Nieuwe Revu ontmoet Howard Komproe
Waar? Café Hesp in Amsterdam. Nog iets genuttigd? Howard dronk een warme chocomel met slagroom, gevolgd door brood met twee kalfskroketten van Holtkamp, begeleid door een bakje frites met mayonaise, met als toetje een glas limonade en een madeleine. De interviewer hield het bij rooibosthee, want er moest ook nog worden gewerkt.
Verder nog wat? Vanaf zaterdag 21 februari is Howard on tour met Peper & Zuur, een smakelijke theatervoorstelling, waarmee hij samen met kookboekenschrijfster en kok Noni Kooiman door het land reist. Verwacht: live lachen en koken, veel verhalen over de Surinaamse geschiedenis aan de hand van de keuken en natuurlijk wordt er uiteindelijk ook samen gegeten. Op www.peperzuur.nl vind je de voorstellingen bij jou in de buurt.
Je gaat je publiek samen met kookboekenschrijfster Noni Kooiman meenemen ‘op een reis door de geschiedenis en de smaken van de Surinaamse keuken’. Ga je daarmee volle zalen trekken, denk je?
‘De Surinaamse keuken is natuurlijk op een rare manier tot stand gekomen. Suriname was een onderneming en er waren mensen nodig om daar te werken. Eerst waren dat mensen uit Afrika, toen uit China, vervolgens uit India, daarna uit Java. Al die mensen brachten hun eigen eetculturen mee, vaak verstopt in de haren van vrouwen. In Suriname stopten zij hun meegesmokkelde zaden en kruiden in de grond, behalve de Afrikanen, want die hadden niks.
De Creoolse keuken is een soort gepimpte Nederlandse keuken, met bruine bonen en zout vlees. Dat kwam uit Nederland van de boot en de vrouwen die voor het eten moesten zorgen, voegden daar lekkere ingrediënten aan toe. Zo ontstonden er maaltijden waarmee je kon werken op het platteland: pom, bruine bonen met rijst, heri heri. Je ziet dat de Creoolse keuken het verst afstaat van de oorspronkelijke keuken. Die geschiedenis is heel interessant en je ziet bovendien een soort tweede vorm van kolonisatie gebeuren door de voedingsindustrie.’
Wat moet ik me daarbij voorstellen, kolonisatie door de voedingsindustrie?
‘Een paar jaar geleden kwam de HEMA met roti met rijst, terwijl roti met rijst helemaal geen ding is. Je eet ook geen stamppot met patat, dat is dubbel. Dat geeft aan dat ze geen onderzoek hebben gedaan, ze willen alleen maar geld verdienen. Een ander voorbeeld is Surinaamse bananenketchup, zogenaamd volgens authentiek recept.
Toen ik dat zag, sloegen bij mij de stoppen door, want niemand in Suriname heeft ooit van bananenketchup gehoord. Ik ben met een draaiende camera naar die fabrikant gegaan om te vragen waar de fuck dat vandaan kwam. Er kwam een soort lulverhaal dat het positief bedoeld was, omdat ze fan zijn van Suriname. Noem het dan bananenketchup, zonder de link met Suriname erbij.
Die ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat ik steeds meer de barricades op ben gegaan voor de Surinaamse kookkunst. Vervolgens kwam corona, waardoor ik niet meer kon optreden. Toen heb ik het platform Komproeven opgezet, waar ik varianten op bestaande Surinaamse gerechten ben gaan proeven met iemand die weet hoe het origineel smaakt, om te laten zien hoe ridicuul het is dat er iets bestaat als patatje-roti-stoof.’
Sommige mensen zullen zeggen: gerechten evolueren door de tijd nu eenmaal, zo gaat dat in elke keuken. Je bent comedian, waarom maak je je daar zo druk om?
‘Het is een vorm van westerse arrogantie. Ze gaan aan de haal met het Surinaamse erfgoed, zoals dat al eerder is gedaan. Ik vind dat niet kunnen en verzet me ertegen. Dit gebeurt trouwens niet alleen in Nederland, hoor. In heel Europa zie je dat er met betrekking tot culturele identiteit van alles wordt gejat.
Al die Nederlandse artiesten die goede sier maken met nummers in hun eigen taal, zingen vertaalde buitenlandse muziek. Ze staan allemaal op het muziekplein te feesten en hossen alsof het van hen is, maar het is ordinaire diefstal. Mensen weten niet hoe het echt zit, maar ze roffelen ondertussen wel op hun borst: dit is van ons, dit is van ons. Ik vind het tijd dat daar helderheid in wordt geschapen.’
Ben je altijd al zo’n culinair naslagwerk geweest?
‘Toen ik een jaar of 23 was, ging ik voor het eerst op mezelf wonen. De eerste maand leefde ik op een dieet van afhaalmaaltijden, snacks, chips, cola en M&M’s, maar daarna begon ik mama’s eten toch een beetje te missen. En papa’s eten, want in de Surinaamse keuken is de zorg niet verdeeld. Surinaamse mannen kunnen strijken, de was doen, de kinderen verzorgen.
Dat is geen issue. In de westerse maatschappij zijn dat gendergerelateerde taken, in de rest van de wereld niet. Pa kookte ook gewoon, maar ma is de keukenkoningin. Zij kan in een restaurant iets proeven en het een week later exact op die manier namaken. Ik weet nog dat ik haar na die eerste maand op kamers vroeg naar de verhoudingen van bepaalde gerechten.
Haar antwoord: een beetje van dit, een beetje van dat. Zo heb ik geleerd om te koken, een beetje autodidactisch, met op afstand een beetje hulp van mama en vrienden die kok zijn. Dat is vaak genoeg fout gegaan. Ik heb weleens een complete wok weggetieft omdat ik de vis erin had gedaan toen de olie nog niet heet genoeg was. Maar al doende leert men. Ik ben steeds meer over de achtergrond van de Surinaamse keuken gaan lezen en here I am.’
Je moeder stond niet alleen in de keuken, ze werkte als koster in de Amsterdamse Westerkerk. Hoe belangrijk was het geloof in jouw jeugd? ‘Er werd veel gepraat over het geloof. Voor godsdienst had ik op school altijd een 11, omdat ik al die verhalen fantastisch vond. Maar ik heb al heel lang geleden afstand genomen van dat hele circus. Ik veroordeel niemand die gelooft, maar het is onzin en gaat nergens over. Je gaat toch niet voor een beeld bidden? Je kunt die nederigheid ook kanaliseren naar jezelf.
‘Ik heb al heel lang geleden afstand genomen van dat hele circus. Ik veroordeel niemand die gelooft, maar je gaat toch niet voor een beeld bidden?’
Dat vind ik interessant van het boeddhisme, dat je zelf je eigen God bent. Op mijn veertigste heb ik een stilteretraite van tien dagen gedaan bij Vipassana, omdat ik wilde kijken of dat iets voor mij zou zijn. Dat heeft me veel inzichten opgeleverd die zorgen voor een meer ontspannen leven. Wat me erin aanspreekt, is dat je het in jezelf zoekt. Maar je gaat dat toch niet zoeken in iemand anders en daar dan nog geld aan geven ook. Doe normaal.’
Wanneer ontdekte je dat een loopbaan in de podiumkunsten weleens iets voor jou kon zijn?
‘Ik heb in mijn jeugd op veel verschillende plekken gewoond, vanwege het werk van mijn ouders. Mijn vader was troubleshooter bij bankinstellingen, dus als het ergens niet goed liep, dan ging hij erheen en bracht hij de boel weer op de rit. Op mijn achttiende had ik al op negen verschillende plekken gewoond. Ik had al snel door dat humor de beste manier is om je plek te claimen in een nieuwe omgeving.
Dat je daar ook je werk van kunt maken, ontdekte ik op mijn achtste. We hadden daarvoor twee jaar in Suriname gewoond, kort na de ondertekening van de Surinaamse onafhankelijkheid zijn we teruggegaan. Terug in Nederland zag ik op tv André van Duin, Toon Hermans en dat soort gasten. Dat is wat ik ook wilde. Bij ons op school kon je elke vrijdagmiddag iets doen op een podium, dus ik ging daar staan met een mop of een verhaal van André van Duin.
De meester zei dat ik dat niet kon doen, want ik was niet blank, maar ik dacht niet in dat soort hokjes. In diezelfde tijd werd ik in Dordrecht gekozen tot junior Prins Carnaval, wat betekent dat je voorop mag lopen in zo’n stoet, op een kar staat en door iedereen wordt toegejuicht. Toen was het definitief aan, zeg maar.’
Het verhaal gaat dat je Comedytrain-oprichter Eric van Sauers toevallig in de supermarkt tegenkwam, waarna hij jouw mentor werd. Is dat echt zo gebeurd of was je stiekem al dagen tussen de schappen aan het spotten of je hem ergens zag?
‘Ik had in Nova, toen een nieuw nieuwsprogramma, een item gezien over de Comedytrain. Dat was verkeerd gemonteerd, want tijdens de lach zag je de comedian, tijdens de grap het publiek. Toen ik Eric tegenkwam in de supermarkt, zei ik tegen hem dat hij maar eens bij mij moest komen kijken als hij wilde zien hoe je comedy hoorde te doen.
Ik snap achteraf wel dat hij dacht: wat een gek, die gozer, maar hij kwam kort daarna wel kijken, bij Baseline in de Melkweg. Ik was net bezig toen een paar mannen in het publiek, die voor een of andere hardrock-act waren gekomen, van alles begonnen te roepen. Dat werd vervelend, dus toen heb ik tegen een van die gasten gezegd dat hij, als hij mijn grappen niet leuk vond, maar even naar het toilet moest gaan, om in de spiegel te kijken naar de grap van zijn ouders.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2026%2F01%2FIFXds6b2BrDdb81767619626.jpg)
Die kerel ontplofte totaal, gooide zijn bierflesje kapot en wilde mij aanvallen. Terwijl ik door de beveiliging werd afgevoerd, zag ik Eric ineens staan, hard lachend: “Als jij in tien minuten zo’n chaos weet te creëren, dan moet je bij ons komen.”’
Als 24-jarig broekie stond je ineens tussen grote, gevestigde namen, je deed allerlei presentatieklussen, speelde in een tv-serie. Wat voor tijd was dat voor jou?
‘Een mix van jeugdige bravoure en niet helemaal snappen wat voor goud ik in handen had. Ik zat in die tijd in Het Klokhuis, daar had ik nooit om gevraagd, dat kwam gewoon op mijn pad. Daardoor nam ik het voor lief en ging ik er niet serieus mee om. Ik ging elke avond uit, kwam te laat bij opnames, kende mijn teksten niet.
Op een gegeven moment werd ik bedankt voor mijn inzet: “Leuk dat je er was, maar we gaan even met iemand anders verder.” Nooit meer wat van gehoord, wat ik nu snap, maar destijds niet. Zo ben ik nog een paar keer op mijn bek gegaan, wat voor mij lesgeld is geweest. Ik was me er niet van bewust hoe ik me hoorde te gedragen. Er was ook niemand die me dat leerde, want alles kwam me aanwaaien.
Ik kreeg uit alle hoeken werk, een heleboel aandacht en veel te veel geld voor het knulletje dat ik was, maar nul coaching hoe ik daarmee moest omgaan. Dan kan het misgaan. Pas toen ik kinderen kreeg, op mijn dertigste, had ik in de gaten: wacht even, ik moet op tijd zijn, me goed voorbereiden, mijn afspraken nakomen. Daarna ben ik dingen gaan veranderen.’
Waarom sloeg jouw manier van grappen maken zo aan, denk je?
‘Een stukje tijdgeest, denk ik. Op videobanden die ik uit Amerika kreeg, had ik Def Comedy Jam gezien: comedians die optreden met korte stukjes in plaats van het avondvullende gelul met een verhaal en een banjo. Ik leek op die comedians, maar in Nederland was die vorm nog nieuw. Het sloeg denk ik aan omdat ik een geluid liet horen dat er nog niet was. Het was anekdotisch, grotendeels autobiografisch, observerend.
Comedians zijn eigenlijk antropologen. Ze kijken hoe mensen zich gedragen en geven dat op het podium terug in een uitvergrote vorm. Dat deed ik op jonge leeftijd al zonder me daarvan bewust te zijn. In de loop der tijd is er natuurlijk iets van ontwikkeling geweest, maar mijn stijl is grotendeels hetzelfde gebleven, met als grootste verschil dat er wat meer politiek in zit. Dat vond ik altijd al interessant, maar als jonge Surinaamse gozer moest je blij zijn dat je in Nederland mocht wonen. Ik moest dankbaar zijn dat ik hier überhaupt was, commentaar werd niet geaccepteerd door het publiek. Daar is nu wat meer ruimte voor.’
Hoe kijk jij naar de stand van zaken in Nederland anno 2026?
‘We zijn met z’n allen enorm aan het struggelen. Vroeger speelde ik vaak Monopoly en dan was er soms iemand die bijna al het geld in handen had. Dat was leuk voor die persoon, maar niet voor het spel, want niemand kon meer iets doen. Als die persoon vervolgens wat van z’n geld verdeelde onder de andere spelers werd het weer interessant. Wij gaan langzaam naar een punt waar een klein groepje alles heeft en de rest niks.
Los van het feit dat die situatie economisch niet gezond is, is het ook gewoon niet prettig. Hoe we dat tij kunnen keren, weet ik niet. Maar ik denk wel dat we de economische groei waar het altijd over gaat veel te belangrijk hebben gemaakt. Dat gaat ten koste van alles. Ik ben oud genoeg om in te zien dat het zorgstelsel totaal is gesloopt. Toen ik jong was, kon je als je een pijntje of klacht had gewoon naar de huisarts gaan. Als ik nu een afspraak wil bij de huisarts, moet ik eerst twintig hordes nemen.
Het is een soort chase geworden en stel dat het dan lukt, om bij de huisarts terecht te komen, dan heb je tien minuten om maximaal één klacht te behandelen, want stel dat er nog iets anders mee samenhangt, dan moet je weer achter aansluiten. Alleen maar omdat wij het allemaal aan de markt hebben gegeven. Dat is crazy! En zo doen we het met alles. Ik snap niet waarom, want we zien allemaal dat het niet werkt.’
Maakt dat je bang voor de toekomst? Of kun je het wel relativeren, omdat Nederland in vergelijking met de rest van de wereld nog altijd tot een van de meest welvarende, rijkste landen behoort?
‘Ik denk dat daar het gevaar in schuilt, dat we allemaal schokschouderend denken dat het zo’n vaart niet zal lopen. Dan ontploft het allemaal maar harder. Tegelijk stemmen we nog steeds elke keer als schapen op partijen die dit hebben enabled. Er hangt een soort vibe in Nederland alsof links al jaren aan de macht is, maar dat is niet zo. Feitelijk zitten we non-stop opgescheept met rechtse kabinetten, maar die geven links de schuld. That doesn’t make sense.’
Een uitgelezen moment om à la Tijs van den Brink zelf die politiek eens in te stappen om de boel op te schudden?
‘Toen ik klein was, zag ik mezelf later nog wel in de politiek. Ik was er altijd als de kippen bij als er een klassenvertegenwoordiger gekozen moest worden. Degene die in charge was van de telefoonboom, dat was ik. In die zin heeft het er al van jongs af aan ingezeten, maar ik zou het niet willen. Het lijkt me heel ondankbaar. Dat gaat niet om applaus, of dat ik daar verslaafd aan ben.
Vroeger vond ik dat belangrijker dan nu, maar inmiddels kan ik dat makkelijker loslaten. Ik zou het niet erg vinden om werk te verrichten dat goed is zonder dat ik daar applaus voor krijg. Het is een leuke bijkomstigheid, maar ik kan ook zonder. Al zal dat niet zo snel gebeuren, want theatercafé Toomler van Comedytrain is mijn tweede thuis.
Als ik applaus wil, dan kan ik altijd naar Toomler gaan. Stel dat ik ervoor zou kiezen om de politiek in te gaan, dan zou ik dat puur doen om iets te bewerkstelligen. Maar waarom zou ik dat doen? Je bent je nek aan het uitsteken terwijl er ondertussen op je hoofd wordt gepoept. Dat zie ik mezelf nog niet doen.’
Waar word jij blij van als je niet aan het werk bent?
‘Plaatjes draaien vind ik leuk. Daarom heb ik een baan bij de radio aangenomen. Vier dagen per week ben ik bij NPO Blend lekker met muziek bezig. Ik ben sidekick in het programma Bridge the Gap, maar op een gegeven moment wil ik zelf achter de knoppen gaan zitten. Er is een guy die me helpt om dat te leren, Andres Odijk, een jonge dude die zelf een programma heeft op 3FM.
‘Ik vind het te gek als ik thuis mijn kinderen hoor zingen. De zorgeloosheid. Het is niet altijd even mooi, maar ik kan daar waterig van worden’
Een eigen programma lijkt me tof, met de tijd. Ik vind het heerlijk om lekker met muziek bezig te zijn. Weet je wat ik ook te gek vind? Als ik thuis ben en ik hoor mijn kinderen beneden zingen. De zorgeloosheid die zij nog hebben, dat ze ontwaken en besluiten om te gaan zingen. Het is niet altijd even mooi, het is niet altijd mijn genre, maar ik kan daar waterig van worden. Het is een soort barometer. Als je je kinderen hoort zingen, dan weet je: het is oké, het is goed.’
Vind je dat je genoeg waardering krijgt voor wat je allemaal doet en hebt gedaan?
‘Mijn waardering haal ik uit het feit dat ik dit werk al dertig jaar doe. Ik kan er goed van leven, ik heb mijn kinderen ervan groot kunnen brengen. We hebben gereisd, plekken gezien. Uiteraard is het leuk als je ergens loopt en mensen noemen je een legend, maar er komen vanzelf dingen bij je terug als je ouder wordt. In coronatijd had ik mijn eigen alcohollijn ontwikkeld en op een gegeven moment reed ik naar Amersfoort om een bestelling te brengen bij een jongeman met een gezin.
Leuk groot huis, twee mooie auto’s voor de deur. Ik stap uit en hij zegt: “U was een keer bij ons op school met kerst, in Amersfoort.” Ik wist meteen waar hij het over had, Murth Mossel en ik moesten optreden voor een groep brugklassers, maar die zijn met van alles bezig behalve langer dan één minuut ergens naar luisteren, dus wij zijn met die kids gaan rappen en muziek maken.
Die jongeman wist dat nog, ik weet dat nog. Dat is zo tof, dat een gigantisch leeftijdsverschil minder wordt naarmate de tijd verstrijkt. Die jongeman en ik hebben een leuke band, we spreken elkaar weleens. Hoe ouder je wordt, hoe meer van dat soort situaties je meemaakt. Dat is ook waardering. Genoeg waardering voor mij.’
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct- NL Beeld, Humberto Tan