Sofyan Mbarki
Sofyan Mbarki
Politiek

Amsterdamse viceburgemeester Sofyan Mbarki (PvdA): 'Islam gaat hier niet meer weg'

Sofyan Mbarki (41) volgde Marjolein Moorman op als wethouder en viceburgemeester van Amsterdam, en als leider van de hoofdstedelijke PvdA. Onlangs verscheen zijn eerste boek Maar jij bent een goeie. Een gesprek over opgroeien in Osdorp, geloven en besturen. ‘Je moet hoge verwachtingen hebben, daar gaan mensen zich naar gedragen.’

Leon Verdonschot
Nieuwe Revu ontmoet Sofyan Mbarki

Waar? In zijn werkkamer in het stadhuis van Amsterdam, op een dinsdag in januari. Iets geconsumeerd? Thee. Verder nog iets? Mbarki’s boek Maar jij bent een goeie ligt nu in de schappen voor €22,95. 

Toen u vorig jaar leider werd van de PvdA in Amsterdam had u het over uw ‘heerlijke jeugd’. Hoe zag die eruit?

‘Het huis was klein, maar er was veel liefde. We leefden met zijn zevenen op 55 vierkante meter, en de omgeving was beschermend; onze ouders hielden ons graag in onze eigen buurt. Mijn ouders spraken de taal niet zo goed, dus dat draag je dan altijd wel een beetje met je mee. Het was ook heel gezellig. Een van mijn meest levendige herinneringen aan ons huis is dat ik met mijn broers bij elkaar zat voor de tv, op drie matrasjes van een Marokkaans bankje, samen kijkend naar de Champions League-finale in 1995. En dat mijn moeder precies door het beeld liep op het moment dat Patrick Kluivert de winnende goal maakte – haha!

Wat heel veel scheelt, is dat we in Osdorp woonden. Daar was veel groen, en we hadden speeltuin de Belhamel, waar we echt de hele dag aan het spelen waren. Ik heb nog een litteken van mijn val bij de schommels, in een stuk glas. Het is ook een herinnering aan mijn beschermde opvoeding, want ik was bang om naar huis te gaan, en op mijn kop te krijgen omdat ik blijkbaar niet voorzichtig gespeeld had. Want alles dat we deden, moest wel voorzichtíg gebeuren, kregen we steeds te horen. In opvoedkundig opzicht kan het goed zijn kinderen af en toe op hun bek te laten gaan, en ze daarna een stevige knuffel te geven. Mijn moeders methode was meer: voorkomen dat we op onze bek gingen.’

U schrijft dat het werkethos u thuis ‘met de Marokkaanse theepot’ werd meegegeven. U vader werkte heel hard en combineerde zelfs twee banen. Uw moeder zorgde voor de kinderen en het huishouden. Zou u zeggen dat ze geëmancipeerd was?

‘Ik denk dat ze vooral bezig was met het runnen van een huishouden, omdat mijn vader altijd aan het werk was. Ik denk niet dat mijn moeder bezig was met haar emancipatie, ze was druk met zorg dragen voor het gaande houden van het gezinssysteem. In zekere zin was ze heel geëmancipeerd: zij bepaalde hoe het thuis ging, en in huis bepaalde ze ook wat mijn vader deed. Alleen heb je buiten het huis ook de taal nodig.

Dat is cruciaal, en dat is wel een ding gebleven, want hoewel ze wel taallessen heeft gevolgd, heeft ze voor die taal nooit echt de tijd genomen. Mijn vader leerde de Nederlandse taal sneller op zijn werk, en ging in het contact met zijn collega’s ook het lánd begrijpen. In een jong gezin met een man die twee banen heeft om te boel rond te kunnen breien met beperkte financiële middelen ben je, denk ik, niet zozeer bezig met je eigen persoonlijke ontwikkeling, maar met het collectief: het gezin.’

Sofyan Mbarki.
Als klein kind stotterde u enorm. Het was uw lagere schooljuf Joke die u daarvan af hielp. U schrijft over de keren dat u nu zelf voor een klas staat: ‘Nu kan ik de kinderen in deze klas gelukkig voorhouden dat je alles kunt overwinnen als je er de tijd voor neemt en volhoudt.’

‘Dat klinkt eerder als een liberale dan als een sociaaldemocratische boodschap. De tragiek is toch juist dat veel mensen niet alles kunnen overwinnen, alleen al omdat tegengeslagen zeer ongelijk verdeeld zijn, net als kansen? Glimlachend: ‘Misschien is die uitspraak vooral ingegeven door mijn pedagogische invalshoek, als oud-docent. Ik denk dat je hoge verwachtingen moet hebben als je wilt dat jonge mensen zich daarnaartoe kunnen bewegen.

Als docent heb ik geleerd dat je nooit tegen een leerling moet zeggen: dat kun jij niet. Omdat ik heb gezien wat dat met mensen doet. Dan lukt het ze inderdaad niet. Je rol is juist om te zeggen dat ze het wél kunnen, dat ze gewoon moeten blijven doorgaan. Uiteindelijk heeft iedereen zijn eigen uitdagingen, maar moet iedereen proberen terecht te komen op de plek die bij je past. De sociaaldemocratische invalshoek hier is dat iedereen die kans moet blijven krijgen.’

Als docent moet je nooit zeggen dat iemand iets niet kan, zegt u. Dácht u het wel eens?

‘Ik heb vele gesprekken met ouders gevoerd waarbij ik zag dat bijvoorbeeld de druk op een kind hoog was, omdat zijn oudere broer op de universiteit zat. En dan zei de vader dat de jongste dús ook naar de universiteit moest. Maar het verhaal van het hoogst haalbare staat voor mij niet gelijk aan het verhaal van de hoogste opleiding. Het hoogst haalbare is dat je eruit haalt wat er bij jóú in zit. En daar heb je als docent ook een rol in. Ook om de lat hoog te leggen.

Wanneer je als docent de lat laag legt, heb je er eigenlijk zelf geen fiducie in, en je leerlingen voelen dat. Je moet hoge verwachtingen hebben, daar gaan mensen zich naar gedragen. Dat geldt niet alleen in een klas, maar ook in de samenleving. Net zoals burgers er zich er ook naar gaan gedragen wanneer je ze wantrouwt.’

Toen u achttien was, werd u onderuit geschopt op het voetbalveld. Maar u was niet verzekerd. U schrijft: ‘Het geld dat ik daarmee had bespaard, raakte ik dubbel en dwars kwijt zodra ik toch zorg nodig had. Ik denk dat dat een Arjan toch minder gauw overkomt dan een Sofyan.’ Waarom denkt u dat?

‘Tegenwoordig krijg je zodra je achttien wordt in Amsterdam gelukkig een brief van de gemeente waarin je wordt opgeroepen rekening te houden met alle verantwoordelijkheden die op je afkomen. Maar dat was destijds anders. Ik had een bijbaantje bij een supermarkt, zag de kosten van die zorgverzekering en dacht: dat is wel echt een hap van mijn maandloon. Weet je wat ik doe: ik ga die gewoon niet betalen, en dan kijk ik wel wat er gebeurt. Wat ik bedoel met die zin in het boek is dat mijn ouders me hier niet voor hebben kunnen behoeden. Ze dachten: die jongen heeft zijn diploma gehaald en gaat naar de hogeschool, dus dat gaat wel goed. Maar het ging dus niet goed.’

Maar dat lag toch niet aan uw ouders of hun migratieachtergrond? U was gewoon een uitgekookte gast die dacht dat hij wel even het systeem kon omzeilen.

‘Haha. Dan helpt het wel als er af en toe iemand met je meekijkt die zegt: hé gast, die uitgekooktheid van jou gaat je wel heel veel geld kosten. Want dat deed het. Als jij je zorgverzekering niet betaalt, eindig je uiteindelijk op een lijstje waardoor je de rekening krijgt van alle zorgkosten. Dus toen ik met een ambulance van het voetbalveld werd gereden, kreeg ik daarna de rekening van zowel de ambulance als het ziekenhuis.

Dat was dus een rekening van bijna 2500 euro, waarvoor ik tijdens mijn studie met een betalingsregeling nog twee jaar lang iedere maand heb moeten betalen. Sindsdien geldt dat als iemand begint over zorgverzekeringen, ik als geen ander weet: dat is een collectief systeem, waar iedereen aan meebetaalt. Dat geldt dus ook voor de ‘autonomen’ die zich eruit terug willen trekken: dat kan in Nederland niet, wij betalen ook allemaal mee voor de mensen die chronisch ziek zijn. Uit solidariteit.’

‘De islam is gewoon onderdeel van onze samenleving, de islam gaat niet weg. We moeten ons echt gaan richten op andere dingen’

In uw boek schrijft u ook over uw islamitische geloof. Met snerende opmerkingen wekt u de indruk veel kritiek (op hoofddoekjes, op islamitische gebedsruimten in openbare gebouwen) maar gezeur te vinden. Maar is het vanuit sociaaldemocratisch perspectief niet legitiem om bijvoorbeeld enthousiaster te worden van de zin ‘Mijn vrouw is actief in de Dolle Mina’s’ dan uw zin ‘Mijn vrouw draagt een hoofddoek’? Of ‘mijn kinderen gaan in het weekend naar socialisme-scholing’ te prefereren boven uw mededeling over hun koranles in het weekend? Er is toch ook veel progressieve, seculiere kritiek denkbaar op de islam?

‘Ik bén politiek seculier. Daarom vind ik het ook heel ingewikkeld dat de ChristenUnie en het CDA en SGP dat niet zijn, en mede vanuit hun christelijk geloof politiek bedrijven. Ik ben juist bewust lid geworden van een partij waarbij ik dat gescheiden wil houden. Ik zal nooit en te nimmer een politiek standpunt innemen vanwege mijn religieuze spirituele overtuiging. Ik vind niet dat je je moet laten beïnvloeden door een religie bij het maken van staatskeuzes. Tegelijk vind ik wel dat die staat de vrijheid van religie moet beschermen. En vind ik dat de komende jaren juist de progressieve partijen voor die vrijheid van religie moeten gaan staan.

Wat ik in mijn boek wil laten zien, is dat je ook vrouwen met een hoofddoek hebt die bij de Dolle Mina’s horen. En dat je ook weekendonderwijs over de Koran kunt hebben, én over socialisme. Kijk, ik ken Nederland nog van voor de hele problematisering van de islam. Het Nederland van vóór Wilders. Daar ben ik gewoon in opgegroeid, en daar zou ik heel graag naar terug willen. Toen was ik ook gewoon moslim. Alleen werd ik op een gegeven moment públiek moslim, omdat er dingen op de wereld gebeurden waar ik niks mee te maken had, maar waar ik me wel voor moest gaan verantwoorden.

“Wat vind jij van de Taliban in Afghanistan?” Terwijl ik dacht: ik kom net van een avondje poolen op het Damrak, ik ken geen Taliban. Maar die trend is sindsdien gewoon doorgegaan. Terwijl je moslims hebt in zeer veel verschillende geuren en kleuren. Moslims zijn niet homogeen. Die heb je als socialist, die heb je als keiharde liberaal. Je hebt islamitische SP’ers en islamitische VVD’ers. Ik zie in mijn eigen stad op hoeveel totaal verschillende manieren mensen invulling geven aan hun religieuze gevoelens. En al die mensen hebben een veel bredere identiteit dan alleen hun geloof. Net als ik. Ik ben Sofyan. Ik ben moslim, vader, Ajacied, en nog veel meer. Bovenal ben ik Amsterdammer.

En als er iemand is die vindt dat je overal heel veel kritiek op kan hebben en grappen over mag maken, ben ik het wel. Je moet vooral zeggen wat je niet laten kan, dat hoort bij de vrijheid van meningsuiting, maar je moet de vrijheid van meningsuiting niet gebruiken om een groep uit te sluiten, want dat is discriminatie. Islamkritiek is heel wat anders dan een individu ter verantwoording roepen omdat diegene een bepaalde keuze maakt. Het is bovendien een achterhoedegevecht.

De islam is gewoon onderdeel van onze samenleving, de islam gaat niet weg. We moeten ons echt gaan richten op andere dingen, er zijn zoveel bedreigingen die we samen het hoofd  moeten bieden. En dan helpt het niet als politieagenten met een migratieachtergrond, die bij de Maccabi-rellen bij wijze van spreken stenen hebben staan koppen op de Dam, ’s ochtends wakker worden en dan van onze premier horen dat we een ‘integratieprobleem’ hebben. Die denken dan: wat bedoel je? Ik doe gewoon mijn werk. Ik heb me ingevochten. Dat moest van Rutte, en dat heb ik gedaan. Maar steeds als er iets fout gaat, zetten we weer een hele groep weg, op basis van luie politiek.

U heeft het mbo in uw portefeuille, het jongerenwerk, onderwijs, economische zaken. Wat is vanuit die combinatie volgens u het beste antwoord op de invloed van financiële influencers die op sociale media jongeren voorhouden dat werken voor losers is, en dat je je geld verdient door aan de infinitypool in Dubai een beetje te daytraden?

‘Het mooie van sociale media is tegelijkertijd dat het tegengif hiertegen ook vanzelf ontstaat. Ik zie nu ook veel filmpjes langskomen waarin een narratief ontstaat tegen dat soort verhalen. Waarin de draak wordt gestoken met iemand met 0 euro op zijn rekening, die economyclass naar Dubai is gevlogen en daar dan gaat vertellen dat anderen moeten stoppen met werken. Vanuit de intelligentie in de samenleving ontstaat dus ook een tegenreactie. Maar in gesprekken met jongeren die onder invloed zijn van dit type influencers, ben ik altijd benieuwd naar hun beeld van de toekomst. Dan vraag ik wat ze later gaan doen, en zeggen ze: “Voor mezelf werken.” Dan zeg ik: “Oké, maar wat dóé je dan?” “Ja, gewoon iets met dropshippen of zo, je weet toch.”

En dan vraag ik door. Oké, maar hoe ga je die spullen dan uit die Chinese fabriek hier krijgen? De essentie, denk ik, is dat je niet meteen zegt dat het allemaal onzin is, maar dat je erkent dat veel jongeren kennelijk een soort strijd voelen om mee te moeten kunnen, ook in prestaties en in materialistisch opzicht. Ik denk dat onze generatie in die zin echt met minder druk opgroeide. Wat was nou de druk toen wij zestien waren? We wilden gewoon naar de stad, wat poolen en vooruit, we wilden Timberlands. Tegenwoordig moet je toch minstens een reis naar een ver land hebben geboekt. Ik probeer in gesprekken aan jongeren duidelijk te maken dat geld verdienen niet makkelijk is, maar een kwestie van hard werken en uren maken.’

Hoe materialistisch was u zelf? U schrijft dat u ook bij een bank ging werken en ervan droomde om met een dikke bak bij uw ouders te komen voorrijden.

‘Thuis worden nog weleens grappen gemaakt over de outfitjes waar ik in rondliep. Maar volgens mij was ik niet zo materialistisch. Wat ik wél voelde, was een bepaalde druk om te slagen. Mijn ouders zijn uit Marokko hier naartoe gekomen. Dus ook voor mij geldt het klassieke migrantenverhaal: je wilt het goed doen, en de gedachte daarachter is ook dat je wilt klimmen op de sociaaleconomische ladder. Dus wat doe je dan, in mijn geval, op de middelbare school? Een economisch profiel kiezen. Want de economie – daar zit kennelijk het geld.

Dan kom je dus terecht in de financiële sector, in mijn geval een klinische omgeving waar ik hypotheekaanvragen beoordeelde en mensen adviseerde die wilde overstappen van een persoonlijke naar een zakelijke bankrekening. Ik kwam er al snel achter dat dat, in ieder geval in die fase van mijn leven, niet mijn route was. Dus kwam ik al snel héél ergens anders te werken: in een jeugdgevangenis.’ 

‘Solidariteit werkt twee kanten op: het gaat goed met mij als het met jou ook goed gaat’

U bent sinds 2022 de eerste wethouder Jongerenwerk, en noemt investeren erin uw prioriteit. Wat is er misgegaan met het jongerenwerk?

‘Op een gegeven moment zijn we in ons land gaan nadenken over de vraag hoe we het allemaal nóg efficiënter konden inrichten, met het nieuwe public management. Daarbij hebben we veel keuzes gemaakt waarbij we onze sociale infrastructuur hebben uitgehold. Zelfs het jongerenwerk kreeg een marktwerkingsimpuls. Daardoor hadden we op een gegeven moment in de wijk waar ik opgroeide en woonde, waar allemaal rapporten over lagen hoe heftig het er was, géén jongerenwerk. Want er waren weliswaar achttien partijen die zich bezighielden met jongerenwerk, maar die zeiden allemaal: hier kom ik er niet uit. Want in mijn wijk was wel wat meer nodig dan een PlayStation.

In Nederland heb je best een uniek systeem, met bijvoorbeeld wijkagenten die ook in de wijk zijn als er geen agent nodig is. Je kunt pas goed ingrijpen als je er al was toen er nog níks aan de hand is. Dat is beredeneerd vanuit soft power, maar het heeft uiteindelijk wel een harde invloed als dat nodig is. Dat geldt ook voor de leraar en voor de jongerenwerker. Die hele sociale infrastructuur heb je nodig in een wijk, net als goede naschoolse opvang en verenigingen waar jongeren kunnen sporten.

Ik ben ook wethouder van Economische Zaken en durf te stellen dat dat ook vanuit economisch perspectief een investering is. Want elke jongere die niet aan het werk gaat, heeft recht op een uitkering, en ook die kosten ons geld. Zoals veiligheid eveneens een economische investering is, want bedrijven vestigen zich niet in onveilige buurten. Net zozeer is dakloosheid niet goed voor het investeringsklimaat, dus niet goed voor onze economie. Ik wil maar zeggen: actief sociaal investeren, zoals wij doen in Amsterdam met ongelijke investeringen voor gelijke kansen, dat doen we ook omdat je er als collectief beter van wordt. Die solidariteit werkt twee kanten op. Het gaat goed met mij als het met jou ook goed gaat.’

U beschrijft in uw boek een ontmoeting met enkele kabinetsleden, onder wie premier Schoof. In het Fotomuseum in Den Haag heeft u met tientallen wethouders en burgemeesters uit de vier grote steden een bijeenkomst met het kabinet. Als er gelegenheid is tot het stellen van vragen aan de premier, staat u als eerste op. Uw vraag gaat over de situatie in Gaza. U bent bestuurder in een stad met vele problemen, van armoede en tweedeling tot criminele ondermijning, van woningnood tot gebrek aan groen, van een groeiend aantal verwarde personen op straat tot segregatie. Dan heeft u de kans persoonlijk de premier te spreken en waar begint u dan over? Gaza. Waarom?

‘Allereerst: voorafgaand aan die vraag had ik ook al een van de presentaties gegeven, en daar verteld over de uitdagingen die wij als stad hebben, en over wat wij nodig hebben van het kabinet op het gebied van economie. Maar later bood Schoof de mogelijkheid om hem zelf vragen te stellen, en dit onderwerp was urgent. Omdat dit namelijk gaat over iets wezenlijks dat wij in Nederland met elkaar hebben afgesproken.

Dat we pal staan voor internationale rechtsorde en mensenrechten. Dat heb ik altijd meegekregen, en dat heb ik ook meegegeven aan een nieuwe generatie toen ik voor de klas stond. Alleen werd op een gegeven moment heel duidelijk zichtbaar dat er vanuit het kabinet dat hij leidde, sprake was van een dubbele maat, waar velen van ons zich niet in herkenden. Ik vond dit een wezenlijk onderwerp over de vraag waar wij als land en als continent voor staan.’

Als land en als continent, maar u bent een lokaal bestuurder. U gaat over onder meer de economische zaken van één stad, niet over het buitenlandse beleid van ons land.

‘Het grote verschil tussen landelijke en lokale politiek, is dat wanneer het in een ander deel van de wereld regent, het druppelt in onze wijken, en ik er dús mee te maken heb. Als lokaal bestuurder ga ik iedere dag opnieuw met mensen het gesprek aan, ook over de geloofwaardigheid van het bestuur. Maar dat wordt me wel verdomd moeilijk gemaakt als we opeens onderscheid maken in het staan voor de internationale rechtsorde en voor de mensenrechten.

En ik wil wel dat wij de volgende generatie recht in de ogen kunnen blijven kijken, ook in onze stad, die een heel diverse stad is, een van de meest diverse ter wereld, met ruim 180 nationaliteiten. Met veel verbondenheid met elkaar, en soms ook met de landen van herkomst. Een stad dus waar je niet ontkomt aan internationale ontwikkelingen. Ook niet als bestuurder.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct