Op 10 februari 1986 bond Italië officieel de strijd aan met de geduchte Cosa Nostra. In een historisch strafproces kregen meer dan driehonderd Siciliaanse maffiosi gezamenlijk 2665 jaar cel om de oren geslingerd. Vier decennia later geldt het Maxiprocesso nog altijd als een referentiepunt in de aanpak van georganiseerde misdaad. ‘Italianen noemen de maffia een kankergezwel. Je hebt chemotherapie nodig om het uit te roeien.’
Vanaf een heuvel nabij Capaci tuurt maffioso Giovanni Brusca zenuwachtig naar de markering in het asfalt. Zijn blik is gefixeerd op de autostrada A29, die de Siciliaanse luchthaven Punta Raisi verbindt met hoofdstad Palermo. Doorgaans kraait er geen haan naar de tienduizenden toeristen, taxi’s en andere reizigers die over deze snelweg naar hun bestemming razen, maar vandaag, 23 mei 1992, is er één auto die Brusca absoluut niet mag missen.
Volgens zijn mannen zijn alle voorbereidingen getroffen: de dertien vaten met ruim 400 kilo aan springstof staan gereed in de aangewezen rioolleiding en zijn onderling verbonden met snellont. De radiogestuurde ontsteker houdt Brusca zelfverzekerd in zijn hand. Zo raakte een vergelijkbare weg bij een test compleet verpulverd, en de ontstekingsvertraging is de afgelopen dagen nauwkeurig gekalibreerd. Een auto die met 160 km per uur aan komt rijden, maakt kortom geen schijn van kans als Brusca op de rode knop drukt.
Even na 17.45 uur krijgt Lo Scannacristiani (‘de mensenslachter’) zoals de bijnaam van Giovanni Brusca in lokaal dialect luidt, dan eindelijk het signaal: het beoogde overheidstoestel is zojuist geland op Punta Raisi en het doelwit uitgestapt. Drie gepantserde Fiat Croma’s zetten hierop koers richting de Siciliaanse hoofdstad. Om 17.58 uur rijdt het konvooi vol gas langs de heuvel van Capaci. Als de eerste wagen bij het gemarkeerde punt komt, drukt Brusca de ontsteker in.
De explosie op 23 mei 1992 op de A29 zou heel Italië op haar grondvesten doen schudden. Allereerst in letterlijke zin. De explosieven die tot ontploffing kwamen onder de dienstauto van onderzoeksrechter Giovanni Falcone waren zo krachtig dat seismologen in Palermo een lichte aardbeving waarnamen. De ravage was dan ook gigantisch: volgens politierapporten gaapte in de snelweg een ‘maankrater’ van meer dan 40 meter doorsnede, en werd een van de Fiats pas op honderden meters in een olijfgaard teruggevonden. Naast Falcone zelf kwamen ook zijn vrouw en drie van zijn lijfwachten om het leven.
Aardschok
Maar bovenal vormde de Capaci-bomaanslag een figuurlijke aardschok. Zo was het doelwit, onderzoeksrechter Giovanni Falcone, eind jaren tachtig uitgegroeid tot hét gezicht van de strijd tegen de Siciliaanse maffia. Die strijd was niet zonder risico, zo bleek al vaker: alleen al in de bloedige jaren tachtig gingen niet minder dan 24 prominente politici, politiechefs en magistraten hem in zijn noodlot voor. De onverzettelijke Falcone gaf echter nooit op. Ondanks continue doodsbedreigingen, publieke smaadcampagnes en mislukte moordaanslagen bleef hij onverschrokken leiding geven aan de grootste antimaffiaonderzoeken uit de Italiaanse geschiedenis.
Zodoende herinneren veel Italianen zich nog altijd waar ze waren toen het nieuws over zijn dood hen bereikte. Falcone bereikte deze heldenstatus vooral door zijn sleutelrol in het Maxiprocesso, dat deze maand veertig jaar geleden van start ging. Bij dit historische massaproces tegen de Siciliaanse maffia werden maar liefst 474 maffiosi tegelijkertijd berecht voor onder andere criminele samenzwering, drugshandel, afpersing en 120 moorden. Samen met collega-aanklager Paolo Borsellino zou Falcone ervoor zorgen dat 338 van de 474 aangeklaagde maffiosi langdurig achter de tralies belandden. Hieronder bevonden zich voor het eerst ook kopstukken van de misdaadorganisatie, zoals toenmalig Cosa Nostra-chef Salvatore Riina en zijn voorganger Luciano Liggio. Naast de negentien levenslange gevangenisstraffen voor zulke clanhoofden, legde het hof in totaal meer dan 2665 jaar cel op. Een record.
Het Maxiprocesso staat dan ook te boek als de grootste strafzaak ooit. Zo moest in Palermo een speciale zittingszaal worden aangebouwd om alle verdachten te kunnen huisvesten. Het resulteerde in een gigantische rechtbankbunker, die dankzij een eigen luchtweergeschut en raketschild bestand moest zijn tegen voltreffers van raketten. Aan de binnenkant van het ondergrondse bouwwerk bevond zich een achthoekige zaal, waar langs elke muur grote stalen kooien stonden opgesteld. Alle 474 maffiosi konden zo tegelijkertijd de zitting bijwonen.
Verdachte Biagio Grado naaide tijdens zijn spreektijd zelfs zijn eigen lippen aan elkaar met ijzerdraad om te tonen dat hij de omerta nooit zou verbreken
Hoewel indrukwekkend ging deze opstelling gepaard met grote verstoringen van het procesverloop. In rechtbankverslagen valt te lezen hoe getuigenverklaringen massaal onderbroken werden door schreeuwpartijen en talloze maffiosi deden alsof ze leden aan epileptische aanvallen of psychoses in de hoop ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard. Verdachte Biagio Grado naaide tijdens zijn spreektijd zelfs zijn eigen lippen aan elkaar met ijzerdraad om te tonen dat hij de omerta (‘zwijgplicht’) nooit zou verbreken. Weer anderen verschenen in hun pyjama of staken expres Cubaanse sigaren op bij het voorlezen van het vonnis om hun minachting voor het hof te laten blijken.
‘Follow the money’
Waar zulke obstructietechnieken bij eerdere maffiaprocessen nog hun vruchten afwierpen, hielden ze in 1986 een veroordeling niet tegen. Dit kwam vooral doordat Falcone en Borsellino in de jaren voor de zitting een geheel nieuwe onderzoeksmethode hadden ontwikkeld, die als ‘Follow the Money’ bekend zou worden. In plaats van geweldsmisdrijven een voor een te reconstrueren, hadden de openbare aanklagers via bankafschriften, transacties en offshoreconstructies alle geldstromen van de Cosa Nostra in kaart gebracht. Hierdoor ontstond er voor het eerst bewijsmateriaal dat niet te intimideren noch te liquideren viel.
Voor de Italiaanse schrijver en maffiakenner Roberto Saviano is Falcone dan ook ‘de man die alles veranderd heeft’. Toch was het succes van zijn aanpak niet direct evident. Zo zou de corrupte rechter Corrado Carnevale – alias ‘de vonnisdoder’ – tijdens het hoger beroep in 1989 een streep door de juridische onderbouwing van de veroordeling zetten. Onder zijn leiding werden talrijke vonnissen vernietigd op procedurele gronden, waarna veel veroordeelden vervroegd vrijkwamen. Falcone zelf maakte dankzij een omgekochte politicus ‘promotie’ naar een administratieve functie in Rome. Borsellino werd op zijn beurt in het provinciestadje Marsala kaltgestellt. In 1989 zaten nog slechts 60 van de 338 veroordeelden achter tralies.
Falcone en Borsellino lieten het er echter niet bij zitten: in 1992 kregen ze het na een lange juridische strijd voor elkaar dat het hooggerechtshof zich over de zaak zou buigen. Tegen alle verwachtingen in besloot het hoogste rechtsorgaan van Italië de oorspronkelijke vonnissen te herstellen en vrijwel alle vrijspraken van rechter Carnevale in te trekken. De wraak van de gekrenkte mannen van eer zou niet lang op zich laten wachten: twee maanden na de aanslag op Falcone werd ook de auto van Borsellino in Palermo doelwit van een bomaanslag. Naast de onderzoeksrechter zelf kwamen vijf van zijn lijfwachten om het leven.
Paradoxaal genoeg zouden de moorden op de twee grootste bestrijders van de Cosa Nostra juist de definitieve neergang van de Siciliaanse misdaadorganisatie inluiden. In de grote maatschappelijke woede die na de dood van Falcone en Borsellino ontstond, zag de Italiaanse politiek zich gedwongen een hele rits antimaffiawetten aan te nemen en het detentieregime enorm aan te scherpen. Honderden maffiabazen werden in de herfst van 1992 overgeplaatst naar speciale antimaffiacellen, waar ze volledig geïsoleerd van de samenleving werden vastgehouden. In 1993 werd eveneens de Corleonesi-chef Salvatore Riina opgepakt en tot een levenslange celstraf veroordeeld. Dankzij het offer van Falcone en Borsellino was de wurggreep van de Cosa Nostra over de Siciliaanse samenleving definitief verbroken.
Bovenop het juridische succes markeerde het Maxiprocesso een belangrijke symbolische doorbraak: voor het eerst in de Italiaanse geschiedenis was een openbaar aanklager erin geslaagd om de criminele aard van de Cosa Nostra te bewijzen. Tot die tijd werd de maffia nog vaak beschouwd als een los verband van familieclans die weliswaar samenwerkten, maar geen overkoepelende organisatiestructuur kenden. De Cosa Nostra was een typisch Zuid-Italiaanse ‘gedragscode’, zo klonk het decennialang, en absoluut geen centraal aangestuurde misdaadorganisatie.
Dat beeld kwam voort uit een sterk geromantiseerde lezing van de Siciliaanse geschiedenis. Als eiland dat eeuwenlang was bestuurd door buitenlandse machthebbers raakte Sicilië na de Italiaanse eenwording van 1861 verzeild in een machtsvacuüm. Zo beschikte de kersverse Italiaanse staat nog nauwelijks over een functionele politiemacht op het eiland, waardoor de orde amper gehandhaafd kon worden. Met name op de winstgevende citroenplantages rond Palermo leidde dit tot vraag naar particuliere vormen van bescherming. Op deze vruchtbare landerijen stikte het immers van de struikrovers en plunderende bendes.
Volgens de maffialegende riepen boeren te midden van deze chaos hulp in van ‘lokale genootschappen’ om hun velden te beschermen tegen tuig en te bemiddelen bij conflicten zolang de staat afwezig was. Zo zou het woord mafiusu in het Siciliaanse dialect connotaties hebben als ‘moedig’, ‘trots’ of iemand die respect genoot onder de lokale bevolking.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg die mythe van eervolle patriotten nog meer zuurstof, omdat Mussolini de Cosa Nostra met ijzeren hand had vervolgd. Er ontstonden wilde geruchten over heldhaftige bijdrages van Amerikaans-Siciliaanse maffiosi aan het verzet, waarop vele maffiosi uitgroeiden tot antifascistische martelaren. Volgens populaire anekdotes zou toenmalig Cosa Nostra-leider Don Calò zelfs in een Amerikaanse tank de dorpjes zijn doorgereden na de geallieerde landing op het eiland in 1943.
‘Mannen van eer’
Recent historisch onderzoek laat echter weinig heel van dit beeld: eind 19de eeuw bleken de ‘mannen van eer’ vaak zelf achter de bedreigingen van plantage-eigenaren te zitten om zo ‘bescherming’ door lokale knokploegen af te dwingen. Citroenbomen vergen immers gigantische investeringen in irrigatie en dragen gemiddeld pas na acht jaar vrucht, wat ze een perfect doelwit maakten voor sabotage en afpersingspraktijken. Ook zijn er grote twijfels over de bijdrage van de Cosa Nostra aan de bevrijding. Volgens historici ontbreekt bijvoorbeeld elk bewijs dat de vermeende Amerikaans-Siciliaanse verzetsleider Lucky Luciano tijdens de oorlog überhaupt op Sicilië was. De vooraanstaande maffiahistoricus John Dickie noemt de legende rond Don Calò zelfs een regelrechte fabel.
Aangezien de Amerikanen bovenal naar anticommunistische krachten zochten, eindigden vele maffiosi na de bevrijding in hoge posities van het post-fascistische bestuur. De greep van de Cosa Nostra breidde zich zo razendsnel uit over de hele Siciliaanse samenleving. Waar films als The Godfather nog een zekere romantiek toeschrijven aan dit tijdperk, was de werkelijkheid allesbehalve rooskleurig. In Palermo was geen enkele winkelier veilig zonder een ‘pizzo’ te betalen, terwijl maffiabazen zichzelf verrijkten met de lucratieve heroïnesmokkel en mensenhandel. Erover praten was uit den boze: elk verbreken van de omerta werd genadeloos afgestraft.
In de jaren tachtig escaleerde de boel volledig, toen de Corleonesi-clan onder leiding van de bloeddorstige Totò Riina alle andere Siciliaanse families de oorlog verklaarde. Maffiosi, maar ook talloze journalisten en magistraten werden op klaarlichte dag geliquideerd. Met ruim duizend doden in amper twee jaar tijd leek Palermo zowat een oorlogsgebied. ‘De Italiaanse maffia vermoordt iedereen die tegenwerkt’, kopte de NRC op 6 september 1982. Volgens de redacteur is de Cosa Nostra ‘allang niet meer de traditionele, wat folkloristische zaak van familiebendes. Het is een miljardenonderneming die zich bezighoudt met afpersing, ontvoering, smokkel, bouwspeculaties, wapens en drugshandel.’
Het bloedbad van de jaren tachtig dwong de Italiaanse politiek tot actie. Hoewel al in de jaren zeventig een nationale antimaffiapool was opgericht, bleef het nog altijd zeer lastig om iemand voor maffialidmaatschap te vervolgen. Elk misdrijf, van moord tot smokkel, moest afzonderlijk bewezen worden, waardoor vele arrestaties op niets uitdraaiden.
In 1982 vormden de brute moorden op politicus Pio La Torre en generaal Carlo Alberto dalla Chiesa echter de druppel. Via een noodprocedure nam het Italiaanse parlement het fameuze wetsartikel 416-bis aan, waarmee ‘maffia-associatie’ op zich al een misdrijf werd. Dit was een gamechanger: rechercheurs konden al in een vroeg stadium afluisteren, tegoeden bevriezen en zelfs zonder veroordeling bewijsmateriaal confisqueren. Daarnaast riskeerden de hoogste bazen bij een veroordeling het speciale 41-bis gevangenisregime, waarbij de gevangene 22 uur per dag onder toezicht staat en zijn straf in een isoleercel moet uitzitten.
Na zijn arrestatie in 1984 besloot Tommaso Buscetta als eerste hooggeplaatste maffioso ooit te gaan praten
Een laatste hervorming betrof de spijtoptantenregeling. Hiermee werd het voor verdachten mogelijk om strafvermindering te krijgen in ruil voor samenwerking met de Italiaanse autoriteiten. Hoewel deze regeling zich initieel richtte op terroristen van de Rode Brigades, zou maffiabaas Tommaso Buscetta de geschiedenisboeken in gaan als de eerste grote pentito. Deze ex-heroïnehandelaar had tijdens de maffia-oorlog zijn broer, neef, zwager, schoonzoon én twee zoons verloren, wat hem voor altijd met aversie tegen de Corleonesi-clan zou vullen. Na zijn arrestatie in 1984 besloot hij als eerste hooggeplaatste maffioso ooit te gaan praten.
Gedurende 45 dagen deed Buscetta bij aanklager Falcone uit de doeken hoe de Cosa Nostra in elkaar stak. Hij vertelde uitgebreid over de ondergrondse hiërarchie van de organisatie en hoe deze werd voorgezeten door de Cupola – een soort commandocentrum waarin alle regionale clanleiders samenkwamen om de belangrijkste besluiten te nemen. Veel liquidaties werden op dat niveau gearrangeerd, zo onthulde Buscetta.
De verklaringen van Buscetta sloegen in als een bom. Voor het eerst ooit was de omerta verbroken, waardoor duidelijk werd tot op welke schaal de misdaadorganisatie geïnfiltreerd was in de Siciliaanse samenleving. Daarnaast deed Buscetta een explosief boekje open over op de bovengrondse connecties van de bende. Hij beschreef de maffia als een ‘staat binnen de staat’, waar criminelen, zakenlui en zelfs oud-premier Giulio Andreotti, elkaar ontmoetten en wederzijdse gunsten verleenden. Tijdens zijn verhoor werden niet minder dan 395 arrestatiebevelen uitgeschreven.
In strafrechtelijk opzicht waren de consequenties van Buscetta’s verklaring groot: hij leverde hét bewijs dat misdaden gepleegd door maffiosi niet op zichzelf stonden, maar werden aangestuurd door een centraal orgaan. Dankzij deze ‘Buscetta-theorema’ konden de maffiabazen nu eindelijk juridisch verantwoordelijk worden gehouden voor moorden die zij niet zelf pleegden, maar wel opdracht toe hadden gegeven. Dit zou later een cruciaal fundament van de veroordelingen bij het Maxiprocesso vormen.
Inspiratie elders
Vier decennia na dato blijven de resultaten van het Maxiprocesso nog altijd inspireren. Zo opende Frankrijk vorig jaar een speciale ‘narcogevangenis’, die met zwaarbeveiligde isoleercellen de tweehonderd gevaarlijkste drugsbarons van het land volledig moet isoleren van de buitenwereld. Het Italiaanse 41-bis-regime vormde hierin een ‘nadrukkelijk voorbeeld’, meldde de Franse minister van Justitie bij de opening.
Maar ook in Nederland kijkt men de laatste jaren vaak naar de Italiaanse ervaringen rond georganiseerde misdaad. Met name na de moord op Peter R. de Vries en advocaat Derk Wiersum ontstonden in de Tweede Kamer zorgen over de ondermijnende invloed van zware criminelen als Ridouan Taghi. In 2022 stelde het regeerakkoord van het kabinet-Rutte IV dan ook expliciet ‘lessen uit de bestrijding van de maffia in Italië’ te willen trekken en in 2023 reisde Dilan Yesilgöz hoogstpersoonlijk af naar Rome om er een kijkje in de Italiaanse antimaffiakeuken te nemen. ‘Italië is voor mij geen schrikbeeld, maar juist een voorbeeld!’ verklaarde de toenmalig minister van Justitie na haar bezoek.
Volgens Laura Peters, universitair hoofddocent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, is die interesse terecht. ‘Hoewel er in Italië ook zeker kritiek op onderdelen van de maffiabestrijding bestaat, beamen advocaten en magistraten er unaniem dat de Italiaanse aanpak van georganiseerde misdaad effectief is geweest.’
In haar optiek komt dit vooral door de nadrukkelijk financiële benadering van de Italiaanse autoriteiten, die haar oorsprong vond in de ‘Follow the Money’-methode van onderzoeksrechter Falcone. ‘Maffiabazen en leiders van grote criminele organisaties kun je het beste pakken in hun portemonnee,’ zegt Peters. ’Dat is immers hun uiteindelijke doelstelling: ze willen macht hebben en rijk zijn. Dus als je dat zo snel mogelijk afpakt, dan haal je eigenlijk de angel uit die organisatie.’
Ook in Nederland wordt de laatste jaren al veel meer op geldstromen gerechercheerd. Zo is momenteel een wetswijziging in behandeling die, net als in Italië, het mogelijk moet maken om zonder veroordeling verdachte tegoeden en goederen te confisqueren. Toch kan Nederland nog veel leren van hun Italiaanse collega’s, stelt Peters. In opdracht van minister Yesilgöz onderzocht ze in 2023 welke lessen Nederland zou kunnen trekken uit de Italiaanse ervaringen met georganiseerde misdaad. ‘Wat ik inspirerend vond in Italië is dat zij eerst een groot sociologisch onderzoek hebben gedaan naar het fenomeen dat ze wilden aanpakken en daar vervolgens een afgebakende strafbepaling voor ontworpen hebben: het beruchte 416-bis. Die gaat dus niet over algemene deelneming aan een criminele organisatie zoals wij in Nederland al kennen, maar richt zich echt specifiek op deelneming aan een maffiaorganisatie.’
Volgens Peters bewijst de veroordeling van Taghi dat er al heel veel kan met bestaande wetgeving in Nederland, maar zou een afgebakende strafbepaling voor bepaalde vormen van zware misdaad mogelijk uitkomst kunnen bieden. ‘Over wat voor misdaadfenomeen hebben we het nou precies en waarin schieten onze huidige instrumenten dan tekort? Die eerst stap hebben we in Nederland nooit gezet.’
Kankergezwel
Een tweede verbeterpunt ziet Peters in de Nederlandse omgang met kroongetuigen. ‘Bij de getuigenverklaring van Thomas Buscetta was Falcone nog echt aan het pionieren. Er bestond toen nog geen duidelijke wetgeving, dus hij probeerde echt een vertrouwensband op te bouwen om Buscetta aan het praten te krijgen.’ Inmiddels kent Italië echter een uitgebreide spijtoptantenregeling, vertelt Peters. ‘Je hebt daar nu zo’n achthonderd kroongetuigen die onder permanente beveiliging staan. Dat kunnen we ons in Nederland bijna niet voorstellen.’
‘In Italië staan nu zo’n achthonderd kroongetuigen onder permanente beveiliging. Dat kunnen we ons in Nederland bijna niet voorstellen’
Volgens Peters komt dit vooral doordat de Italiaanse kroongetuigenregeling een stuk strakker gereguleerd is dan de Nederlandse. ‘In Italië zeggen ze: je hebt 180 dagen en dan moeten wij de belangrijkste dingen uit jouw verklaring op papier hebben. Vervolgens bepalen wij als overheid of we met jou in zee gaan voor een kroongetuigeprogramma.’ In Nederland is die termijn echter onbeperkt, wat geregeld tot vertraging leidt. Peters: ‘In Italië kan een verdachte niet halverwege zeggen: ik wil niet meer verder verklaren, omdat ik mijn beveiliging niet oké vind. Het is daar echt ‘take it or leave it’, waarmee de onderhandelingspositie bij de staat blijft liggen.’
Toch hamert Peters erop dat we terughoudend moeten zijn met het direct willen overnemen van Italiaanse antimaffiawetgeving. ‘Elk rechtsstelsel heeft zijn eigen kaders, fundamenten en ontstaansgeschiedenis. Met name het strafrecht is een heel erg nationaal systeem van regels, dus copy-pasten kan niet.’ Wel kun je proberen van bepaalde onderliggende filosofie en visies uit andere landen proberen om te vormen naar Nederlandse uitgangspunten, legt ze uit. ‘Veel Italiaanse experts die ik sprak beschreven de maffia als een soort kankergezwel, dat je alleen met hele grove methodes, een soort chemotherapie kon bestrijden. Die onderliggende visie verklaart waarom ze destijds die hele strenge maatregelen hebben genomen.’
Het 41-bis-regime is volgens Peters een goed voorbeeld van deze botsende visies. ‘Italië heeft destijds heel duidelijk gezegd: wij geven prioriteit aan de bestrijding van deze heel agressieve, georganiseerde misdaad die ons overheidsgezag ernstig aantast, al moeten we hiervoor echt op het minimum van mensenrechtelijke bescherming gaan zitten. In Nederland hechten wij traditioneel toch aan meer mensenrechtelijke bescherming, omdat we ook een humaan detentieregime willen hebben. Daardoor vinden we het soms ingewikkeld om aanscherpingen door te voeren voor speciale gevallen.’
Zo adviseerde een onderzoekscommissie in 2023 nog expliciet tegen de snelle invoering van het Italiaanse 41-bis-regime in Nederland. Aangezien het regime in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) de afgelopen jaren al was verzwaard, waarschuwden de onderzoekers dat een verdere aanscherping zou kunnen botsen met ‘de uitgangspunten van maatwerk en een humane detentie die het Nederlandse gevangeniswezen kenmerken’. Zolang niet duidelijk is hoe die kernwaarden behouden kunnen blijven ‘lijkt het aangewezen om even pas op de plaats te maken’, luidde hun conclusie.
Spijtoptant Buscetta: verrader of held?
In ruil voor zijn openbaringen bij rechter Falcone ontliep maffiabaas Tommaso Buscetta zelf elke vorm van vervolging. Hij kwam nadien onder een nieuwe identiteit in de Verenigde Staten te wonen, waar hij in 2000 een natuurlijke dood stierf. Om dit voor elkaar te krijgen, zou Buscetta grootschalige plastische chirurgie hebben begaan en een zeer teruggetrokken bestaan leiden. Toch liet hij zich bij hoge uitzondering interviewen.
Hierin liet de ex-spijtoptant meermaals doorschemeren zichzelf niet als ‘verrader’ te beschouwen, maar juist als de laatste vertegenwoordiger van de ‘echte maffia’ die de erecodes respecteerde. In zijn optiek hadden de Corleonesi op brute wijze een eind gemaakt aan die traditie. Beroemd is zijn interview met de krant La Repubblica uit 1996, waarin hij toegaf ook zelf een moordenaar te zijn. Tot dan toe had Buscetta juist altijd volgehouden dat de ‘oude garde’, waar hij toe behoorde, geen onschuldigen doodde. Dat bleek een leugen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct