De crash van 1929
De economische malaise begon op 'Black Tuesday,' 29 oktober 1929, toen de aandelenmarkt instortte. Het financiële vertrouwen verdampte, wat leidde tot een massale run op banken. Mensen haalden in paniek hun spaargeld weg, waardoor banken bezittingen moesten verkopen en velen failliet gingen.
Miljoenen Amerikanen verloren hun spaargeld en de kredietverlening stopte vrijwel volledig. Zowel huishoudens als bedrijven kwamen in een diepe crisis terecht, wat het begin markeerde van een zware periode die de hele wereld zou beïnvloeden.
Boeren in de frontlinie
De Amerikaanse boeren werden uitzonderlijk hard getroffen. In de jaren '20 hadden velen met geleend geld hun land uitgebreid en machines gekocht. Deze schulden werden een molensteen om hun nek toen de graanprijzen kelderden. Tarwe, ooit bijna 3 dollar waard, kostte in 1932 nog maar 30 cent.
Een reeks van droogtes en de daaropvolgende stofstormen, bekend als de 'Dust Bowl,' verergerde de situatie. Zonder inkomen en met hoge schulden verloren tussen 1929 en 1933 ongeveer een derde van de Amerikaanse boeren hun boerderij door gedwongen verkoop.
Solidariteit door penny auctions
Als reactie op de massale faillissementen ontstond er een unieke vorm van verzet: de 'penny auction.' Wanneer een bank de in beslag genomen boerderij veilde, spanden buren samen. Ze boden slechts enkele centen op de te veilen items en intimideerden eventuele externe bieders, soms zelfs met openlijke dreigementen. Soms werden er zelfs lussen achter de veilingmeester opgehangen ter intimidatie.
De winnaar van de veiling gaf de eigendommen vervolgens terug aan de oorspronkelijke eigenaar. Hoewel illegaal vanwege prijsmanipulatie, was deze praktijk een krachtig symbool van gemeenschap en solidariteit. Pas met de economische impuls van de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan de depressie en deze opmerkelijke protestacties.