James Worthy
Column

James Worthy: ‘Zelfs billen wassen vraagt om kennis, techniek en respect'

'Voordat je überhaupt iemand mag wassen, moet je scholing volgen, handelingen oefenen en laten zien dat je bekwaam bent'

James Worthy
Column James Worthy

Sinds twee weken werk ik een paar dagen per week in de thuiszorg. Wanneer ik vrienden vertel over mijn opzienbarende carrièreswitch, krijg ik steevast dezelfde reactie: ‘Ga je echt de billen van bejaarden wassen?’

Anderen kijken me onderzoekend aan en opperen dat ik vast in een midlifecrisis zit. Dat mijn hormoonhuishouding ontregeld is en dat ik daarom opeens op zoek ben naar zingeving. Misschien hebben ze gelijk. Misschien is dit een crisis. Maar noem het dan liever een medlifecrisis, want ik ben de zorg ingegaan.

Het blijft bijzonder dat mensen de zorg reduceren tot één handeling. Waarschijnlijk is dat ook een van de redenen dat er een tekort is aan mensen die voor ouderen willen zorgen. Ze hebben dat ene beeld op hun netvlies gebrand. Een donkerbruin vermoeden dat hen ervan weerhoudt die stap te zetten.

Het grappige is dat ik al twee weken bezig ben en alleen nog maar mag meelopen. Ik moet leren. In de zorg mag je niet zomaar alles doen. Voordat je überhaupt iemand mag wassen, moet je scholing volgen, handelingen oefenen en laten zien dat je bekwaam bent. Zelfs billen wassen vraagt om kennis, techniek en respect. Om te kunnen schrijven heb ik nooit iets hoeven halen.

Gisteren liep ik weer mee door de Amsterdamse wijk die mij is toegewezen. Samen met een collega ging ik langs veertien verschillende ouderen. Eenzame zielen in te grote huizen. Zodra je binnenkomt, staat de radio of de televisie op het volume dat een middelmatige zanger met een slechthorende geluidsman op een braderie zou hebben. De herrie is een loyale vriend. Het geluid vult de kamers en voorkomt dat de stilte te luid wordt. Stemmen en muziek dansen van muur naar muur, alsof ze het huis proberen te herinneren aan vroeger, toen er nog in meervoud werd geleefd.

Bij de zevende cliënt stond een oude spelcomputer in de huiskamer. Ik vroeg aan de mevrouw of ze een gamer was. Ze moest lachen en knikte ja. De vrouw vertelde over haar kleinzoon die te ver weg woont om op bezoek te komen. Ze vertelde ook over familieleden die niet te ver weg wonen om op bezoek te komen, maar toch niet komen. Maar haar kleinzoon dus. Die had haar zijn oude spelcomputer gegeven, zodat ze samen via internet konden gamen. Dit raakte me.

Misschien omdat het zo’n onverwacht beeld is. Een hoogbejaarde vrouw met een controller in haar handen. Niet om punten te scoren, maar om nabijheid te creëren. Geen spelcomputer als speelgoed, maar als brug. De vrouw gamet elke woensdagmiddag met haar kleinzoon. Voor hem is het waarschijnlijk een manier om uit de werkelijkheid te vluchten. Voor haar is het juist een manier om er weer even deel van uit te maken.

Gamen tegen de eenzaamheid. Het klinkt bijna lichtzinnig. Maar daar, in die huiskamer met het volume op braderieniveau, zag ik hoe serieus het kan zijn. Hoe serieus het kan worden. Hoe een digitaal wezentje op een scherm iemand weer even het gevoel kan geven dat ze meespeelt. Dat het nog lang geen game over is. Dat ze ertoe doet. Dat er iemand aan de andere kant van de verbinding zit die op haar wacht.