James Worthy
Column

James Worthy: 'In een gevangenis is het enger als de deur van je cel openblijft'

'De deur staat wagenwijd open. Ik kan dit niet. Vrijheid is voor mij de duivel'

James Worthy
Column James Worthy

Ik kom hem tegen voor de kroeg. Hij staat een jointje te rollen naast de uitsmijter. De uitsmijter, een cycloop met een even aantal ogen en een matje in zijn nek, wil iets zeggen, maar durft het niet. Ik heb hem al vijf jaar niet gezien. De laatste keer dat ik hem zag, had hij het over een rechtszaak, iets over een overval. We zaten samen op voetbal. Hij was de spits en ik de laatste man. Hij ziet er anders uit. Vroeger was hij een schuursponsje, maar nu zie ik alleen nog maar schuurpapier. Het sponsje is weg. Alle zachtheid is verdwenen. Als kind zat er iets bruisends in zijn ogen, nu is de prik er volledig uit. Zijn pupillen drijven in lauwe, platte cola.

‘Jou heb ik lang niet meer gezien. Je bent ook nooit echt op bezoek gekomen,’ zegt hij. Hij knuffelt me, hard, zo hard dat ik in de binnenzak van zijn jas een mes kan voelen zitten. Het mes past precies tussen de ruimte van mijn linker tepel en mijn kin in. 

‘Ik wilde wel op bezoek komen, maar het is er gewoon niet van gekomen,’ lieg ik. Ik haat het dat ik niet ben gegaan. Op een paar ochtenden stond ik op het punt om naar de gevangenis te fietsen, maar er kwam altijd iets tussen.

‘Ik zie er wel slimmer uit dan vroeger, toch?’ vraagt hij. ‘Ik heb veel geleerd tijdens mijn straf. Ik heb veel nagedacht en veel gelezen,’ vervolgt hij.

‘Wat heb je allemaal geleerd dan?’ vraag ik.

‘Weet je wat het bijvoorbeeld is in een gevangenis? In een gevangenis is het enger als de deur van je cel openblijft. Als ze hem niet sluiten. Dat is gek, toch? Daarom vind ik het hierbuiten ook zo eng. In een cel met een dichte deur kan niemand naar binnen komen. Niemand kan je overhalen of bedreigen. Niemand kan je een plan vertellen over een overval. Niemand kan je neersteken met een zelfgemaakt steekwapen.’

Hij neemt een trek van zijn joint en blaast de rook in mijn richting. In de rookwolk droom ik even weg en denk ik aan vroeger. Toen we nog jongens waren. We renden samen over een voetbalveld. Hij viel aan en ik hield tegen. We hadden nog een heel leven voor ons. Maar de rook trekt weg. We kijken elkaar aan. We zijn weer gewoon mannen.

‘De volgende keer moet je echt op bezoek komen, oké?’ vraagt hij.

‘Komt er een volgende keer dan?’

‘De deur staat wagenwijd open. Ik kan dit niet. Vrijheid is voor mij de duivel. Ik ben uit de baarmoeder, weet je wel? Je moet echt langskomen, man.’

‘Ik beloof het,’ zeg ik.

We knuffelen elkaar. Het mes zit er nog steeds.