Mens & Maatschappij

Van miljonair tot boterhamman: 'Zonder eten gaan ze niet naar school'

Ruig was het leven van Johan Muurlink (57), de boterhamman van Rotterdam. Zo ruig, dat hij er eigenlijk niet eens meer zou zijn geweest. Maar hij is er nog, na een leven als dakloze én als miljonair. Als boterhamman is hij tegenwoordig onmisbaar voor honderden kinderen in het armere deel van Rotterdam. Omdat hij dagelijks met een ploeg vrijwilligers brood voor ze smeert.

Anton Slotboom
economie
Johan Muurlink

Hoe misleidend is een voorkomen? Een baard, tatoeages, een vlijmscherpe blik, stoere kleding. En al is hij niet eens bijster groot, als deze oer-Rotterdammer voor je staat, torent hij tóch een beetje boven je uit. Al is het maar voor je gevoel. Het is meteen duidelijk: hier staat een man met het hart op de tong, die je in de verste verte niet voor de gek kunt houden. Stoer, sterk, mondig, een indrukwekkende verschijning. Dat het huilen deze man soms nader staat dan het lachen: daar kom je pas na een tijdje achter. ‘Hier in Rotterdam zeggen we natuurlijk wel waar het op staat,’ zegt hij half-lachend. 

Zoals nu dus, op een winterse ochtend in Rotterdam-Zuid. Johan Muurlink staat voor het schoolgebouwtje waar zijn stichting Niet graag een lege maag in is gevestigd. Hij is hier vandaag al om zes uur ’s ochtends aangekomen, de vrijwilligers een uur later. In dit pand heeft hij een keuken gebouwd waarin hij met zijn ploeg van 25 vrijwilligers elke schooldag ’s ochtends vroeg 2500 boterhammen smeert. Zodat achthonderd kinderen op 22 scholen wél te eten hebben. Maar ja, dit gebouw heeft z’n langste tijd wel gehad. ‘En een nieuwe plek hebben we nog niet gevonden.’

Johan belegt de broodjes met liefde.

Dat bezorgt hem dus slapeloze nachten, want waar moet Muurlink dán heen, met zijn trouwe ploegje smeerders? Vloeken zal hij niet, dat doet hij al jaren niet meer. Je zou het verwachten als je naar hem kijkt, maar nee, absoluut niet. Dan kijkt Muurlink de parkeerplaats over, kijkt om zich heen, wijst naar lokalen waar ooit de kinderstemmen galmden, vertelt hoe duur het is om zo’n grote, professionele keuken aan te leggen. Dan herpakt hij zich. ‘Het komt helemaal goed,’ zegt hij dan, meer tegen de verslaggever dan tegen zichzelf. ‘Ik doe dit al negen jaar, hè. Stoppen ga ik nooit. Ja, in het harnas. Ik heb ook al twee aanbiedingen voor nieuwe plekken gehad, maar die zijn net te klein. We hebben gewoon ruimte nodig.’ 

Maar het smeren voor kinderen in Rotterdam gaat niet stilvallen, toch? ‘Tuurlijk niet. Dat gaat niet gebeuren.’ Dan gaat hij voor, het gebouw in. ‘Kom, ik laat het je zien.’

Pakken hagelslag

In de keuken blijkt het rustig: het smeren zit erop, de bezorgers zijn onderweg. Enkel de pakken hagelslag herinneren nog aan weer een belangrijke ochtend. Door een radiootje klinkt de regionale zender. 

Volgens de gemeente Rotterdam kampt ongeveer één op de vijf kinderen met armoede in het gezin. In totaal hebben zelfs tachtigduizend Rotterdammers moeite rond te komen. ‘Geef dan je kind maar eens een gezonde lunch mee naar school,’ zegt Muurlink als hij is gaan zitten. Hij heeft ze gezien, vertelt hij, de kinderen die doodleuk met niets naar school komen. Die natuurlijk indutten zonder eten, zich ook niet meer kunnen concentreren en daarom slechtere cijfers halen. Dat wil hij absoluut voorkomen. Daar knokt hij al bijna tien jaar voor. En opgeven doet een Rotterdammer als hij niet, ook niet als het tegenzit. ‘Als maatschappij laten we deze kinderen in de steek. Héél erg.’ 

Met een groep vrijwilligers smeert Johan dagelijks brood.

Dus doet zijn stichting wat anderen niet doen: de kinderen eten geven. Zonder subsidie is dat nog een enorme strijd. Brood, beleg, een keuken: het kost allemaal ‘klauwen vol met geld, natuurlijk’. Dat wordt vooral binnengehaald omdat Muurlink zijn verhaal zoveel als mogelijk doet. ‘Ik merk het aan de donaties. Als ik een paar maanden niet in het nieuws ben geweest, krijg ik gewoon niks meer binnen. Ik moet echt continu, net als met reclames, in de herhaling. Af en toe denk ik weleens: daar gáán we weer. Maar dan denk ik: dit is voor het goede doel. Voor die kinderen. Zonder eten laat ik ze niet naar school gaan.’ 

En dan moet hij nog steeds veel slikken, zegt hij. ‘Wat diezelfde kinderen soms ’s avonds voorgeschoteld krijgen, daar lusten de honden geen brood van. Een bord patat of alleen rijst. Gewoon nul groentes, nul. En dan word ik écht heel pissig. Ik kan daar niet tegen.’ Het liefst zou hij dat oplossen. ‘Ik geef een groot deel van mijn geld weg. Ik kwam laatst bij mensen over de vloer die op de grond bleken te slapen. Dat greep me zo aan dat ik mijn eigen huis bijna helemaal heb leeggetrokken.’ 

Brood met hagelslag.

Armoede is een verbijsterend iets, vindt Muurlink. Het kan je zomaar overkomen. En als dat zo is, hoe kom je er dan weer uit? Toch, beweert hij, maken mensen soms zelf ook slechte keuzes. ‘Als je in de schuldsanering zit, vier of vijf kinderen hebt en je krijgt 50 euro per week, dan ga je het gewoon niet redden. Er zijn in onze samenleving alleen vaak wel potjes met geld voor die mensen, maar heel veel van die mensen weten die gewoon niet te vinden. Ze schamen zich eigenlijk heel erg. Ik zeg altijd: “Google is je beste vriend.” Er zijn dingen, je kunt gaan zoeken. Als je de juiste weg vindt, kun je jezelf wel redden in Nederland. Alleen, dat doen ze vaak niet.’

Voor die zoekweigeraars is armoede misschien wel meer een keuze dan ze denken. ‘Laat ik het zo zeggen: voor 98 procent is er een oplossing.’ Alleen: ‘Daar hebben de kinderen die met lege brooddozen naar school worden gestuurd dus niets aan.’ 

Dat ouders hun kind alleen laten: vrésélíjk. ‘Je wordt goed geboren. Echt. Iedereen wordt gewoon als een heel mooi persoon geboren. Jij maakt daarna zélf keuzes in je leven. Wat je meemaakt, bepaalt daarna natuurlijk ook of je een verrot persoon wordt of niet. Je omgeving bepaal je niet, natuurlijk. Maar ik heb zelf óók heel veel slechte dingen meegemaakt. Ik ben zelf óók een keer de verkeerde kant op gevallen. Maar je kunt altijd nog de keuze maken om iets goeds van je leven te maken.’

Rechterhand

De ochtend vordert langzaam als er een collega binnen komt lopen, een vrijwilliger die een beetje door de lege keuken scharrelt. ‘Dit is Roy, mijn rechterhand. Hij leert veel. Een gouden gozer. Hij moet alleen wat harder worden, dat weet hij ook. Hij moet af en toe zijn bek opentrekken tegen mensen. Van: luister, dit doe je niet goed. Dat is hij nu allemaal aan het leren. Als ik wegval, moet hij dit allemaal wel overnemen. En ik wil graag zeventig worden en door, maar ja: niemand heeft garanties.’

En zeker Muurlink zelf niet, die door de jaren heen volgens eigen zeggen ‘roofbouw’ heeft gepleegd op zijn eigen lijf. Daar wil hij best eerlijk over zijn. ‘Ik ben in een redelijk warm nest opgegroeid, in een echte horecafamilie. Eerst in Rotterdam-Noord, later hier op Zuid. We hadden het echt niet slecht. Mijn vader had een café, mijn ooms hadden cafés, restaurants, patatzaken. Er was geld, vooral veel zwart geld. Dat was er in die tijd echt heel erg veel. En daar hebben ze allemaal hun vingertjes aan gesneden. Belastingtechnisch deden ze het niet zo slim. Ja, ze dáchten dat ze slim waren.’

De bezorgers zijn ingepland, Johan Muurlink en zijn team houden de vaart er intussen in. 'Af en toe denk ik weleens: daar gáán we weer. Maar dit is voor het goede doel.Voor die kinderen. Zonder eten laat ik ze niet naar school gaan.'

Zelf had hij zijn morele kompas aanvankelijk prima op orde. ‘Ik was negentien en tot dan was ik wel een redelijk goed mens. En toen, twee dagen voordat ik zou trouwen, zijn mijn verloofde en mijn dochtertje van zes maanden doodgereden. Toen ben ik in een heel diep, zwart gat terechtgekomen. Op dat moment heb ik tegen mezelf gezegd: óf ik word miljonair, óf ik ga dood, het interesseert me verder allemaal niet meer. En ja, toen heb ik dus tien jaar lang in de criminaliteit gezeten.’ 

Muurlink schaamt zich er niet voor, het is onderdeel van zijn levensverhaal geworden. ‘Ik was een van de eerste grote wietkwekers van Nederland, had twee boerderijen en tien hokjes in Rotterdam. Huisjes bij mensen thuis, kamertjes. Ik zat zelf op een dag in mijn tweede boerderij, en toen kwam de politie door de deur en de ramen heen, terwijl ik lag te blowen op de bank. Ik bleef heel rustig, hè. Maar ja: ik moest wel mee. Dat is trouwens nog een keer gebeurd, zo’n inval. De tweede keer in m’n huis. Ik kreeg zo’n kap over m’n hoofd en alles, terwijl de buurt wist wie ik was. Ik dacht, doe normaal, joh.’

‘Mijn partners lieten me natuurlijk doodvallen, lieten niks van zich horen,’ vertelt hij verder. ‘En alles ging wel door, hè. Die hokjes hier in Rotterdam, die waren niet door de politie gevonden. Daar kreeg ik dus eigenlijk nog geld van. Want een derde is van mij. Toen ben ik heel pissig geworden. Ik kwam vrij en ben gelijk naar mijn partner gegaan. Die zat me al op te wachten met twee Joegoslaven. Toen dacht ik: of hij gaat dood nu of ik. Hij zei: “Johan, beter ga je nu weg.” Toen ik wegliep, dacht ik: ze schieten me in m’n rug.’ 

Maar dat gebeurde niet. ‘Gelukkig niet. Toen heb ik wel echt besloten: ik wil weg uit deze wereld. Want dit gaat niet goed eindigen.’

Hij kan het vrijuit vertellen omdat het verleden tijd is, zegt Muurlink desgevraagd. ‘Die partner is pakweg tien jaar geleden overleden. Hoorde ik via via. Hartaanval. Ja, dan ben ik wel heel hard, maar ik dacht: gelukkig is die man dood, die klootzak. Vrienden waren we nooit. Hij was mijn dealer. Hij was mijn dealer waar ik wel eens hash bij kocht. En zo zijn wij in de zaken beland. Hij is nooit mijn vriend geweest.’

Twee zoons doodgeschoten

Sommige mensen maken niks in hun leven mee, weet de boterhamman. ‘Zij krijgen geen ellende voor hun kiezen, er gebeurt gewoon niks. Maar anderen krijgen het tiendubbele. En ik ben een van die mensen.’ 

‘Twee van mijn zoons zijn ook doodgeschoten,’ zegt hij dan. ‘Mijn eigen zoon en mijn peetzoon, allebei 24 jaar. Mijn zoon is door de ex van zijn nieuwe vriendin opgewacht. Toch ga ik geen wraak nemen. Waarom niet?Als ik dat doe, gaan ze mij weer pakken. Dan gaan mijn andere kinderen er ook aan, dan blijft de cirkel rond en iemand moet dat doorbreken.

‘Sommige mensen krijgen in hun leven geen ellende voor hun kiezen, anderen krijgen het tiendubbele. En ik ben een van die mensen’

Ik ben, dit klinkt heel erg, een goed persoon geworden en dat wil ik blijven. Mijn moreel kompas staat iets anders niet toe, maar bang ben ik wel, dat zeg ik je heel eerlijk. Stel je voor, ik kom hem tegen, ja, de impuls die je dan voelt. Dan weet je het niet. Ik voel nu al, weet je wel, de boosheid omhoogkomen van... Ja, ik weet niet wat ik dan doe. Ik hoop dat ik dan weet weg te lopen.’

Dan wijst hij naar een tattoo. ‘Ik word ook nog elke dag herinnerd aan mijn doodgereden dochtertje. Dit is haar naam: Roosje. Ze zou 38 zijn geweest nu. Het leven is soms... Ik probeer het mensen uit te leggen. Maar het is veel.’

Johan Muurlink.

Dat iedereen goed wordt geboren, vindt Muurlink echt. Hij zegt het met klem, in de keuken, zijn rechterhand staat inmiddels stilletjes mee te luisteren. ‘Elk kind wordt gewoon als goed persoon geboren, maar de gemiddelde volwassene? Daar kijk ik wel met enige argwaan naar. Mijn inner circle aan vrienden is zeer klein. Toen ik in de criminele wereld zat, had ik echt hele goede vrienden, iedereen was mijn vriend. Maar dat bleek later puur om het geld te zijn geweest.’

Muurlink kwam vast te zitten. ‘Ik ben dakloos geraakt en een tijdje zwerver geworden. Ik ben héél arm geweest, sliep onder bruggen en op bankjes. In die tijd merkte ik al snel dat er heel veel mensen wegvielen, zelfs mijn eigen familie zag me niet meer staan. Het idee dat mensen je dan niet aankijken, dat je geen goeiemorgen zegt, is vreselijk. Je bent gewoon niks meer. Helemaal niks meer.’

En nu, zo’n 25 jaar verder, spoelt Muurlink opeens vooruit. ‘Nu heb ik de afgelopen jaren er zélf iedereen uitgetrapt. Ik zit gewoon heel graag alleen thuis tegenwoordig. Ik hoef geen bezoek meer. Ik heb drie, vier vrienden die ik al dertig, veertig jaar ken. Dat is het.’

Van het padje af

Zijn rechterhand heeft een vraag. Wanneer komen de leveringen? Even wordt er over aardse zaken gepraat. Je stelt wel stevige vragen, zegt hij dan tegen de verslaggever. Maar dat is juist mooi, klinkt het in plat Rotterdams. Weer eens wat anders. ‘Ik was een tijdje van het padje af, nu lees ik in de Bijbel. Ik ga niet naar de kerk, want ik ben heel zwaar tegen kerken, maar ik geloof wel dat er meer is dan dit. Ik ben uiteindelijk gewoon heel blij dat ik besta. Ik heb zo’n mooi leven, man. Ben dankbaar dat ik dit allemaal nog mag meemaken. Want ik heb drie hartinfarcten achter de rug en allemaal stents in mijn lijf. Ik leef in blessuretijd. Elke keer dat ik ademhaal, moet ik blij zijn.’

Hij had vorig jaar maart nog een hartinfarct. ‘Binnen vijf, zes dagen stond ik alweer hier. Weet je dat nog?’ vraagt hij aan zijn rechterhand. Die knikt verlegen. ‘Het was me afgeraden, maar ik kan gewoon niet thuis gaan zitten.’ Roofbouw? ‘Daar heb je gelijk in, maar dan leef ik maar tien jaar minder.’

Johan smeert, eet zelf en maakt lol met zijn collega's. En de verdiensten? 'Ik heb het goed. Ik denk dat ik 20 procent van mijn loon per maand weggeef. Aan de gekste dingen. Aan mensen die ik help. Zelfs aan de stichting zelf. Geld is maar geld.'

Van vrijwilliger is hij tegenwoordig betaald werknemer geworden van de stichting die boterhammen smeert. Veel betaalt het niet, maar Muurlink zegt dat hij het leven simpel houdt. ‘Ik ben nu in dienst van de stichting, maar ik denk dat ik 20 procent van mijn loon per maand weggeef. Aan de gekste dingen. Aan mensen die ik help. Zelfs aan de stichting zelf. Geld is maar geld. Ja, natuurlijk wil ik een miljoen op mijn bankrekening hebben staan. Wie niet? Dan ben je van alle zorgen af. Maar ik héb het al goed.’

Die dankbaarheid: die zouden meer Nederlanders moeten voelen, zegt hij dan. ‘Mensen moeten dat echt beseffen. Hoe arm je ook bent: je hebt het goed in dit land. Natuurlijk zijn er momenten waarop je denkt: fuck, ik kan dit niet, ik kan dat niet, een ander kan dat wel. Maar dan denk ik: kijk even naar hoe gezegend je wél bent. We hebben zoveel mooie dingen in het leven.’

Tussendoor eet Johan zelf ook.

Dan gaat luid de telefoon. De rust in de verder stille keuken, zijn rechterhand is inmiddels op huis aan, wordt verstoord. ‘Met Johan,’ antwoordt hij. ‘Nee, we kunnen niet op maandag en donderdag of dinsdag en donderdag bezorgen. Op dit moment hebben wij gewoon echt een rem op scholen. Want we hebben niet genoeg mensen. We hebben niet genoeg vrijwilligers.’ Hij blijft zoeken. ‘Ik zou wel vijftig vrijwilligers kunnen gebruiken.’

‘Ik wil gewoon het allerbeste brood hebben. Ik ben daar heel eigenwijs in. Supermarktbrood vult gewoon niet’

Het kan hier allemaal nét uit, zegt hij als hij heeft opgehangen. ‘Ik krijg gelukkig 35 procent korting op het brood. Dat komt bij een goede bakker vandaan, de beste van de stad.’ Dus níét bij de supermarkt, zegt hij met klem. ‘Nee, want ik wil gewoon het allerbeste brood hebben. Ik ben daar heel eigenwijs in. Supermarktbrood vult gewoon niet.’

Dat de boterhammen voor honderden Rotterdamse schoolkinderen tegenwoordig ook met zoet worden belegd, is al heel wat. ‘Met enkel gezond beleg ben ik begonnen, maar ik luister tegenwoordig naar de kinderen en de scholen. Dit is wat ze willen. Gelukkig voeden we de kinderen wel, dat is het allerbelangrijkste. En daar ben ik vooral heel blij mee.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct