Premium

Graffiti hield Wojo op de straat: stadsfotograaf kijkt terug op twintig jaar muren spotten

In twintig jaar maakte Wolfgang Josten (68), op straat beter bekend als Wojo, ruim 140.000 graffiti-foto’s. Dat betekent: illegaal over de spoorrails struinen om wagons te spotten, op viaducten klimmen en door hekken kruipen. Journalist Lennart van der Deure volgde hem op de meest obscure plekken in de hoofdstad en was erbij toen hij zijn fotoboek aan de man bracht. ‘Het feit dat Wojo zo dedicated is, maakt hem bijzonder.’

Wojo

Wolfgang Josten stapt op de treinrails en kijkt over zijn schouder. Niet voor naderende wagons. Daar loopt hij juist naartoe, ze staan verderop rijendik geparkeerd over zes spoorlijnen in een uithoek van het Amsterdamse industriegebied Westpoort. Hij wijst naar een gebouwtje: ‘In de gaten houden. Daar drinken spoorwegmedewerkers koffie.

Op zondag zijn ze er meestal niet, daarom is dit mijn vaste treinendagje,’ glimlacht de doorgewinterde graffitifotograaf. Hij passeert wagons vol verfcreaties in allerlei toestanden: vers, versleten, flets of vooral vaag. Josten wuift ze weg: ‘Deze heb ik allemaal al.’ Niet gek ook, als je twintig jaar lang, elke dag van de week, illegale graffiti achterna jaagt in Amsterdam en omstreken. 

Op deze herfstige zondag, toevallig op zijn 68ste verjaardag, maakt hij een allerlaatste ronde. Binnenkort verhuist hij naar een Zeeuws-Vlaams dorpje. Weg van de drukke stad waar hij onbedoeld uitgroeide tot een held onder de schrijvers, zoals graffiti-artiesten zichzelf noemen. Josten draait zich geregeld om. Focussen, klik, checken, soms nog een klik; dan weer door. Met elke foto komt er steeds meer gewicht op de vraag: wat moet hij met meer dan 140.000 graffiti-kiekjes, als hij er straks mee stopt?

Aangeboren verlegenheid

Krap een half jaar eerder is zijn eerste worp naar de eeuwigheid. Zijn allereerste fotoboek ziet het levenslicht in een kraakpand achter de Nieuwe Kerk. Wietdampen kringelen rond ‘krakereske’ figuren die ouwehoeren in kringetjes, in hun hand een halve liter, een joint of boek: een waar schrijverscafé.

Josten staat achterin achter een tafel, zijn enthousiasme wint het van zijn aangeboren verlegenheid. Er staat een kleine rij voor zijn Spots Vol. 1 Illegale graffiti in Amsterdam 2023. Een Italiaanse man spreekt hem aan: ‘You don’t know me, but I know you.’ Hij vertrekt gelijk met een exemplaar. Josten zucht: ‘Zo gaat het al de hele dag.’

Geen graffiti-uiting ontsnapt aan de lens van Wojo.

Na jaren graffiteurs achtervolgen, komen ze nu eens naar hem toe. Daarvoor ligt zelfs een gastenboek op tafel. De schrijvers eren Josten, maar anonimiteit is sacraal in deze schaduwsamenleving. Een man van in de veertig beent naar binnen. Josten gebaart naar een lege bladzijde in het gastenboek. De man twijfelt twee tellen. Dan zwiert hij z’n tag over een hele pagina en verdwijnt met een boek onder zijn arm. Josten: ‘Blij dat ik er toch een gezicht bij heb.’

Een jonge schrijver – camouflagebroek, leren jas, zo’n beetje de enige sigarettenroker – vertelt waarom Josten zo dierbaar is. Dat komt met name door zijn Flickr-pagina, een fotoplatform waar Josten de afgelopen twee decennia graffitifoto’s op plaatste van werken in Amsterdam en omstreken. ‘Ik was ooit mijn telefoon kwijt, daarop stonden al mijn foto’s. Toen kon ik bij Wojo alles weer terugvinden. Ik vond zelfs tekeningen die ik zelf niet had gefotografeerd.’ 

Elke dag trekt Josten drie à vier uur op zijn fiets door Amsterdam. ’s Avonds zet hij de twintig best gelukte foto’s online terwijl het origineel soms nog nat is. Hij heeft een bescheiden zesduizend volgers op Flickr, al beseft hij dat het kanaal niet meer van deze tijd is. Zijn noodgedwongen overstap naar Instagram vindt ie maar niets. ‘Een kanaal vol competitie waarop je de snelste moet zijn. Dat is iets voor de nieuwe generatie spotters.’ 

De locatie van de boekpresentie is voor Josten niet vreemd. Rond 1987 trekt de in Duitsland geboren hippie na veel omzwervingen vanuit Zeeuws-Vlaanderen naar de krakers in het centrum van Amsterdam. Binnen korte tijd (‘Overnacht ben ik een ander persoon geworden’) gaat het roer om: de lange haren worden gekortwiekt en in het zwart gedoopt. De slobberige trui transformeert in een leren jasje. Nieuwe muziek: The Cure, Talking Heads. Eén constante blijft: het alternatieve leven.

Gedurende zijn bestaan wisselt Josten vaker van antwoord op dezelfde levensvraag. Wat doe je als je niet past binnen de verwachtingen van de maatschappij? Hij noemt het ‘anders denken over de invulling van je leven’ en ‘niet mee willen doen aan de consumptiemaatschappij’. Die zoektocht verklaart deels waarom er eind jaren tachtig een ontdekkingsreiziger in hem wakker wordt.

Met een groepje avonturiers vertimmert hij een oude Duitse militaire vrachtwagen en doorkruist Afrika, van Marokko naar Kenia. Van daar neemt hij het vliegtuig richting het Pakistaanse Karachi. Hij trekt door India, komt over de vloer bij Maleisiërs, Thai, Indonesiërs. Daarna schrobt Josten borden schoon bij het Australian Open (tennis) om geld te verdienen voor een doorreis naar Hongkong.

Hij arriveert per trein in Peking, een dag of twee na de bekende studentenprotesten op het Tiananmenplein in 1989. ‘Alle toeristen waren er al weg uit angst.’ Josten moest ook weer door. Hoe anders dan met de Transsiberië Express richting Moskou, om daarna zijn broertje in Berlijn te bezoeken. ‘En toen was ik reisverslaafd.’

Josten doet niet aan borstklopperij, maar slaat zichzelf wel op de schouder. ‘De wereld gaat kapot van het consumeren. Ik leef mijn hele leven van bijna niets’

Dus hup, de rest van Afrika, Zuid- en Midden-Amerika d’r bij. En dat allemaal uit een klein rugzakje en zijn geld onderweg verdienend. Josten doet niet aan borstklopperij, maar slaat zichzelf hier wel op de schouder. ‘De wereld gaat kapot van het consumeren. Ik leef mijn hele leven van bijna niets.’

In de jaren negentig ziet hij alles, maar maakt ie precies nul foto’s. Fotografie is een dure hobby en onpraktisch voor een bohemien met weinig geld en spullen. Maar digitale camera’s worden steeds goedkoper en handiger. Rond de millenniumwisseling geeft zijn vader hem een cameraatje, ‘om al die verre reizen eens vast te leggen’.  Zo belandt Wolfgang Josten op een nieuw pad waar zijn alter ego langzaam gestalte krijgt: Wojo.

Geen enkel kunstwerk ontkomt aan de lens van Wojo.

Na enkele reizen vestigt hij zich weer in Amsterdam. Hij schiet zich een weg door de hoofdstad. Al gauw mikt hij de lens op zaken waar velen aan voorbijgaan, zoals slapende zwervers en streetart. Graffiti begint voor hem aanvankelijk op de achtergrond, maar langzaamaan krijgt hij oog voor de kunst die komt en gaat, net als hijzelf. 

Josten raakt steeds meer geobsedeerd door de nachtschrijvers. Niet gek ook, het voelt vertrouwd om bloemen te plukken langs de rand van de samenleving. Niet alleen de kunst spreekt hem aan, maar ook de drijvende kracht erachter. Het anarchistische, het tegendraadse. Buitenbeentjes die de stad ongevraagd inkleuren met hun bestaan. Mettertijd verschuift graffiti van decorstuk naar de posterboy van zijn werk. Met zijn camera trekt hij langs verlaten panden, verboden terreinen en spoorlijnen als een jachthond die aan branie heeft geroken. Rond 2004 wordt illegale graffiti zijn niche.

Zwervers in Amsterdam

Verderop in Westpoort fietst hij over een olifantenpaadje tussen begroeiing en een viaduct. Hij stapt af en wijst naar een verfomfaaid hek: ‘Daar zat eerst een gat. Daar kroop ik soms doorheen, dan kon ik beter bij de graffiti op die betonnen pijlers.’ Op het hekframe hangt een verweerd stickertje: ‘Wojo’. Hij glimlacht: ‘Dan weten ze dat ik hier ben geweest.’ 

Josten passeert hutjes van pallets en zeilen, karig beschut door de overhellende weg. ‘Je denkt: er zijn niet zoveel zwervers in Amsterdam. Hier zitten ze.’ Bang is ie niet. ‘Gewoon gedag zeggen.’ Glunderend wijst hij omhoog naar het viaduct. Op het beton staan krabbels als parafen onder de zoveelste pagina van een contract. ‘Hoe komen ze daar? Dan moet je over het spoor lopen, en over de rand leunen. Daar heb ik wel waardering voor. Zo tel je mee in dat wereldje. Hoe moeilijker, hoe prestigieuzer. Kijk, daar staat Omce, die zie je door de hele stad.’ 

Wojo en zijn onafscheidelijke camera leggen nieuwe graffiti vast.

Voor Josten zijn plekken niet snel verboden. Soms staat hij in de berm, leunend tegen de vangrails, kiekjes te schieten van ondergekladde geluidsschermen aan de overkant. Daar heeft de politie hem meerdere keren weggehaald. Vaker nog bij verlaten bedrijventerreinen en treinsporen. ‘In principe doe ik niets verkeerd. Vaak kwam ik de volgende dag terug, dat verwachten ze niet.’ 

Hij fietst door, zet zijn stalen ros onder een volgend viaduct en loopt langs een verlaten spoorlijn. Als hij dagenlang niets nieuws vindt, pakt hij weleens de trein naar Haarlem of Utrecht. Wanneer hij vanuit de coupé verse inkt spot, bedenkt hij een route om daar later met zijn lens te komen. Hij passeert weer een daklozenkrot. ‘Ik vind het ook leuk <klik> om foto’s te maken van die <klik> zwervershutjes.’

Bij de boekuitreiking achter de Nieuwe Kerk stapte ook een moeder over de drempel. Zij kwam als enige voor haar tweede Wojo-boek. De eerste, een paperbackboekje dat hij speciaal voor haar maakte, is gevuld met wel honderd creaties van Acid, de schrijversnaam van haar verongelukte zoon. ‘Via via kwam ze bij mij, op zoek naar werk van haar kind. Ze was superblij. Die moeder had een heel zware tijd achter de rug. Het was een jonge gast, begin twintig. Een flinke groep schrijvers hield een groot afscheidsfeest in een gekraakte hangar. Overal schilderden ze ‘Acid, rest in peace’.’

Slechts een van de duizenden foto's die Wojo maakte.

Eer of gedeeld leed, de kunstenaars verhullen zich immer achter snappy klinkende tags: Acid, Omce, Opzich, Cry. Ze onthullen vaak nét genoeg om hun mysterie te vergroten: Venetiaanse maskers in de vorm van brutale inkt. Sommigen kwamen niet eens naar de boekverkoop, maar maakten een losse afspraak met Josten. Hij kent maar een paar geboortenamen. ‘Zo’n tag zegt me meer dan wanneer iemand Kees heet. Brep ken ik wel. Kees, tja... er zijn zoveel Keesen.

Ik kende het wereldje eerst niet. Niet dat ik bang voor ze was. Maar als ik iets niet ken, houd ik afstand. Nu ben ik bekender geworden. Soms zie ik iemand schrijven en herken ik z’n werk. Dan zeg ik: “Hé, dat stond daar en daar ook.” Dan raak je aan de praat, en komen ze erachter dat ik de fotoman ben.’

Graffiti in Amsterdam.

Zijn mondhoeken krullen omhoog wanneer hij vertelt over deze ontmoetingen. De schrijvers kijken altijd op van zijn leeftijd. Die kun je aflezen aan zijn gebogen loopje, groeven in zijn zachte gezicht en de grijze haren die onder een kleurrijk, wollen mutsje vandaan steken. Het idee voor de muts pikte hij op bij zijn reis door India. Tegenwoordig zoekt hij ze dichter bij huis, in een kringloopwinkel. In zowel zijn levensonderhoud als werk komt Josten rond van een uitkering.

Eens in de drie jaar koopt hij een nieuwe camera van 800 euro van opgespaard vakantiegeld. Terwijl hij type camera’s opsomt, trapt Josten hard in tegen de opgestoken wind. De enige tekenen van andere passanten zijn lege blikjes langs de weg. Sinds daar statiegeld op staat, raapt hij ze op tijdens zijn rondjes. ‘Met tien stuks kom je toch thuis met 1,50 euro. Op een uitkering moet je elk dubbeltje omdraaien.’

Spotterspensioen

Josten is heel dankbaar dat hij zo heeft kunnen leven voor de fotografie. Normaal werk paste hem niet, daar kwamen de gemeente en het UWV op den duur ook achter. Onofficieel werd afgesproken dat hij wat terugdeed voor de samenleving met zijn werk. Met zijn spotterspensioen in zicht wil hij des te meer laten zien wat zijn werk heeft opgeleverd. Het probleem is de organisatie. Archieven, uitgeverijen, lezingen, meetings, volle agenda’s, dat is zijn wereld niet. Het eerste boek was al een flinke bevalling, waarbij hij veel hulp kreeg uit de scene. Er liggen weliswaar 82 foto’s bij het stadsarchief, maar daar zitten de graffitifoto’s niet tussen.

Josten heeft ook de Dutch Graffity Library benaderd met zijn boek. Maar zij treden niet op als uitgever, vertelt Richard van Tiggelen in een reactie. De conservator legt uit wat Wojo speciaal maakt: ‘Er zijn meerdere mensen die deze passie hebben. Het feit dat hij zo dedicated is, maakt hem bijzonder.’

‘Ik ben blij dat ik uit Amsterdam en de sleur van graffiti ben. Er gebeurde zoveel, het ging zo snel. Op een bepaalde leeftijd wil je die stress niet meer’

Later in het jaar belt Josten vanuit zijn nieuwe huisje in Zeeland. Hij klinkt enthousiast. Niet alleen is zijn tweede fotoboek af. Nee, dit definitieve nieuwtje is zijn opluchting: hij heeft hém gevonden. De archivaris, schatbewaarder, keeper of the castle, geef het een naam. Deze man, die ook al hielp bij zijn eerste boek, wil al het werk van Josten beheren, ‘mocht mij iets overkomen’. Een fervent schrijver en spotter die, hoe kan het ook anders, anoniem wil blijven.

Eind goed al goed, zeg je dan. Een half jaar nadat Wojo weer Josten werd, kijkt de fotograaf vanuit het Zeeuwse dorpje anders terug op zijn tijd in Amsterdam. Of hij nog meer graffitiboeken gaat uitbrengen? Dat was toch het plan? Josten gaat elke dag nog steeds op pad met zijn camera, maar hij zoekt nu in struiken, op boomstronken en tussen bladeren.

Op het BNNVara-platform Vroege vogels plaatst hij dagelijks foto’s van alles wat komt en gaat. Zoals de bosgeelvlekbladjager of de herfstmetaalwapenvlieg (‘Ik wist niet dat er zoveel vliegen waren’), knolhoningzwammen en schubbige bundelzwammen (‘Het is paddenstoelentijd’). ‘Ik ben blij dat ik uit Amsterdam en de sleur van graffiti ben. Er gebeurde zoveel, het ging zo snel. Op een bepaalde leeftijd wil je die stress niet meer. Het was best een bubbel, zie ik nu. Ik kijk eigenlijk nauwelijks meer naar die foto’s. De natuur komt ook met verrassingen. Dat geeft meer rust dan muurtjes opzoeken met graffiti.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Mens & Maatschappij