1763540258.jpg)
Een goede bodem voor het godenmaal dat Louise serveert.
‘Ja, de kost, zoals ze dat bij de marine noemen.’
Je vader was slager, maar heeft ook bij de marine gezeten. Wat voor man was hij?
‘Een wantrouwig mens. Hij vertelde nooit veel, zeker niet over de Tweede Wereldoorlog. Zijn idee was: een geheim ben je kwijt als je het met iemand deelt. Na de oorlog dacht hij: we moeten doorpakken, we moeten Nederlands-Indië bevrijden. Hij heeft zich aangemeld bij de marine en is in Amerika opgeleid tot marinier. Hij heeft geluk gehad, hoor. Ik heb het eens nagetrokken en als de atoombom niet was gevallen, dan was hij ingezet op een van die eilanden. Hij was een van de mannen die hun leven te danken hadden aan het feit dat die twee bommen zijn neergeflikkerd. Uiteindelijk is hij in Indonesië beland, waar hij al snel geveld werd door malaria. Daarna is hij slager geworden.’
Dat is nogal een omslag, van de marine naar een slagerij.
‘Nou, het slagersvak zit al langer in de familie. Begin 19de eeuw had je een Schiffmacher die tamboer was in het leger van Napoleon. Door een oorlogsverwonding werd hij ontslagen, maar hij kreeg een erebaantje als douanebeambte bij de Zuiderzee, om de smokkel met Engeland te voorkomen. Daar liep hij de dochter van een slager tegen het lijf en sindsdien zijn we slager geweest. Het is natuurlijk erg jammer dat die winkels allemaal zijn gesloten. In Engeland zie je nog veel familiebedrijven, maar in Nederland verdwijnt dat allemaal. We koesteren het niet, de waarde die het heeft als iets van vader op zoon overgaat, dat je daar je eigen verhaal in hebt en je persoonlijke ambitie opzij moet zetten.’
Dat heb jijzelf ook niet gedaan, toch?
‘Nee joh, dat wilde ik helemaal niet. Ik kom uit een groot gezin, met acht kinderen. Vaak kruipt de oudste er een beetje tussenuit, dat is het kind dat anders wil doen. Na mij kwamen er nog zeven, van wie er nog vijf over zijn. Van hen is er wel een aantal slager geworden. Ik dacht: zoek het lekker uit, ik wil kunstenaar worden. “Joh, dan kom je in het café terecht,” waarschuwde mijn vader als ik dat zei.’
Kijk om je heen, die voorspelling is aardig uitgekomen.
‘Ik snapte ook wel waar zijn opmerking vandaan kwam. Als je vroeger een kunstopleiding wilde doen, dan moest je daar behoorlijk middelbaar onderwijs voor hebben, minimaal mulo. Met mijn dyslexie, wat toen officieel nog niet bestond, en acht jaar lagere school, had ik geen schijn van kans. Ik kwam terecht op een christelijke ambachtsschool, waar ik me moest troosten met het schilderen van lettertjes. Dat vond ik leuk, maar verder was het een hel. We zaten in een troosteloos nieuwbouwpand waar met keiharde hand werd geregeerd. Ik kreeg echt nog wel klappen van de leraren, dat was een heel andere tijd. Thuis kreeg ik ook regelmatig een pak slaag, hoor.’
Was dat moeilijk voor je?
‘Als je acht kinderen in het gareel wilt krijgen en een winkel runt, dan moet je bepaalde grenzen stellen. Mijn ouders hebben allebei ongelofelijk hard gewerkt. M’n moeder werkte ook mee in de zaak, dus ze was altijd bezig. Mijn vader was een schrale, strenge man. Zuinig voor zichzelf, zuinig naar zijn omgeving, zuinig met zijn liefde. Overal had hij regels voor: hoelang je met een paar schoenen moest doen, wat er wel en niet mocht. Daar heb ik niks slechts aan overgehouden, in de zin van trauma’s of iets wat daarop lijkt.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F11%2Fh26uSG8WdtALBL1763540283.jpg)
Ergens begreep ik het ook wel, dat hij zo was. Ik leerde ook wel omgaan met de situatie. In mijn leven heb ik heel vaak de clown gespeeld, degene die komt met de oplossingen, altijd vrolijk en positief. Dat heb ik overgehouden aan mijn jeugd, denk ik. Als oudste deed ik altijd mijn best om de sfeer zo goed mogelijk te houden, zodat we niet met z’n allen op onze sodemieter zouden krijgen.’
Dat pleasen, heb je dat nog steeds in je? ‘Ja, dat denk ik wel.’
Zou je daarom te boek staan als zo’n aimabele, vriendelijke man? Er is nauwelijks een lelijk woord over je te vinden, terwijl er in de loop der tijd toch behoorlijk wat over je is geschreven.
‘Dat zou kunnen. In de commentaren op internet zeggen mensen ook zelden iets naars over me. Als dat wel gebeurt, dan komt dat vaak voort uit jaloezie.’ Grappend: ‘Natuurlijk ben ik in het echt wel een lul. Alleen niet zo’n grote.’
Laat de lezertjes van Pier Piet kakt zijn poffer & andere avonturen het maar niet horen. Waarom moest er op je 73ste ineens ook nog een kinderboek komen?
‘Dat moest niet, hoor. Het is meer toevallig ontstaan. Terwijl Eva Posthuma de Boer bezig was met het schrijven van een kinderboek, zag haar man Frank Lammers de serie Schiffmacher’s Legacy op tv. Hij dacht meteen: that’s it, Henk moet de illustraties voor Eva’s boek maken. Althans, dat schijnt het verhaal te zijn.
‘Tatoeages zijn zo groot geworden dat we de stad samen met badeentjes en Nutella vergiftigen. Dat vind ik jammer, maar dat draait zich wel weer om’
Eva belde mij en ik vond het meteen een ontzettend leuk idee, al had ik in het begin wel moeite met het bedenken van zo’n jongetje van een jaar of zes à zeven. Dat lukte niet meteen, dus ik heb me eerst gericht op het tekenen van de omgeving van het kind. Dat vond ik heel erg leuk, allerlei onzin tekenen: mensen in de regen, bosjes bloemen, poep op de stoep, de buurman op de bank. Pas op het laatst heb ik het jongetje zelf gevonden.’
Lijkt dat jongetje op jou?
‘Niet direct, maar eigenlijk ook wel. Wij leefden vroeger in een overalletje met klompen aan. Een soort Kameleon-kinderen waren we. Altijd buiten, met een snotneus, fikkie stoken. Ik ben geboren in een goede tijd, net na de wederopbouw. De eerste kleurentelevisie, The Beatles, The Rolling Stones. Die hele golf kreeg je als kind over je heen. Er was altijd wel wat, er gebeurde veel. Ook politiek gezien, met Vietnam-demonstraties, anti-atoomacties, al die bewegingen.
Ik maakte alles mee, kon overal naartoe. In die tijd fotografeerde ik voor Nieuwe Revu. Dat was fantastisch. Ik zeg weleens tegen mijn dochter Texas, die ook fotografeert, dat ik destijds beter betaald kreeg dan zij nu. Voor zes pagina’s en een cover kreeg ik omgerekend 3000 euro. Dat is nu ondenkbaar. Ik vind het wel heel leuk dat mijn dochter iets is gaan doen uit mijn verleden. Ze doet veel voor Vrij Nederland en een beetje pop.’
Hoe kwam je van fotograferen bij tatoeëren?
‘Een opleiding in fotograferen had ik niet, dus ik moest een systeem bedenken waardoor ik steeds met nieuwe foto’s kon komen. Ik bedacht een aantal thema’s die ik ging fotograferen: slapende mensen, mensen met een muziekinstrument, mensen met tatoeages. Mijn camera had ik altijd bij me, dus op een gegeven moment had ik een heleboel mensen met tatoeages. Dat leverde me een productie op in Avenue, een hoogtepunt in die tijd. Zo heb ik mijn passie voor het tatoeëren ontdekt. Ik zie tattoos als een vorm van non-verbale communicatie: net als je haren of je kleren zegt het iets over jou als persoon.’
Jouw shop werd in de jaren tachtig een soort mekka van de tatoeagewereld. Waar had je die legendarische status aan te danken? ‘Amsterdam was in die jaren een magneet. De stad had een rauw randje, dat trok muzikanten en rocksterren aan. Ik heb ontzettend veel gehad aan het feit dat ik de leden van de Red Hot Chili Peppers heb getatoeëerd. Zij zaten vaak halfnaakt in hun clips en staken niet onder stoelen of banken dat ze tattoos hadden.
Ze verstopten ze niet, maar pronkten ermee. Dat was nieuw. Ik heb ook nog een keer een hoes voor ze gemaakt, voor het album Blood Sugar Sex Magik. Daar heb ik veel voordeel van gehad, maar ik had ook gewoon de tijd en de stad mee. Jonge tatoeëerders van over de hele wereld kwamen in mijn shop langs, als onderdeel van een soort pelgrimage.’
Ben je trots op wat je hebt neergezet?
‘Ja, maar we hebben iets gecreëerd wat zichzelf ook in de staart heeft gebeten. Tatoeages zijn zo groot geworden dat we de stad samen met badeentjes en Nutella vergiftigen. Dat vind ik jammer, maar dat draait zich wel weer om. Het echte vak blijft wel bestaan.’
Hoe zou je jouw tattoostijl omschrijven?
‘Allround, maar met een voorliefde voor de primitieve kant van het vak. De Polynesische invloeden, Borneo, oude stammen. De vraag waar iets vandaan komt, is bij mij heel erg aanwezig. Ik schep er geen genoegen in om stripfiguurtjes op iemand z’n arm te zetten. Je ziet tegenwoordig vaak van die rare fröbels of vreemde stukjes tekst op mensen.
Een juffrouw die op haar hand ‘breathe’ heeft laten tatoeëren, op zo’n manier dat ze het zelf kan lezen. Dat is natuurlijk heel vreemd, maar het is ook iets wat iedereen kan, dus dat is snel verdiend. De echt grote jongens, daar zitten nog steeds een aantal toppers bij die de hele wereld over reisen. Zelf tatoeëer ik niet zoveel meer. Mijn ogen worden slechter en mijn vingers stijver. Maar heel af en toe kan ik het toch niet laten.’
Ondertussen ben je ook druk met het uitlenen van je verzameling. Er is werk van je te zien op de expositie Tattoo in het Forum Groningen en op Microkosmos in het Drents Museum. Streelt dat je ego?
‘Er is nogal wat in uitleen, dat is een prettig gevoel. Tijdens de pandemie, toen overal om ons heen mensen dood neervielen, dacht ik: het zal me godverdomme toch niet gebeuren dat ik het loodje leg zonder dat ik heb geregeld wat er met mijn verzameling moet gebeuren. Het grondwater kwam laatst omhoog in ons huis, water in het gebouw. Grote paniek, want mijn huis is één grote opslag.
Overal staan dozen, honderden, met willekeurige onderdelen van mijn verzameling erin: ansichtkaarten uit koloniaal Afrika waarop mensen met littekens of tatoeages staan, tatoeageboekjes die ik ooit voor 50 euro kocht en nu 10.000 euro waard zijn. Mijn vrouw is ook een verzamelaar, dus die sleept ook van alles mee. We wonen eigenlijk in een museum zonder verzekering. Ik heb eens laten uitrekenen wat het zou kosten als we dat wel zouden doen, maar die premies zijn niet te betalen. Daarom ben ik blij dat die musea interesse hebben. Dan is het in elk geval ergens geweest en wordt het gezien.’
Weet je precies wat zich in welke doos bevindt?
‘God nee, was dat maar zo. Mijn vader was ook een verzamelaar, maar hij deed dat netjes, met mappen waarop hij in zijn boekhoudershandschrift schreef wat erin zat. Ik ben meer van de jacht dan van de orde. Ik verzamel eerst, gooi alles in een doos en denk: ik zie het wel. Soms dwingt mijn vrouw me om ergens doorheen te gaan. Dan gooi ik weleens wat weg of verkoop ik iets, maar het meeste houd ik.
Als ik morgen dood neerval, heeft mijn vrouw een probleem. Ik heb altijd goed verdiend, zeker aan de conventies die ik tot in de jaren negentig organiseerde. Maar ik vond het banaal om zoveel geld te verdienen, alsof het mij niet toekwam. Een gedeelte ging naar het goede doel, een gedeelte naar spulletjes die te maken hebben met tatoeëren. Spaargeld heb ik dus niet, alles zit in die dozen.’
Je kunt dus eigenlijk helemaal niet stoppen met werken, ook al zou je het willen?
‘Wat is stoppen? Ik kan niet stilzitten en vind werken gewoon leuk. Als ik de hele dag thuiszit, maak ik mijn vrouw gek. Ik bemoei me met alles. Grote projecten neem ik in principe niet meer aan, maar als er iets moois voorbijkomt, ben ik van de partij. Daar kunnen we weer een half of heel jaar de huur van betalen, haha. Eigenlijk moet ik eens een paar weken thuis gaan zitten om op alle dozen te zetten wat erin zit, waar het vandaan komt en hoeveel het waard is. Een rode sticker voor de duurste spullen, een gele voor de goedkope troep. Dat is iets om snel aan te beginnen, zodat ik Louise straks niet met problemen opzadel.’
Houdt het je bezig, dat ouder worden?
‘Niet echt. Alleen als ik iets raars voel, dan denk ik wel: wat zou dat nou weer zijn? Dan ga ik meteen naar de dokter. Ik wil niet de man zijn die achteraf hoort: “Was u maar eerder gekomen.” Maar goed, je zit ook een beetje te wachten op het moment dat er wel iets aankomt. Dat hoort erbij.’
Je ligt elke nacht aan een apneu-apparaat. In een ander interview zei je: ‘Ik lijk net een straaljagerpiloot.’ Dat klinkt niet heel sexy. ‘Haha, nee. Maar het helpt wel. Ik had dat veel eerder moeten doen. Jarenlang had ik apneu zonder het te weten. Ik stopte veertig keer per nacht met ademen. Dat sloopt je hart, letterlijk. Nu slaap ik eigenlijk altijd met dat ding, dat vind ik niet erg. Het voelt alsof je extra zuurstof krijgt. Zonder dat apparaat is het ook gewoon gevaarlijk.’
‘Tatoeages zijn zo groot geworden dat we de stad samen met badeentjes en Nutella vergiftigen. Dat vind ik jammer, maar dat draait zich wel weer om’
Je hebt een heftig leven geleid: rock-’n-roll, drank, drugs. Mis je dat nog weleens? ‘Nee, joh. Van de week dacht ik: waar was ik twintig jaar geleden? Toen lag ik om negen uur ’s ochtends vaak pas net in bed. Nu om negen uur ’s avonds, dat zegt genoeg. In die tijd gebruikte ik van alles, maar dat houd je niet vol. Ik ben er in één keer mee gestopt, cold turkey. Dat moest ook. Ik belandde in het ziekenhuis, met 30 liter vocht achter mijn longen. Dan weet je dat het klaar is.’
Hoe word jij ’s ochtends wakker?
‘Als een tevreden mens. Er zijn altijd dingen die je anders of beter had kunnen doen, maar ik ben niet zo’n achteruitkijker. Ik doe nog altijd nieuwe dingen en ben elke dag blij en vrolijk als ik opsta. Kopje koffie, croissantje. Ik hou ook niet van mensen die een ochtendhumeur hebben. Waar haal je het lef vandaan om chagrijnig te zijn? Je bent er nog, man! Daar begint het allemaal mee.’
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct- Texas Schiffmacher