Bart Nijman

Bart Nijman: 'In de onverwijlde vrijheid van ouwe nichten zouden we een verlossing kunnen vinden'

'Mensen zullen de zwarte grap, sarcasme en vileine ironie doen herleven omdat vrije geesten altijd naar echtheid blijven snakken'

‘Een schoot zo droog dat als ze op een zomerdag in het bos een verhit gemoed zou krijgen, zij een acuut bosbrandgevaar vormt,’ mompelde een homoseksuele vriend over een niet nader te noemen politica die hem niet bepaald lief is. Hij sprak het zinnetje toevallig kort nadat ik in een oud antifeministisch pamflet van wijlen Gerrit Komrij – ook homo – las over een vrouw die aan een broedlamp bij haar kruis voldoende zou hebben om spontaan te gaan werpen.

Weinigen komen zo licht weg met misogynie als homomannen. Natuurlijk zijn er vrouwen die zich daar alsnog kwaad om maken. Zeker de permanent gekwetste slachtoffertruusjes van postmodern feministische slag, met hun blauwpaarse haar en zelfgekozen voornaamwoorden die ze op opdringerige wijze articuleren. (Gelukkig wordt dit cursiefje niet in tijden van droog kreupelhout geschreven, al zou het papier van dit blad in de verkeerde handen wat schroeiplekken kunnen gaan vertonen.)

De kracht van zowel de opmerking van voornoemde vriend als van dichter Komrij zit niet in wat door sommigen als vrouwenhaat zal worden gelezen, maar in de vrije stijlvormen waarin hun milde misogynie geformuleerd wordt. Het is geen bittere ernst, het is speels verwijt. Je kunt er – zelfs als vrouw – voor kiezen om erom te grinniken of, als je eigen vrouwelijke kant eveneens wat valsige trekjes kent, te denken: ach jongen, jij moest eerst met jezelf in het reine komen en een donkere kast verlaten voordat je überhaupt een wereld kon betreden waarin je vrouwen tegenover je vond om op deze wijze te beschimpen.

Beeldspraak in een saus van sarcasme brengt taal tot leven en maakt beledigingen zachter, om niet te zeggen: lichter dan grof. Het relativeert, neutraliseert en egaliseert. Homo’s, zeker die van een leeftijd waarop zij zich nog daadwerkelijk moesten vrijvechten, begrijpen dat vaak als geen ander. Evenals feministes van de eerste golf: destijds wellicht nog niet, maar nu toch zeker wel.

Nu we bijkans geblinddoekt edoch met veel te rasse schreden het tijdperk van kunstmatige intelligentie betreden, waarin we geestelijke inspanning uitbesteden en kennisverwerving capituleren aan AI en daarmee ons cognitieve vermogen steeds verder afbreken, zouden we in de onverwijlde vrijheid van ouwe nichten een verlossing kunnen vinden die ons allemaal kan beschermen tegen geestelijke erosie en algoritmische onvrijheid.

Zo AI namelijk tot iets goeds kan leiden, is het de brede wederopstanding van sociaal gestigmatiseerd geraakte stijlvormen. Zowel als daad van verzet tegen de levenloze taal waarmee kunstmatige rekenkrachten ons geestesdood maken, als om ons als mens te blijven onderscheiden van de staccato codering van kunstmatig gegenereerde taal. Mensen zullen de zwarte grap, sarcasme en vileine ironie doen herleven omdat vrije geesten altijd naar echtheid blijven snakken. 

Daarvoor hoeft ChatGPT enkel in een frigide serverkast te blijven zitten.

Column