Frank neemt plaats op een houten stoel in het zelfgebouwde dakhuis op een voormalig winkelblok in Utrecht Overvecht. Het kamertje, waar ook de ketel staat, is enkel te bereiken via een smalle houten trap. De snelheid waarmee Frank omhoogklimt, verraadt dat ie dit kunstje dagelijks flikt. Vijf minuten eerder liet hij de benedenverdieping zien waar een handjevol vluchtelingen uit allerlei landen een naaiatelier bestiert, naast een kringloopwinkel die wordt gerund door vrijwilligers. ‘Ik woon in een woongroep met drie families, drie singles en vijf vluchtelingen. Eerst konden we het tijdelijk huren, maar vijf jaar geleden hebben we het hele pand met elkaar gekocht.’
Dit deel van Overvecht kleurt vijftig tinten grijs en het druilerige weer voegt daar nog eens een tint aan toe. Des te opvallender zijn de plukjes groen rondom het huizenblok van Frank, net als het pleintje met bomen waar hij op uitkijkt. Daar zit een verhaal aan vast. ‘De gemeente wilde het plein volbouwen met koopwoningen, wat we ontdekten toen we hier zelf een gebouw gingen kopen.
Ik heb meteen een WOB-verzoek ingediend en alle informatie over woningverdichting in de wijk opgevraagd. We huurden een bureau in dat ons en onze buren hielp om een groen alternatief te tekenen. Net op tijd hebben we het plein weten te redden. Er zijn nieuwe flats gebouwd, maar er is nog leefruimte over. Dat avontuur heeft ons vrienden in de buurt opgeleverd.’
Monster gecreëerd
Frank noemt zichzelf een trendwatcher die wil weten hoe machten en structuren werken, en wat dat voor ons persoonlijk betekent. Hij richt zijn pijlen daarbij op ontwikkelingen binnen de economie, technologie, religie en geschiedenis. Volgens hem is het technische denken de kern van het probleem. ‘Het idee is: met hulp van techniek verbeteren we de wereld. Bij techniek denken we vaak aan een computer of een telefoon, maar er zit een heel systeem achter, van fabrieken die grondstoffen nodig hebben tot consumenten die meer spullen willen en investeerders die willen dat big tech groeit.
We bedoelen het allemaal goed, maar toch vormen we samen een systeem dat altijd moet blijven groeien en langzaam de wereld kaalvreet. Met een mechanische kijk op de wereld proberen we alle grenzen te slechten, ook in ons lichaam. Sociale relaties spelen zich steeds vaker digitaal af.
‘In mijn journalistieke werk probeer ik te achterhalen hoe deze processen precies werken. En thuis, in het klein, probeer ik te onderzoeken of het ook anders kan. Verandering begint altijd klein, van onderaf. Ik ben geïnspireerd door de Franse denker en socioloog Jacques Ellul. Zijn motto is: think global, act local. Ik denk niet dat we de boel kunnen veranderen met een andere politiek of nóg meer technologie. Dan blijven we alles zien als een technisch probleem dat we moeten fixen. Nee: ons hart moet veranderen.
Ten diepste wil niemand ecologische uitputting, maar we gaan mee in het consumentisme omdat we méér willen, in de hoop dat het hebben van meer spullen ons gelukkig maakt. Niemand wil militarisering, maar we zijn allemaal bang voor de vijand en daarom bombarderen we vijandelijke regimes. We kúnnen ons niet uit de problemen organiseren, we moeten zélf de dingen anders aanpakken. Dat begint dus in het klein.’
Zoals leven zonder smartphone?
‘Bijvoorbeeld. Niet dat dit iets oplost, maar het helpt me wel om anders in de wereld te staan. De smartphone is namelijk een tool die onze manier van leven en denken technischer maakt. De smartphone helpt bedrijven om meer geld uit ons te trekken en staten om ons meer in de gaten te houden. Uiteindelijk zal ook ik niet meer zonder kunnen, maar ik wil de laatste zijn die er een heeft. Momenteel heb ik een simpel Nokia’tje, want ik wíl helemaal niet makkelijker leven, ik wil langzamer leven.
‘Ik spreek veel mensen die graag minder met hun smartphone bezig zouden zijn, maar ondertussen bouwen we een samenleving waarin je alles met dat ding moet regelen. Laatst werd ik met mijn kinderen geweigerd bij een museum omdat ik geen tijdsslot had geboekt. Dat mocht ter plekke alsnog, online, maar dat kon ik dus niet.
Uiteraard ben ik fan van de beweging smartphonevrij opgroeien, maar een smartphonevrije school is ingewikkeld als je een smartphone nodig hebt om je frikandelbroodje te betalen of je cijfers in te zien. Je hebt een smartphone nodig om te mailen, te bankieren, in te loggen in de cloud, de weg te vinden, maar ook om alle school- en zorgplatforms bij te houden. Dat zal alleen maar toenemen. De Europese Unie wil dat iedereen een digitale identiteit krijgt, een e-wallet, en dat we digitaal geld gaan gebruiken. Privacy- en technologie-experts maken zich hier grote zorgen over, ook omdat de macht in een digitale samenleving makkelijk gecentraliseerd kan worden.
'Leven zonder smartphone is omslachtiger, maar helpt me wel om mijn hoofd gezond te houden. Geen continue stroom aan sociale media en nieuws’
‘Laatst kocht ik voor een concert in Ziggo Dome een ticket dat ongeldig was als ik het zou printen, ik mocht het alleen op m’n smartphone laten zien. Leven zonder smartphone is omslachtiger, maar helpt me wel om mijn hoofd gezond te houden. Geen continue stroom aan sociale media en nieuws, geen verleiding om te gaan schaken of porno te kijken waar je niks aan hebt. Ik ben journalist dus wil graag op de hoogte blijven, maar ook zelf de regie houden. Nog iets anders: actief zijn op sociale media haalt iets narcistisch in mij naar boven. Dan wil ik m’n stukken retweeten, kijken hoe goed ik word gelezen, hoeveel volgers ik heb.’
Je hebt vier kinderen, van wie drie tieners. Hoe streng ben je hierin voor hen?
‘Onze dochter van twaalf wil zo snel mogelijk een telefoon, die ze pas dit jaar kreeg. Ze mag niet op sociale media, we hanteren een schermtijd en vragen geregeld wat ze die dag online heeft gedaan. Onze zoon van vijftien heeft de hele onderbouw zonder smartphone doorgebracht, overigens op eigen verzoek.
Drie jaar geleden zei hij: “Ik wil geen smartphone, want ik voel dat ik er verslaafd aan raak.” Dapper, zeker voor iemand die van games houdt. Momenteel mag hij een paar weken niet gamen omdat hij eerst fysieke buitenactiviteiten moet verzinnen. Hij zou zelf iets organiseren, qua sport, werk of vrienden, en dat deed hij niet omdat gamen blijkbaar aantrekkelijker is. Hij snapt de consequentie.
‘Mijn oudste zoon heeft altijd een smartphone gehad. Ook hij zit niet op sociale media en hij zet z’n scherm op zwart-wit. “Dan zijn de filmpjes minder leuk.” Ze zijn bezig met programmeren, met opensourcedingen oplossen om minder afhankelijk te zijn van big tech. Ik kan mijn kinderen geen normen opleggen, maar wel waarden meegeven, dat is veel belangrijker. Hoe ze dat invullen, moeten ze zelf ontdekken.’
Nog even: hoe navigeer jij zonder smartphone?
‘Ik heb een oude stratengids, of ik kijk op Google Maps en teken het over.’ Pakt er een tekening bij. ‘Kijk, dit is de route naar Genève, daar moest ik onlangs heen voor een reportage. Vroeger deed iedereen dat zo. Maar we verleren het snel.’
Geen idealist
Frank groeide op in Brabant, als oudste van zes kinderen. ‘Mijn ouders hadden ook jaren een vluchteling in huis; in die zin ben ik opgegroeid met het verdriet van de wereld, ook al omdat mijn broertje overleed toen ik acht was. Het gewone burgerlijke leven is niet het goede leven, wist ik al snel. Toen ik trouwde, kenden we veel vluchtelingen en zo kwamen we op het idee om te gaan samenwonen. We geloven in God en dat we alles hebben gekregen om te delen.
We begonnen met een woongroep, bij wijze van experiment, niet vanuit idealisme. Idealisme heeft een scherpe kant; een idealist laat zich leiden door een idee, hij ziet een perfecte wereld voor zich waar hij naartoe werkt. Daarmee zit je al snel anderen én jezelf in de weg omdat je altijd tekortschiet, en het gevaar is dat je anderen oordeelt of zelfs uitsluit. Wij mikken in onze woongroep vooral op een bepaalde levensstijl. We vertellen niet hoe onze buren moeten leven, maar sommigen vinden onze levensstijl leuk en gaan meedoen.’
Wat leer je van het leven in zo’n woongroep?
‘De vreugde van het samenleven. We huilen hier meer, maar lachen ook meer. Voorbeeldje: vanwege een handicap loopt mijn dochter slecht. Momenteel woont er een meisje uit Ethiopië zonder verblijfstatus of werk bij ons, zij heeft soms tijd om met mijn dochter naar de supermarkt te lopen, Engels te oefenen en iets lekkers te kopen. Mijn dochter leeft dus in een vreugdevolle omgeving waar mensen tijd hebben om aandacht aan haar te besteden! Een feest.
‘Of neem de levenservaring van bewoners. Yassin, de kapper die je net beneden tegenkwam, heeft de basisschool niet eens afgemaakt, maar in de Irak-oorlog heeft ie wel koeien over de Iraanse grens gesmokkeld, én hij knipt m’n kinderen. Ik kan hem niet uitleggen wat voor werk ik doe, maar toch is hij een van mijn beste vrienden! Ik weet zeker dat ik hem over dertig jaar nog steeds spreek, hij blijft me trouw.
Met intellectuele vrienden praat ik over boeken, maar Yassin kan me alles vertellen over interne conflicten in Koerdistan, over hoe hij omgaat met het missen van zijn familie, of met zijn depressie. Een andere huisgenoot is zeven keer de Middellandse Zee overgestoken, heeft meerdere keren schipbreuk geleden en in meerdere Libische gevangenissen gezeten. Mijn huisgenoten weten véél meer van de wereld dan ik.’
Vredige wereld
Als Frank bij De Groene Amsterdammer of met andere collega-journalisten spreekt over onderwerpen als kernwapens, geopolitiek, AI of grondstoffen die uitgeput raken, ziet hij journalisten weleens moedeloos worden; is er dan echt geen goed nieuws te melden? ‘Steeds meer mensen beginnen te zien dat onze manier van leven zorgt dat de wereld vastloopt. Het is crisis op allerlei vlakken.
Misschien donderen we eerst met z’n allen de afgrond in, want we vreten de aarde compleet op en mensen worden tegen elkaar opgezet, maar toch geloof ik dat de liefde uiteindelijk overwint. Dat haal ik uit mijn geloof. Het christelijk geloof wordt vaak moralistisch opgevat, alsof het draait om regels om een goed mens te worden. Maar voor mij gaat het over vertrouwen dat we eruit komen. Ik geloof dat er een andere wereld komt, waar vrede en recht heerst.
Dat gáát gebeuren, het goede gaat winnen, want God heeft de geschiedenis in zijn hand. Daarom hoef ik de wereldproblemen niet op te lossen. Als ik dat tegen collega’s zeg, moeten ze weleens lachen; wow, hij gelooft dat blijkbaar écht?! Voor mij is het een manier om uit te leggen dat de crisis waarin we ons bevinden te maken heeft met spiritualiteit, met waar we op vertrouwen.’
Want uiteindelijk, zegt Frank: iedereen heeft goden. ‘Sommige mensen geloven heilig dat technische vooruitgang ons voorspoed en macht zal brengen, of dat we door harder te groeien alle problemen kunnen oplossen. Ondertussen liggen die beloftes altijd in de verre toekomst. Heel religieus, eigenlijk.’
Frank wil niet meedoen aan het groeisysteem waar de aarde onder gebukt gaat. ‘Mijn neiging is dus om zo weinig mogelijk geld te hebben. Het geldsysteem is onrechtvaardig, inherent scheef. Er vloeit kapitaal van arm naar rijk, wie kapitaal heeft, verdient meer dan wie arbeid levert – het Piketty-verhaal, is gewoon uitgerekend. Helaas heb ook ik geld nodig, maar ik probeer de macht ervan uit te lachen door geld weg te geven, een envelop bij iemand in de bus te stoppen als z’n auto kapot is.
Tegelijk voel ik ook de spanning; het voelt maatschappelijk superonverstandig om geen vermogen op te bouwen. Wat als ik ziek word, of mijn vrouw? Zetten we iets opzij voor de studie van onze kinderen? Deels is het ook een keuze vanuit mijn geloof, want Jezus zegt: “Deel uit van wat je hebt, laat alles achter en volg Mij.” Als ik écht in hem geloof, waarom doe ik dát dan niet? Maar goed, ik wil niet met een nieuwe morele regel komen, hè. Ik heb de waarheid niet in pacht en probeer ook maar iets te doen met die onmogelijke opdracht van Jezus.’
Ook vanuit een verantwoordelijkheidsgevoel richting je kinderen?
‘Waar hebben ze meer aan: dat ik ze geld meegeef, of goede waarden om goed met geld om te gaan en uit te kunnen delen? Ik hoop dat laatste. We wonen klein, ze moeten allemaal een kamer delen, terwijl hun vrienden een eigen kamer hebben. Ik heb weleens gevraagd: “Heb je liever een eigen kamer, of de woongroep?” Dan kiezen ze voor de woongroep. Ze hebben interessante mensen uit andere culturen om zich heen, een groot huis waar altijd wat te beleven is, een tweedehandswinkel aan huis – wat is er nou leuker? Mijn zoon ging dit jaar in India studeren en ontdekte bij aankomst dat er nog iemand anders in zijn kamer woont, zelfs in z’n bed slaapt. Hij kon daarmee omgaan, omdat hij gewend is te delen.
‘Mijn vrouw werkt drie dagen betaald, ik denk dat ik ook zo’n drie dagen betaald krijg voor alles wat ik doe. Voor de taken en activiteiten in ons huis en in de buurt krijgen we niet betaald. We rekenen uit wat we nodig hebben en proberen verder niet te veel over te houden.’
Maar hoe heb je dan je woongroep gekocht?
‘We hebben vrienden gevraagd om ons 1000 euro te lenen. Zo hebben we meer dan twee ton opgehaald. Verder kregen we leningen van een kerk, een fonds, een gemeente en een bank. We betalen het geleende geld af met sociale huur. Niemand van ons heeft een aandeel en we hebben vastgelegd dat niemand er ooit iets aan mag verdienen.’
Aardige vrienden heb je. En wat als je wasmachine stukgaat?
‘Dat lossen we op met elkaar. Anderzijds: onze deelauto hapert nu en het is spannend of we een andere kunnen kopen. Maar we zijn niet alleen, het komt dus altijd goed.’
En hoe zit het met je pensioen?
‘Ik ben freelancer en bouw geen pensioen op – mijn vrouw overigens wel. Overigens vertrouw ik het hele pensioensysteem niet; het verplicht de economie tot groei, en pensioenen worden vaak belegd in bedrijven die de wereld lelijker maken. Een mevrouw van een verzekeringsmaatschappij vertelde mij eens aan de telefoon dat ik een pensioengat had. Dat zei me niks, dus legde zij uit dat ik na mijn pensioen niet genoeg zou hebben om aan mijn uitgaven te voldoen.
Ik zei: “Ik heb vrienden, huisgenoten zelfs, met schulden. Zou ik dan nu geld opzijzetten omdat ik over veertig jaar misschien een gat heb? Zij hebben nú een gat, dus kan ik m’n geld beter in hen steken.” “Wat nobel,” zei ze. “Nee,” reageerde ik, “dat is gewoon slim. Over veertig jaar is mijn pensioen er misschien niet meer, maar heb ik wel vrienden die voor me willen zorgen.”’
Kan je boos worden als je ziet hoe het met de wereld bergafwaarts gaat?
‘Niet boos, wel verdrietig. We kennen zoveel mensen die klem zitten, die kampen met armoede, of depressie. Tegelijk: ik weet dat het niet goed gaat met de wereld, maar ik kan daar niks aan doen. Uiteindelijk ben ik niet verantwoordelijk voor het oplossen van die problemen. Ik ben alleen verantwoordelijk voor mijn eigen keuze: steek ik tijd en energie in spullen of relaties?’
Als jouw levensstijl geen grote effecten heeft, waarom doe je het dan?
‘Dat zie ik als opdracht die ik als gelovige heb meegekregen. En ik ken genoeg niet-gelovigen die hetzelfde ervaren en dan werk ik vrolijk samen.’
Welke bewuste levenskeuzes die jij maakt doen daadwerkelijk pijn?
‘Leven in een woongroep, dicht op elkaars huid, kan heel intens zijn. In ons woonblok hebben we een eigen appartement, maar we eten vaak samen en spreken elkaar veel. Een goede vriend van me, een oud-huisgenoot, is net teruggevallen in zijn alcoholverslaving. Hij slaapt nu in het park in de vrieskou, maar hij kán hier gewoon niet wonen omdat hij te veel kapotmaakt, op relatievlak. Dat voelt als falen, ik kan hem ondanks alle goede bedoelingen niet redden.’
Welke kant moet het op met de wereld, Frank?
‘In het Gandhi-museum in India zag ik de spreuk: doel en middel moeten inwisselbaar zijn. Dat lijkt me een mooie test voor de levensstijl die je kiest. Als je vrede wilt, krijg je dit niet met geweld. Als je een solidaire samenleving wilt, begint dat met vriendschappen, niet met concurrentie, enzovoorts. Kortom: jouw doel moet tegelijk je middel zijn. Geld verdienen om zo een eerlijker samenleving te krijgen, is dus niet de weg. Wapens kopen om vrede te bewerkstelligen ook niet.’
Ben je pacifist?
‘Ik heb weinig met zulke labels, want dan schets je weer een ideaalplaatje. Maar ik zal altijd zoeken naar een uitweg via zo min mogelijk geweld. En ik zie het als taak om altijd naar tegenstemmen te luisteren in een tijd van wapenproductie.’
Als Oekraïne niet had teruggevochten, was het nu Russisch gebied.
‘Klopt. Tegelijk: Jezus kwam ook niet in opstand tegen de Romeinse bezetting. Dus als ik écht Jezus wil volgen, moet ik misschien accepteren dat ik verlies. Dat is mogelijk niet te verenigen met het beschermen van een natie. Ik wil niet voorschrijven hoe de Oekraïners moeten leven, ik kan alleen naar mezelf kijken. Overigens spelen we in een tijd van kernwapens wel met vuur door oorlog te voeren. Ik weet niet zeker of het huidige pad van bewapening wél goed gaat uitpakken voor het beschermen van welke natie dan ook.’
‘Ik hoop dat mijn kinderen weerstand kunnen blijven bieden tegen de zuigkracht van geld en techniek’
Wat hoop jij je kinderen aan levenswijsheid mee te geven?
‘Ik hoop dat ze weerstand kunnen blijven bieden tegen de zuigkracht van geld en techniek. Die oudste zoon van ons die nu door India reist, is ook een dwarsdenker, net als z’n vader. Hij denkt: jullie hebben mij m’n hele leven over het christendom verteld, maar hoe kan ik nou beoordelen of dat waar is? Ik wil naar een plek zonder christenen. Hij heeft een sceptische inborst, maar wil waarachtig leven en niet in makkelijke praatjes geloven. Die waarachtigheid hebben we hem proberen mee te geven. Ik hoop dat ook hij gaat geloven dat het goede gaat winnen. Dat maakt het leven namelijk prachtig!’
Bio
Frank Mulder (1978) is journalist en schrijver voor onder meer Filosofie Magazine, Trouw en De Groene Amsterdammer. Hij studeerde geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht. Sinds 2009 woont hij in woongemeenschap Overhoop, samen met zijn vrouw en vier kinderen. In 2015 schreef hij het boek De geluksmachine, over hoe we steeds meer leven in een zelfgebouwde, technische wereld.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct