Het is zaterdagavond, 15 november. De betonnen kolos die Gelredome heet, doemt op in de Arnhemse mist. Binnen hangt de geur van verschraald bier, patat en de onmiskenbare zweem van nostalgie. Vanavond viert Paul Elstak hier zijn feestje: 30 Years Rainbow in the Sky. Dertigduizend man met kale koppen in trainingspakken en op Nike Air Max-schoenen staan klaar om teruggeslingerd te worden naar de tijd waarin alles sneller, harder en vrolijker moest.
Voor die dertigduizend bezoekers is Paul een messias. De man met de kale kop die hun jeugd een soundtrack gaf. Maar in de schaduw van die messias, ver weg van de merchandisekraampjes waar zijn T-shirts voor vier tientjes over de toonbank vliegen, loopt een man die eigenlijk verantwoordelijk is voor het fundament onder die tempel.
Koen Groeneveld is 60 jaar, maar hij loopt met de tred van iemand die haast heeft, iemand die nog iets te bewijzen heeft. Hij is alleen. Geen manager die zijn tas draagt, geen socialemediameisje dat alles wat hij doet vastlegt voor TikTok, geen bodyguard om de fans op afstand te houden. Hij zoekt zijn weg door de betonnen catacomben van het Gelredome, een eindeloos labyrint van gangen met tl-verlichting dat meer wegheeft van een ziekenhuis dan een rocktempel. ‘Het is even zoeken,’ mompelt hij, terwijl hij een gang inschiet die naar de kleedkamers moet leiden. ‘Vroeger deden we dit met z’n drieën. Toen met z’n tweeën. En nu... Nu ben ik de enige die nog draait.’
Koen Groeneveld is de helft van de Klubbheads. Of eigenlijk: hij ís nu de Klubbheads. Zijn wederhelft, Addy van der Zwan, zit thuis in Bleiswijk. Die trok het niet meer. De nachten, de kilometers, het eeuwige wachten in sfeerloze kleedkamers tot je dat uurtje mag vlammen. Koen wel. Koen is een podiumdier, een man die pas leeft als de bassdrum door zijn middenrif dreunt.
‘Waar is de wodka?’ vraagt Koen Groeneveld. Het is geen alcoholisme, het is traditie. Een bodempje leggen. De spanning even verdoven. ‘Gewoon, eentje. Dat hoort erbij’
Eenmaal aangekomen in de kleedkamer – een ongezellig hok met witte muren en een systeemplafond – begint het ritueel. Geen meditatie, geen yoga, geen groene thee. Koen zoekt met zijn ogen de cateringtafel af. ‘Waar is de wodka?’ Het is geen alcoholisme, bezweert hij, het is traditie. Een bodempje leggen. De ‘positieve spanning’ die er na dertig jaar nog steeds is even verdoven met een slok. ‘Niet de hele fles natuurlijk,’ lacht hij, terwijl hij een glaasje inschenkt. ‘Gewoon, eentje. Dat hoort erbij.’
Het contrast kan bijna niet groter. Straks, tussen half acht en acht, staat hij in een stadion dat langzaam volstroomt. Hij is de opwarmer. De man die de temperatuur van lauwwarm naar het kookpunt moet brengen voordat ‘godfather’ Paul Elstak het podium betreedt. Maar hier, in de buik van het beest, is hij gewoon een zzp’er in de muziekindustrie die hoopt dat de techniek het doet en dat hij straks nog ergens een broodje kan krijgen.
Pseudoniemen
Om te begrijpen waarom Koen hier alleen staat, en waarom de naam Klubbheads bij het grote publiek misschien niet direct een belletje doet rinkelen, maar bij kenners een grijns van oor tot oor veroorzaakt, moeten we naar Bleiswijk. Een keurige, rustige gemeente onder de rook van Rotterdam. Geen plek voor rocksterren, wel voor vaders die hun kinderen op zaterdagochtend naar de voetbalclub brengen. In een doorsnee rijtjeshuis woont Addy van der Zwan. Sinds zijn scheiding woont hij hier, alleen. Het huis is netjes, opgeruimd, bijna alsof de stilte hier zorgvuldig wordt bewaakt.
Aan de eetkamertafel zitten ze: Koen en Addy. Twee mannen van middelbare leeftijd, spijkerbroek, T-shirt, koffie erbij. Als je ze in de supermarkt zou tegenkomen, zou je denken dat het boekhouders zijn, of IT-consultants. Maar dit zijn de architecten van de Nederlandse dance. Dit zijn de mannen die in de jaren negentig de hitlijsten gijzelden. Niet alleen onder hun eigen naam, maar vooral met een duizelingwekkend aantal pseudoniemen en projecten. En – en dat is het pijnlijke geheim dat vanavond in het Gelredome zo voelbaar zal zijn – als de ghostproducers achter de grootste hits van Paul Elstak.
Addy van der Zwan: ‘Paul had de ideeën, hij kwam met de samples, met de melodielijn. Maar wij maakten er liedjes van. Wij zorgden voor de structuur, de sounds, de afwerking’
Om te beginnen wil ik weten, terwijl Addy nog een ronde koffie inschenkt, hoe het voor Koen is, alleen op het podium. Voelt dat als een amputatie? Koen haalt zijn schouders op. ‘Het was even wennen. Je kijkt opzij en er staat niemand. Maar goed, het is een organisch proces geweest. We begonnen ooit met drie man, met Jan Voermans erbij. Toen gingen we naar twee. En tussen 2011 en 2014 deed Addy het alleen, toen ik even dacht dat ik de nieuwe technokoning moest worden.’
Hij lacht. Addy knikt. Hij oogt rustiger dan Koen. Beschouwender. ‘Voor mij was de koek op. Het is een cliché, maar het leven haalt je in. Ik had jonge kinderen. Als je elk weekend in een vliegtuig of auto zit, kom je zondagochtend thuis als een wrak. Dan wil je slapen, maar je moet naar het voetbalveld. Die wisselwerking brak me op. En eerlijk? Dat hele circus eromheen... Mensen betalen grof geld voor je, dus ze verwachten wat. Je moet ‘aan’ staan. Handjes schudden, lachen naar mensen die je niet kent, aan smalltalk doen in vipruimtes. Het kostte me meer energie dan dat het optreden me opleverde.’
Koen, lachend: ‘Terwijl ik dat juist prachtig vind. De reis, het gedoe, het regelen. Ik krijg daar energie van. Dus toen Addy zei: “Ik stop ermee,” dacht ik: prima, dan ga ik door.’
Terwijl we praten over ‘vroeger’, ontstaat er een beeld van twee jongens die in een tijdperk leefden waarin alles mogelijk was. De jaren negentig. De muziekindustrie was een wildwestfilm waarin iedereen met een synthesizer en een sampler sheriff kon worden. Of bandiet.
De Klubbheads-sound was specifiek. Het was niet de donkere techno uit Detroit, het was niet de harde gabber uit Rotterdam. Het was, zoals ze het zelf noemen, ‘klubbhouse’. Een mix van vrolijke melodieën, stevige beats en die ene, onmiskenbare handtekening: de ‘bamboo bass’. Een droog, tikkend basgeluid dat klonk alsof je met een houten stok op een holle boomstam sloeg, maar dan op 140 bpm.
Verguisd
‘Het is ironisch,’ zegt Koen, terwijl hij een slok neemt. ‘Vroeger werden we verguisd. De serieuze pers, de ‘echte’ dj’s... ze vonden ons plat. Commerciële troep. Kermishouse. En nu? Nu wordt onze muziek gedraaid door de grootste namen op aarde. Solomun, Peggy Gou (van de wereldhit (It Goes Like) Nanana, red.), Patrick Topping, Job Jobse... Die draaien onze oude platen op de hipste festivals. In Berlijn, in Londen. Ze noemen het ‘hardhouse’ of ‘hardbounce’, of ze verzinnen er een hippe term voor, maar het is gewoon ónze muziek.’
Addy grinnikt. ‘Het is camp geworden. Cult. Ze zien ons als de grondleggers van een sound die weer helemaal terug is. De bpm’s gaan weer omhoog. 140, 150 bpm is tegenwoordig normaal in de techno. Dat is sneller dan wij toen draaiden.’
Koen vertelt over een ontmoeting met Joris Voorn, de Nederlandse technotrots die bekendstaat om zijn verfijnde, diepe producties. ‘We zaten in het vliegtuig naar Spanje. Zegt Joris ineens: “Koen, ik moet je wat bekennen. Ik draai af en toe stiekem wat oude dingetjes van jullie. Maar ik plak de labels af, zodat niemand ziet wat het is.” Dat is toch briljant? Vroeger durfden ze er niet met hun vingers aan te komen, nu is het hun geheime wapen om de zaal plat te krijgen.’
Terug naar het Gelredome. De klok tikt richting half acht. Koen staat klaar achter de hekken. Het publiek, dat net de eerste biertjes achter de kiezen heeft, weet niet dat de man die straks het podium opkomt, de werkelijke architect is van de nummers waarop ze al dertig jaar dansen.
Het verhaal van Paul Elstak en de Klubbheads is er een van een gouden samenwerking, maar ook van frictie. Want laten we eerlijk zijn: Paul Elstak is een icoon, een merk, een boegbeeld. Maar de Top 40-hits? Die hitgevoelige sounds die Rainbow in the Sky en Luv U More tot nationale volksliederen maakten? Dat was het werk van Koen en Addy. ‘Kijk,’ legt Koen uit in de woonkamer in Bleiswijk.
‘Paul is de hardcoreman. Hij maakte zijn platen voor de Energiehal. Rauw, hard, voor de gabbers. Maar Mid-Town, de platenmaatschappij, zag dat die melodieën potentie hadden. Ze wilden de radio op. Maar met een hardcorekick kom je niet op 3FM. Dus zeiden ze: “Geef die bandjes aan Koen en Addy, die commerciële ratten weten wel hoe je een hitje bouwt.”’
Addy: ‘Paul had de ideeën, absoluut. Hij kwam met de samples, met de melodielijn, maar wij maakten er liedjes van. Wij zorgden voor de structuur, de sounds, de afwerking. Wij haalden de zangeres erbij. Ingrid Simons, de moeder van Eva Simons, hebben wij geregeld voor Luv U More en daarna voor de andere hits. Paul kende haar niet eens, zij kwam bij ons over de vloer in de studio.’
In zijn biografie Life Is Like a Dance is Paul Elstak kritisch over die periode. Hij vertelt dat de samenwerking stopte omdat de Klubbheads een hoger royaltypercentage eisten en dat hij daarom het nummer Unity alleen moest maken – een nummer dat hij zelf mislukt vindt. Hij noemt het nu ‘logisch’ dat ze meer wilden, maar toen zag hij dat niet in.
‘Ruzie? Onzin!’ reageert Koen fel. ‘Natuurlijk, als je samen zes, zeven, acht hits scoort, dan ga je praten over de royaltyverdeling. Dat is business. Maar we zijn nooit met ruzie uit elkaar gegaan. Hij wilde het zelf gaan doen. Hij wilde onafhankelijk zijn. Prima. Maar dat wij hem hebben laten vallen? Nee.’
Toch zit er nog steeds een stukje pijn, al heeft dat niet met Paul zelf te maken. Het gaat over zijn hit The Promised Land. Die plaat kwam volledig uit de koker van de Klubbheads, zoals Paul ook ruiterlijk erkent in zijn boek. Maar Koens gezicht betrekt als die plaat ter sprake komt. ‘Daar is een rechtszaak over geweest. En die hebben we verloren. Dat steekt nog steeds.’
Het verhaal is complex, zoals alles in de muziekindustrie. Het draait om auteursrecht. Wie heeft wat bedacht? ‘Er waren twee heren met wie we weleens wat deden, die claimden dat zij een deel van de melodie en de tekst hadden geschreven,’ vertelt Addy. ‘Terwijl wij wisten: dat is niet zo. Jan Voermans schreef de bridge waar het om ging letterlijk in de auto.
Ik zat naast hem, het was mooi weer, en ik riep: “The sky is filled with lovely colors.” Jan pende het neer en schreef de rest erbij. Zo is het gegaan. Maar de rechter dacht waarschijnlijk: ach, die jongens van Elstak, die maken misbruik van het talent van anderen. We hebben het verloren. Er stonden ineens andere namen bij de credits. Terwijl het gewoon niet klopt.’
Hij zwijgt even. ‘We hadden in hoger beroep kunnen gaan. Maar het kostte zoveel energie. We hebben het laten rusten. Maar als ik die plaat hoor... Ja, dan voel je dat wel even.’
Eigen voorprogramma
Wat weinig mensen in het Gelredome weten, is dat Koen en Addy niet alleen de Klubbheads zijn. In de jaren negentig en nul waren ze een fabriek. Een hitmachine die platen uitspuugde in een tempo waar een lopende band jaloers op zou zijn. Omdat de markt Klubbheads-moe zou worden als ze elke week een plaat uitbrachten, verzonnen ze alias na alias. Hi_Tack, voor de cover van Say say say van Michael Jackson en Paul McCartney, DJ Disco, The Ultimate Seduction en Drunkenmunky. En DJ BoozyWoozy.
‘BoozyWoozy was eigenlijk een grap,’ vertelt Addy. ‘We wilden commerciële producers worden en daar onze eigen namen voor gebruiken. Dus bedachten we die naam voor de credits. IttyBitty was ik, BoozyWoozy was Koen. Lekker gek. Maar toen werd Party Affair ineens een enorme hit, nummer 5 in de Top 40. En toen moest BoozyWoozy optreden.’
Het leidde tot bizarre situaties. Koen: ‘Stonden we ergens geboekt. Hing er buiten een poster met koeienletters: BOOZYWOOZY. En daaronder in een lettertype dat je met een vergrootglas moest zoeken: ‘a.k.a. Klubbheads’. Jan werd daar helemaal gek van. “Godverdomme,” riep hij dan. “Zijn we nu ons eigen voorprogramma?”’
Het vele produceren had ook een keerzijde. De artistieke erkenning bleef uit. Ze waren de jongens van de ‘plastic muziek’. ‘Ik wilde rond 2010 een serieuze technocarrière starten,’ vertelt Koen. ‘Onder mijn eigen naam: Koen Groeneveld. Donkere platen, geen vocals, gewoon beuken. Dat ging best goed. Ik werd geboekt op Awakenings. Het technowalhalla. Ik dacht: nu ben ik binnen, nu word ik serieus genomen.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Toen de line-up bekend werd gemaakt, stroomde het forum van Awakenings vol met haatreacties. “Wat moet die pannenkoek van de Klubbheads hier? Die BoozyWoozy-clown? Er zijn honderd betere techno-dj’s!” De organisatie schrok zich rot. Ik heb er gedraaid, het ging top, de zaal ging los. Maar ik ben nooit meer teruggevraagd. Het stigma was te sterk.’
Zelfs David Guetta, de man die commercie tot kunst verhief, belde ooit. ‘Ik zat in de auto,’ vertelt Koen. ‘Anoniem nummer. “Hello, this is David.” Ik dacht dat ik in de maling werd genomen. Hij wilde een remix van zijn plaat Sexy Bitch met Akon. Maar hij had één verzoek: “Can you put the whole song in the break?”
Ik weigerde. Ik zei: “David, ik ben nu techno, dat kan ik niet maken.” Achteraf denk je: wat een lul was ik. Ik heb nee gezegd tegen David Guetta vanwege mijn zogenaamde integriteit. Uiteindelijk is hij wel verschenen, de Koen Groeneveld-remix. Hij staat ook op zijn YouTube. Ik heb het vinyltje laatst voor veel geld op Discogs teruggekocht. Voor de verzameling.’
Terug in Arnhem. Het is acht uur geweest. Koen heeft zijn set gedraaid. Het stadion was al goed vol, de mensen die er waren, gingen los. De oude hits – Klubbhopping, Here We Go, maar ook The Launch van DJ Jean, die zij ook produceerden – werken nog steeds. Koen loopt naar de vipruimte, boven in het stadion. Hij hoopt op een weerzien met oude bekenden, misschien wat schouderklopjes, een gratis biertje. De realiteit is weerbarstiger.
De vipruimte blijkt een veredelde kantine waar mensen die extra hebben betaald voor hun kaartje, zelf hun drankjes moeten afrekenen. Paul Elstak komt hier pas drie uur later, na de show. Maar dan wordt Paul direct weer opgeslokt door zijn eigen entourage, door mensen die iets van hem willen. Koen staat erbij. Hij hoort er wel bij, maar ook weer niet. ‘Paul moet handtekeningen zetten, op de foto.’ Hij besluit niet lang te blijven.
Een andere planeet
Terwijl Koen zijn spullen pakt om naar huis te rijden, mijmert hij over de plekken waar ze wél als koningen werden behandeld. Niet in Arnhem, niet in Amsterdam, maar in Rusland. ‘Rusland, man... Dat was als van een andere planeet.’ Waar de Klubbheads in Nederland moesten vechten voor erkenning, ontploften ze in het Oosten.
‘We kwamen daar voor het eerst in Sint-Petersburg. Het vliegveld was een boerenschuur met een bagageband die werd aangedreven door een hamster, bij wijze van spreken. Het was armoede, grauw, gevaarlijk. Maar die mensen... Die hadden jarenlang onder het juk van het communisme geleefd. Die wisten niet wat hen overkwam toen ze housemuziek hoorden. Die gingen zó los. Dat heb ik in Nederland nooit gezien.’
‘Een Russische clubeigenaar wilde ons wat laten zien. We reden naar een vaag gebouw, bleek het zijn privébordeel te zijn. Hij had al meisjes opgetrommeld, speciaal voor ons’
Ze werden rondgereden in zwarte limousines over wegen vol gaten. Ze sliepen in hotels waar de kranen roestwater spuwden, maar waar de champagne rijkelijk vloeide. Addy: ‘Ik herinner me een keer dat een clubeigenaar ons meenam. “Ik wil jullie wat laten zien,” zei hij. We reden naar een of ander vaag gebouw. Bleek het zijn privébordeel te zijn. Hij had al die meisjes opgetrommeld en in glazen hokjes gezet, speciaal voor ons. Wij liepen daar, twee jongens uit Rotterdam, door die gangen. “Kies maar uit,” was de boodschap. We wisten niet hoe snel we weer naar buiten moesten. Bizar. Dat soort dingen verzin je niet.’
Jarenlang was Rusland hun melkkoe. Grote shows, stadions vol, live op televisie. ‘We playbackten alles,’ bekent Koen. ‘Stond ik daar met een keyboard dat niet was aangesloten, en Hugo Langras – onze MC – stond te rappen in een microfoon die uit stond. En tienduizend Russen die uit hun dak gingen. Geweldig.’ Sinds de oorlog in Oekraïne is het voorbij. ‘Ik krijg nog steeds aanvragen,’ zegt Koen. ‘Maar ik doe het niet. Het voelt niet goed. En praktisch is het omslachtig. Alleen via Dubai of Istanbul kom je er nog... Het is jammer, want die mensen daar kunnen er ook niks aan doen. Maar voorlopig is dat boek dicht.’
Geen luxe, geen flauwekul
Zaterdag 13 december 2025. Een maand na het Gelredome. De wereld ziet er weer heel anders uit. Geen stadion, geen nostalgische gabbers. We zijn in Amsterdam, op het terrein van Thuishaven. Het Winter of Love-festival. Tussen de kranen en het industriële spoor van de Amsterdamse binnenhaven. Het publiek loopt uiteen van twintigers tot zestigers met zonnebrillen (in de winter), wijde broeken en een vage blik in de ogen.
Dit is de ‘incrowd’; de mensen die bepalen wat hip is. Koen moet draaien in de circustent. Geen luxe kleedkamer hier. Als hij moet plassen, moet hij net als de rest naar de ‘gewone’ Dixi-toiletten. ‘Dit is kleinschaliger,’ zegt hij, terwijl hij zijn USB-stick in de speler duwt. ‘Geen luxe, geen flauwekul. Maar dit vind ik misschien wel leuker dan zo’n stadion.’
Het is tien uur. Koen begint. Waar houselegende Lucien Foort en Alexander Koning die avond in de loods Da Klubb Kings draaien met It’s Time 2 Get Funky – een plaat van Koen en Addy – is hij zelf voorzichtiger. Geen Klubbhopping op 150 bpm, maar een diepe, rollende houseset rond de 130 bpm. Hij past zich moeiteloos aan.
Hij leest de zaal, ziet wat de heupen doet bewegen. En verdomd, als hij er halverwege de set een vertraagde, bewerkte versie van een oude Klubbheads-plaat ingooit, gaat het dak eraf. De hipsters dansen op de muziek die hun ouders in de jaren negentig ‘fout’ vonden. De cirkel is rond.
‘Ze noemen me nu een godfather,’ had Koen in Bleiswijk gezegd, met lichte spot in zijn stem. ‘Ze boeken me voor de eer. Zo van: laten we die opa eens uitnodigen, leuk voor de sfeer. En dan denken ze: nou, dat was lollig, en dan gaan ze weer verder met hun eigen kliekje.’ Hij klinkt niet verbitterd, eerder realistisch. Hij weet hoe het werkt. Hij heeft de top gezien, de bodem, en alles daartussenin.
Terwijl hij in de circustent de laatste plaat instart, kijkt hij de zaal in. Hij ziet de bezwete gezichten, de gesloten ogen, de handen in de lucht. Voor even is het geen 2025, geen 1995, maar gewoon ‘nu’. Het gaat niet om de royalty’s, niet om de rechtszaken, niet om de erkenning van Awakenings. Het gaat om die ene beat, die ‘bamboo bass’, die na dertig jaar nog steeds precies doet wat hij moet doen: de mensen laten bewegen.
In Bleiswijk zit Addy waarschijnlijk op de bank. Misschien kijkt hij Netflix, misschien slaapt hij al. Hij heeft vrede met zijn keuze. De stilte van het rijtjeshuis is hem liever dan de herrie van de circustent. Maar hier, bij het desolate industriegebied, is Koen Groeneveld nog lang niet klaar. Hij pakt de microfoon – die nu wél aanstaat – en roept het nog één keer: ‘Here we go!’ En verdomd. Ze gáán.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct