Crack is back: verwoestende drug zichtbaarder dan ooit

Als we de krantenkoppen moeten geloven gaat Nederland gebukt onder een nieuwe crisis: crack, ofwel rookbare cocaïne. Maar is dat ook echt zo? Nieuwe Revu ging op onderzoek uit in het hol van de leeuw: Amsterdam-Oost. ‘Drugs? Hier? Je zit helemaal verkeerd, vriend.’

Tafereel in Amsterdam

Nederland heeft er weer een nieuwe crisis bij en die luistert naar de naam: crack.

Een greep uit de recente krantenkoppen: ‘Crackgebruik in Nederland stijgt fors’ (de Volkskrant, 7 oktober). ‘Crack, de verslavende en verwoestende drug, wordt weer populair in Nederland’ (NRC, 19 augustus). ‘Crack is voor het eerst de meest gebruikte harddrug’ (AD, 7 oktober). 

Heel Nederland ondervindt hier last van, maar in Amsterdam loopt de crackcrisis, volgens de media, de spuigaten uit. Specifieker: in het Oosterpark. Daar storen bezoekers en omwonenden zich mateloos aan het openbare drugsgebruik. Het Parool schrijft: ‘Dat niet alleen de bezoekers van het park last hebben van de crackverslaafden, maar ook omwonenden, blijkt uit diverse beelden van een slimme deurbel.

We zijn warm. Op een meter of tien zien we acht mannen rondom een bankje hangen. Sommigen staan half in de struiken

Op die filmpjes, die Het Parool in bezit heeft, zijn poepende en drugsgebruikende mensen in de portieken te zien. Op een van de filmpjes roken een man met een fiets en een vrouw met een rollator zeker vijf minuten lang drugs in een portiek. Op een ander filmpje laat diezelfde vrouw haar broek zakken en haar ontlasting lopen. “Wij moeten het steeds opruimen,” zegt de man die het filmpje heeft opgestuurd.’

De overlast is zo erg dat twee buurtbewoners, ene Jeanette en ene Anne-Marie, zich eind 2024 gedwongen voelen alarm te slaan in hun buurtkrant. Zij schrijven: ‘Dit probleem sleept al jaren voort en wij zien niets veranderen. Velen voelen zich in de steek gelaten door de gemeente, die volgens hen onvoldoende daadkracht toont. Wij zijn de overlast zat en het lijkt alsof niemand verantwoordelijkheid neemt.’

Tijdens de bewonersavonden riep de politie op: ‘Film de drugsgebruikers en maak foto’s, we zijn altijd blij met foto’s.’ Stadsdeelvoorzitter Carolien de Heer sprak er van een ‘hardnekkig probleem dat zich steeds verplaatst’. Die avonden hebben weinig opgeleverd. Net als de nieuwe camera’s die de gemeente op meerdere plekken in het park liet installeren. Het ‘agressief bedelen’, ‘wildplassen en -poepen in het park en achtertuinen’, ‘stelen van fietsen’, ‘gebruiken van toiletten van de omliggende horeca’ en ‘het bezet houden van bankjes in het park’ gaat onverminderd door. 

Crack Alley

Op een miezerige woensdagmiddag in oktober besluiten Fotograaf Joris en ik poolshoogte te nemen. We hebben gelezen over ‘Crack Alley’, de spectaculaire bijnaam van een stukje voetpad van zo’n 30 meter lang, ergens in het midden van het Oosterpark. Het paadje zou in een boogje lopen en omhuld zijn met bomen en struiken. Een uitgelezen plekje om in relatieve anonimiteit crack te roken en heroïne te spuiten, kortom. 

Na tien minuten zoeken passeert een jonge man in een Adidas-trainingspak ons. Ik probeer contact te maken. ‘Goedemiddag, mag ik jou wat vragen? Wij zijn journalisten...’ De man kijkt in een snelle beweging op, loopt net zo snel door, en roept na: ‘No man! Geen commentaar!’ We zijn warm. Op een meter of tien zien we acht mannen rondom een bankje hangen. Sommigen staan half in de struiken. Twee zitten op het bankje en staren voor zich uit. Eentje ijsbeert heen en weer en een ander leunt tegen een fatbike. 

Op het oog lijkt de rust te regeren in het Oosterpark in Amsterdam- Oost.

Ineens bekruipt mij een lichte angst. ‘Hoe gaan wij dit aanpakken?’ vraag ik fotograaf Joris. ‘Die jongens zitten helemaal niet te wachten op vervelende vragen. Wat doen we als ze agressief worden?’ Joris heeft een idee. ‘Laten we zo snel mogelijk kenbaar maken wie we zijn en wat we van ze willen. Dan weten ze in ieder geval dat we niet van de politie zijn.’ 

Een uur eerder stonden we in de Albert Heijn dezelfde discussie te voeren. Of we wellicht blikken bier en krentenbollen moesten meenemen, als ruilmiddel voor informatie. We besloten: een drugsgebruiker omkopen met een krentenbol voelt niet goed. Nu we hier staan blijkt dat de verkeerde beslissing. ‘Hallo, wij zijn journalisten van het tijdschrift Nieuwe Revu,’ zeg ik tegen de potige en lichtgetinte man met op zijn hoofd een Gucci-pet. Deze meneer oogt als de leider van dit onsamenhangende collectief. Ik vervolg: ‘Wij maken een verhaal over drugsgebruik in het Oosterpark en de overlast die dat zou veroorzaken. Zou ik...’ 

Die zin hoef ik niet meer af te maken. ‘Wat zei je?!’ vraagt de man met een grote dosis irritatie in zijn stem. ‘Zei je nou drugs?! Hoorde ik dat goed?’ Ik: ‘Eh, ja.’ De man doet een stapje naar achter. ‘Nee, sorry, je zit verkeerd, vriend. Hier wordt geen drugs gebruikt.’ Hij kijkt mij nog eens van top tot teen aan en vervolgt: ‘Tenziiiijjjjjjjj...’ Ik kijk hem vragend aan. ‘Tenzij wat?’ De man maakt met zijn duim en wijsvinger een geldgebaar. ‘Voor een tientje kan ik je wel een paar gekke verhaaltjes vertellen. Krijg je mooi artikeltje, hoor. Hééééél mooi.’ 

Ik voel in mijn zakken: geen contacten. Fotograaf Joris ook niet. ‘Kan ik pinnen?’ vraag ik de man. Daar moet hij hard om lachen. Intussen gebeurt er van alles om ons heen. Twee mannen verdwijnen in een struik. Een forse man van Marokkaanse komaf schiet langs op een fatbike en schreeuwt: ‘Ik hoor dat Bizon hier net was! WAAR IS BIZON?!’ Een jongen met opgetrokken capuchon rent op dat moment snel weg. Een van de twee mannen komt nu terug uit de struiken. Hij valt bijna omver. Joris en ik besluiten dat we genoeg hebben gezien van Crack Alley. We lopen weg, waarop de Gucci-pet ons naroept: ‘Schrijf maar op dat wij hier geen drugs gebruiken!’

Geen last

Even verderop rust een blonde vrouw uit van haar rondje hardlopen. Ik vraag haar naar de ‘overlast’. De vrouw is een expat van 42 jaar, komt uit Australië en is ‘pas een keer of tien, vijftien’ in het Oosterpark geweest, altijd om te hardlopen. ‘Soms zie ik dan wel mensen waarvan ik denk: die hebben iets gebruikt,’ zegt ze. Ze wijst naar Crack Alley. ‘Altijd daar, bij die bosjes. Daar zijn mensen die – en ik wil nu niet stereotyperen – dakloos lijken. En misschien wel een soort verslaving hebben. Maar last? Hmm, nee. Ik heb mij hier nog nooit ongemakkelijk gevoeld.’ 

Een oudere meneer loopt voorbij. Zijn Nederlands is niet geweldig, maar hij begrijpt mijn vraag. ‘Last? Nee, nee. Dit ies fijne park. Mooie park. Rustig.’ Even verderop, op het grote pad, treffen we een vrouw van middelbare leeftijd en haar kleindochter. ‘Overlast?’ herhaalt zij mij vraag. ‘O, nee hoor. Dit is een heel fijn park. Altijd al geweest. Mijn dochter woont hier tegenover en die heb ik ook nog nooit ergens over gehoord. Ik had geen idee dat hier crack wordt gebruikt.’ Het kleine meisje trekt aan haar mouw. ‘Oma, wat is crack?’ De vrouw verontschuldigt zich. ‘Succes met jullie artikel.’ 

Het is dat we zojuist tussen de gebruikers en dealers stonden, maar anders waren Joris en ik vandaag overtuigd dat wij ons in het gezelligste park van Nederland bevinden. De laatste bezoeker die wij aanspreken is een vrouw van middelbare leeftijd die haar hond uitlaat. Haar beeld van het Oosterpark is anders. ‘Jongen, het is een dagelijkse treurnis waar je doorheen loopt,’ begint ze. ‘Ik woon hier al 45 jaar, om de hoek. Het is echt dramatisch. Kijk eens om je heen. Het ligt hier vol met drugs, poep en naalden.

Ik laat hier nog wel mijn hond uit, maar in het losloopgebied zitten nou net die lui allemaal. Daar bij dat boogje. Daar kom ik dus echt niet meer. Nu laat ik mijn hond poepen op plekken waar het eigenlijk niet mag, en dan krijg je weer de handhaving in je nek. En weet je wat het erge is? Er wordt eindeloos over dit probleem gepraat, maar er verandert helemaal niets. Men doet er een plas over, en het blijft zoals het was.’ 

Ik knik begrijpend. De vrouw is nu op dreef. ‘Sinds die methadonbus hier voor de ingang staat, lijkt het alsof dat een aanzuigende werking heeft. Daar krijgen ze wat te drinken, wat te eten, ze kunnen zich wassen, hun naalden wisselen. Ik weet niet wat ze tegenwoordig precies doen met die naalden, maar ik zie ze hier overal liggen. En die dealers, die groeten mij altijd heel vriendelijk, hè? Ik zeg steeds: “Ik wil niet meer door jullie gegroet worden. Jullie houden dit allemaal in stand. Ik vind het vreselijk dat mensen als jullie zich verrijken ten koste van anderen.” Nou, dan krijg je dus geen zinnig woord terug, hè? Nou, ze weten donders goed wat ze doen.’ 

De vrouw is ook op de bewonersavond geweest, al had ze dat beter niet kunnen doen. ‘Een verzameling boze buurtbewoners die klagen en geweldige ideeën spuien, maar echt iets veranderen doet het niet.’ De vrouw besluit: ‘Eigenlijk was het hier in het Oosterpark altijd al doffe ellende. Vroeger had je die homo-ontmoetingen, toen de alcoholisten, en nu dus de drugsgebruikers.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Jonge mensen aan de crack. Het is zó’n treurig gezicht. Ik hoor dat er nu zo’n zeshonderd hier in en uit lopen. Per dag! En dat merk je ook. Nee, ik kom hier ’s avonds echt niet meer.’

Dwaalgast

Tegenover de hoofdingang van het Oosterpark, op het pleintje voor het OLVG-ziekenhuis, staat een blauw-wit busje geparkeerd. ‘Dwaalgast’, leest het op de zijkant. Onder de luifel staan opklaptafeltjes en campingstoeltjes uitgestald. Een man met een blonde paardenstaart loopt op ons af. ‘Dag heren, kan ik jullie helpen?’

Als ik iets zeg over mijn insteek – de terugkeer van crack in Amsterdam – begint de man van nee te schudden. ‘Crack is nooit weg geweest. Jullie van de media schrijven dat graag op, dat weet ik. Crack is zichtbaarder geworden. Er hangen nu overal camera’s. Er zijn minder donkere hoekjes om te spuiten of te roken. En door een grote groep gebruikers, vooral mensen uit Oost-Europa, lijkt het alsof het ineens terug is. Maar crack is er altijd al geweest.’ 

De man stelt zich dan voor als Patrick en zegt dat dit zijn eerste dag is als vrijwilliger bij de gebruikersbus en ook dat hij ervaringsdeskundige is. ‘Vijf jaar lang zat ik aan de heroïne en crack. Met tussenpauzes, dat wel. Die drugs hebben een enorme impact gehad op mijn leven. Contact met familie kwijt, geen baan kunnen houden. Zo kan ik nog wel een half uur doorgaan. Maar ik ben nu al negen jaar nuchter. Nee, dat is niet altijd makkelijk, maar nu wil ik anderen helpen om diezelfde keuzes te maken.’ 


De mobiele inloopbus van stichting de Regenboog Groep.

Het mobiele inloophuis van Stichting de Regenboog Groep staat hier al een halfjaar, met als doel: die beruchte overlast in het Oosterpark bestrijden. Dat lukt ‘deels’, zegt Patrick. ‘Zoals ik al zei, dit is mijn eerste dag, maar ik zie hier nu al constant vijf man rondhangen. Dat zijn mensen die dus níét in het park zijn. Dat scheelt al een hoop. Maar een honderd procent succes zal het nooit zijn. En dat hoeft ook niet, denk ik. Het gaat er ook om dat de mensen die hier komen zich veilig voelen, schone middelen kunnen gebruiken en schone pijpjes kunnen kopen.’ 

De sfeer rondom het busje noemt hij ‘moeilijk’. Patrick: ‘Het is hier een soort mini-samenleving bij elkaar, en overal waar mensen samenkomen zijn er conflicten. Vanochtend was er gedoe met een fiets. Was die nou van hem of niet van hem, niemand wist het precies. Dat soort dingen gebeuren hier constant. Maar we houden het in banen. In het park kunnen zulke ruzietjes heel anders aflopen.’

We lopen tien minuten door de miezerregen richting de Stadhouderskade en kloppen daar aan bij stichting De Regenboog Groep. Achter de smalle deur beland je in een chaotische wirwar van vrijwilligers, daklozen, drugsverslaafden en een scala aan kleurrijke figuren. Op de tweede verdieping overziet ‘harm reduction specialist’ Cedric Charvet de gebruikersruimte: een kamer van 30 vierkante meter met grote ramen, vier ronde tafels en een tiental houten stoeltjes.

We spreken lang en uitvoerig met een lange man met een dof gezicht en trillende handen. Hij stelt zich voor met zijn echte naam, maar wordt even later gecorrigeerd door locatiemanager Anika Apfel. ‘Misschien beter om toch niet zijn echte naam op te schrijven in jullie stuk. Hij heeft een kind. Het kan natuurlijk onprettig zijn voor zijn zoon als hij ineens een heftig verhaal leest over zijn vader.’ 

Dat snappen we, zijn verhaal is inderdaad heftig. ‘Ik had alles: een huis, een vrouw, een zoon, een eigen bedrijf. Ik had het voor elkaar. En toen heb ik alles verneukt,’ zegt de man, die we voor het gemak maar even Peter noemen. Peter praat Engels, snel en met een Amerikaans accent. Zijn stem schiet heen en weer tussen bravoure en neerslachtigheid. Ik ben geboren in Tsjechoslowakije, maar opgegroeid in New Jersey. Daar heb ik tot mijn 27ste gewoond. En een carrière opgebouwd. Ik had een verhuisbedrijf. We deden ritten van de VS naar Mexico.

Op een dag nam ik een lading mee: 20 kilo cocaïne en twee wapens. Waarom? Ik kreeg een aanbod van een fout figuur: een beetje cocaïne smokkelen voor een hele grote smak geld. Makkelijk geld verdienen. Net als in de film. Ik maakte vijf rondjes voor die gozer en streek daarmee 750.000 dollar op. Totdat ik werd gepakt met al dat geld, de coke en twee wapens. Die had ik gekocht om mijzelf te beschermen. Nou, toen was ik dus alles kwijt. In Amerika ben je na zo’n bust gewoon fucked. Ze nemen je geld, je spullen, zelfs je staatsburgerschap af. Ik moest het land uit. En ik kan niet meer terug.’

Zelf gebruikte Peter al vanaf jonge leeftijd. ‘Vanaf een jaar of veertien, vijftien. Eerst gewone cocaïne, poeder. Geen crack nog. Later ging ik van morfine naar heroïne, van cocaïne naar crack. Ik bleef maar roken. Als ik ging ophalen, had ik 2000 dollar op zak. De volgende ochtend was er nog honderd over, net genoeg om de dag door te komen.’ 

Geen aders meer

Hij pakt zijn telefoon en laat trots foto’s zien van zijn zoon. ‘Hij is achttien nu. Hij is een groot voetbaltalent. Hij doet het goed, man. Echt goed. We praten elke avond. Dat is mijn jongen. Ik heb hem vastgehouden toen hij zes was. Dat is de laatste keer dat ik hem zag. Hoe zou ik hem hier moeten ontvangen? Onder de brug? Nee man. Dat gun ik hem niet. Ik ben nog steeds een gebruiker.’ 

Peter schuift zijn broekspijpen omhoog om zijn benen te laten zien. Die zien er niet uit: vol naaldwonden, littekens en dode huid. ‘Kijk. Geen aders meer. Alles kapot. Dat is van het crack spuiten. Ik gebruik elk half uur, als ik kan.’ 

In Amsterdam is dat niet zo moeilijk, stelt Peter. ‘Ik koop het op straat. Het is makkelijk. Je kunt hier een park inlopen en met 2 kilo coke naar buiten komen.’ Op de vraag of dat mij ook zou lukken: ‘Nee. Je moet wel een bepaald type zijn, een bepaalde swagger hebben, zoals ze zeggen. Jij hebt te mooie kleren aan. En ze kijken naar je handen.’ Peter wijst naar fotograaf Joris. ‘Jij zou zo crack meekrijgen.’

Ik vraag Peter waarom hij gebruikt. ‘Omdat als ik niet gebruik, ik mezelf iets aandoe. Zonder crack wil ik dood. Met crack voel ik me een half uurtje rustig. Even vrede. Maar crack is tegenwoordig niet meer wat het was. Het is giftiger, met rotzooi erin. Je voelt het meteen. Eén trekje en ik ben misselijk. Maar ik blijf het doen.’ 

Hij wijst naar Cedric, in een andere kamer achter het glas. ‘Dankzij Cedric ben ik al gestopt met drinken. Hij kwam me zelfs zoeken toen ik uit de kliniek kwam. Ze helpen me hier. Ze controleren wat ik gebruik. Ik moet mijn spullen laten zien voor ik naar binnen mag. Dat voelt veilig. Ze vragen me elke dag: “Hoe gaat het met je? Wat gebruik je vandaag?” En ik doe klusjes: lampen vervangen, afval opruimen, brood ophalen bij de bakker. Dat geeft me ritme.’ 

Cedric Charvet, ‘harm reduction specialist’ van de Regenboog Groep.

Hij besluit: ‘Ik wil stoppen. Met crack, met acid, met alles. Eerst wil ik mijn BSN krijgen, gaan werken. Ik heb een diploma bedrijfskunde. Ik ben goed met computers, ik kan organiseren. Ik zou jouw baan kunnen doen, binnen een maand. En uiteindelijk wil ik mijn eigen plek. En mijn zoon zien. Dat is alles.’

Tegenover Peter zit een kleine, dunne man met een vlassige paardenstaart, een slecht gebit en glazige blauwe ogen. Hij stelt zich voor als Constant. ‘Mijn naam mag je wel opschrijven. Graag zelfs. Misschien dat mijn familie dit leest en nemen ze contact op. Ik heb mijn broer al meer dan twaalf jaar niet gesproken.’ 

Constant heeft zojuist ‘een beetje crack, 2 gram wiet en 4 halveliters bier’ geconsumeerd. Naast zijn stoel staat een grote rugtas. ‘Daar zit mijn hele leven in,’ zegt hij. ‘Kleren, slaapzak, matje. Ik krijg af en toe spullen van anderen, van andere daklozen. Een nieuwe jas, een rugzak, eens per jaar ongeveer. Op straat gaan je spullen snel kapot.’ 

De benen van gebruiker ‘Peter’ zitten vol littekens.

Constant slaapt liever op straat dan in de Amsterdamse daklozenopvang. ‘Sommige van die plekken lijken op gevangenissen. Je wordt er gefouilleerd, je zakken moeten leeg, alles wordt gecontroleerd. En voor iemand die ooit in de gevangenis heeft gezeten, is dat ondraaglijk. Dan komt alles terug: de vernedering, het opgesloten gevoel, het wantrouwen. En je moet alles delen. Twaalf mensen in één ruimte. Twaalf verschillende karakters, twaalf verhalen, twaalf trauma’s.

Je moet wachten tot je aan de beurt bent voor eten, voor douchen, voor slapen. Je leeft op elkaars adem. Dat vreet aan je. Voor mij geeft dat meer stress dan de kou van buiten. Daar bepaal ik tenminste zelf waar ik lig. Bij de laatste locatie pikte een andere dakloze mijn kunsttanden. Niet voor het geld – die dingen kostten 1300 euro – maar om in de gracht te gooien. Gewoon, voor de grap. Sindsdien ga ik niet meer naar de opvang.’

‘Door een grote groep gebruikers, vooral mensen uit Oost-Europa, lijkt het alsof het ineens terug is. Maar crack is er altijd al geweest’

Na een jeugd vol mentale problemen ontvluchtte de Fin als jonge twintiger zijn geboorteland en belandde, via omzwervingen in heel Europa, als heroïneverslaafde in Amsterdam. Constant: ‘Hier ben ik in een methadonprogramma gekomen, om van de heroïne af te kicken. Dat was moeilijk, maar ik wilde het echt. Om niet meer aan heroïne te denken, begon ik andere dingen te gebruiken. Ook crack. Eerst af en toe, nu dagelijks.

Het helpt me om niet terug te vallen in heroïne. Zeggen dat ik niet verslaafd ben, zou liegen zijn. Ik gebruik elke dag. Een paar trekjes, dan weer werken, dan weer wat gebruiken. Acht keer per dag misschien. De roes is kort, maar de nasleep, dat rustige gevoel, blijft een paar uur. Crack maakt me rustig, geconcentreerd. Ik teken postkaarten voor toeristen en verdien daar wat geld mee. Soms zit ik uren in de zon te tekenen of te lezen.

Cedric Charvet geeft tekst en uitleg over het crackprobleem.

Zonder crack lukt dat niet. Maar als ik geen crack heb, word ik onrustig, boos zelfs. Het is geen fysieke afkick zoals bij heroïne, het zit meer in je hoofd.’ Bij de Regenboog Groep komt hij nu bijna dagelijks. ‘Voor het douchen, schone kleren en om te gebruiken. Dat doe ik liever hier dan op straat. Daar zien kinderen je, daar worden mensen bang. Hier kan het veilig, schoon. Niemand hoeft het te zien. De stad is er schoner van, en wij zijn veiliger.’

Zichtbaarheid

Zijn de verhalen van Peter, Constant, Patrick en de boze vrouw in het park illustratief voor een grootschalige ‘terugkeer’ of ‘opkomst’ van een Nederlandse crackcrisis, zoals de media schetst? ‘Nee,’ antwoordt Cedric Charvet in zijn kantoor, pal naast de gebruikersruimte. ‘Crack is nooit echt weggeweest. In onze doelgroep – chronisch dakloze mensen met een lange drugsgeschiedenis – is het gebruik van crack en cocaïne al decennia constant. Wat wél veranderd is, is de zichtbaarheid. De stad is voller, de parken zijn schoner, er hangen camera’s. Daardoor valt dezelfde groep nu meer op.’ 

Gewapend met een viltstiftje, een whiteboard en een energiek karakter volgt een lang verhaal over de Regenboog Groep, cocaïnegebruik in Nederland en de omvang van het crackprobleem. ‘De meeste Nederlanders denken dat ze ‘gewone cocaïne’ gebruiken, maar in Nederland snuift bijna iedereen al jaren base-cocaïne, crack dus. Sinds de jaren tachtig komt de cocaïne die hier binnenkomt vaak al ‘based’ het land in, klaar om te roken. Dealers ontdekten toen dat ze veel meer klanten konden bereiken door de drug rookbaar te maken. Veel mensen zijn bang voor naalden, zeker mensen met een islamitische of Afrikaanse achtergrond, waar het lichaam heilig is. Dus is crack de standaard geworden.’ 

‘Er is geen sociale klasse meer te onderscheiden. Hollywood heeft twee uitersten gecreëerd: of je bent een glamoureuze gebruiker, of een zielige junk’

Over de prijs van crack en heroïne: ‘Die is sinds de jaren zeventig enorm gedaald. Toen kostte een gram heroïne 500 euro, nu 45. Cocaïne was 1000, nu ook rond de 45. De kwaliteit daarentegen is gestegen. De cocaïne in Europa is nu vaak 90 procent puur. Ironisch genoeg vinden veel gebruikers het ‘slechter’, omdat ze gewend waren aan de versneden variant, met amfetamine erin. Die hield je langer wakker.’

Een elitedrug is cocaïne allang niet meer, stelt Cedric. ‘Scholieren, jonge ouders, mensen die willen presteren of beter willen vrijen; iedereen gebruikt het. Er is geen sociale klasse meer te onderscheiden. Hollywood heeft twee uitersten gecreëerd: of je bent een glamoureuze gebruiker, of een zielige junk. De werkelijkheid zit daartussen: gewone mensen, in gewone levens.

In Amsterdam zie je nu opnieuw meer zichtbare dakloosheid en drugsgebruik. Dat komt niet door de drugs zelf, maar door armoede, stress, woningnood en inflatie. Mensen op straat gebruiken om te overleven. Drugs zijn een manier om stress te dempen, om een nacht door te komen. Crack is daarin geen oorzaak, maar een symptoom.’ 

En afsluitend: ‘Drugs maken deel uit van de samenleving. Dat is geen wens, dat is een feit. Het gaat erom hoe we ermee omgaan. Als iemand worstelt, moeten we hem niet kopje-onder duwen, maar helpen om boven water te blijven. Dat is harm reduction in één zin. We moeten blijven inzetten op realistische voorlichting: niet ‘geen drugs’, maar ‘veilig gebruik’. Dat is geen promotie van drugs, het is preventie van ellende. Drug checking, onderwijs op scholen, gesprekken zonder oordeel, dát werkt. In Nederland hebben we geleerd dat repressie niks oplost, het beperken van de schade wel.’

Mens & Maatschappij
  • Joris van Gennip