Diggy Dex
Diggy Dex
Interview

Diggy Dex: 'Ik ben altijd voor plan A gegaan'

Geen simpele rijmelarij, maar betekenisvolle, rake teksten. Dat kenmerkt de muziek van Diggy Dex (45), de alias van Koen Jansen. Zijn passie zat er van jongs af aan in, tegen wil en dank van zijn eigen moeder. ‘Zij vond het artiest worden maar gevaarlijk. Het heeft echt lang geduurd voordat ze het een beetje begreep en ze zal in zekere zin altijd wel bezorgd blijven of ik het allemaal wel red met dit werk.’

Frank Waals
Muziek
Nieuwe Revu ontmoet Diggy Dex

Waar? In zijn kantoor en geluidsstudio in Amersfoort. Aan de muur verschillende awards van andere artiesten. Koen Jansen, zoals hij echt heet, schrijft niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen. Verder nog wat? Twee weken na ons gesprek stond Diggy met zijn band in de AFAS Live: ‘Het afgelopen jaar stond voor mij in het teken van leven in het juiste tempo na een periode waarin ik even pas op de plaatst moest maken. We sloten die tijd af met een onvergetelijke avond in deze poptempel.’

Nieuwe Revu ontmoet Diggy Dex

‘Rouw is – zo zie ik het tenminste – iets wat altijd verandert, meandert, als een soort rivier. Die eerste periode na een overlijden zit je in het oog van de storm en denk je: holy shit, wat overkomt mij? Eerst moet je van alles regelen, daarna komt de stilte. Ik denk dat die eerste maanden voor mij heel onwennig waren. Dat beschrijf ik ook in het nummer. Dan zie ik mezelf bij het oude huis aankomen en realiseer ik me meteen weer even: o, wacht even, hij is natuurlijk dood.

Dat is zo gek. Alsof er 41 jaar lang een bank in je huiskamer heeft gestaan en iemand die op een middag ineens heeft weggehaald. Vier jaar later zijn er nog steeds momenten dat ik hem mis, maar het went wel iets meer. Het gevoel zal echter nooit helemaal overgaan. Over tien jaar mis ik hem nog steeds. Over twintig jaar niet minder.’

Geeft iets dat eindig is het om die reden juist waarde?


‘Absoluut. Dat is het helemaal. Mijn vader is zeventig geworden, maar als je het van de positieve kant bekijkt: ik heb hem wel ruim vier decennia in mijn leven gehad. Daar ben ik ongelooflijk dankbaar voor. Ik heb van hem genoten, hij heeft van mij genoten. Dat pakt niemand ons meer af. Wat heb ik geboft dat ik hem heb mogen meemaken. En ook dat er op het laatst geen open eindes meer waren. Tuurlijk, er zijn altijd wel kleine dingen die je later nog weleens had willen vragen, maar dat betreft geen grote levensvragen of zo.’

Diggy Dex op het podium.
Een ander lied over leven en dood: Straks is het te laat.


‘Misschien zijn wij wel de familie die iets te weinig zegt wat gezegd moet worden. Daarom ben ik ook zo blij dat ik mijn muziek heb. Soms is het gewoon makkelijker om woorden aan het papier toe te vertrouwen in plaats van ze hardop uit te spreken. Ik liet al mijn ruwe versies altijd aan mijn vader horen. En samen hebben we zijn verjaardag nog gevierd, tien dagen voor zijn dood. Vrienden van mij zijn hun beide ouders al kwijt. Dat is dan next level en hoop ik nog even voor me uit te kunnen schuiven.’

Hoe schrijf je eigenlijk een hit?


‘Dat hangt van zoveel factoren af. Het is altijd een combinatie van een goeie tekst, pakkende melodie en de artiest die op dat moment in zijn of haar carrière het momentum weet te pakken. Zeker in de popmuziek, waarbij het zwaartepunt van een artiest meestal in z’n twintiger en dertiger jaren ligt. Ik schrijf daarom ook voor anderen. Dat wil niet zeggen dat ik geen goeie show meer kan neerzetten. Je bouwt namelijk ook iets op met je publiek. Het is echter interessanter wanneer iemand als Roxy Dekker nu op haar twintigste iets uitbrengt dan Diggy Dex op z’n 45ste. En zodra zij straks het einde van haar houdbaarheidsdatum bereikt, staat er alweer een nieuw iemand te wachten. Deze wereld, net als de sport, is gewoon heel vluchtig.’

Dat is een nuchtere manier om ernaar te kijken, maar als jij over twintig jaar misschien aan populariteit inboet, hoeft toch ook niemand te zeggen: stop maar met muziek maken?


‘Zeker niet. Het is nu eenmaal een passie. Dat dooft niet. Al maak ik er tien mensen gelukkig mee, het vuur gaat bij mij nog steeds branden wanneer ik iets maak en ermee optreed. Mijn oudste, Bow van vijftien, is opgegroeid met een vader die zelf vanaf die leeftijd met muziek bezig is geweest, al zie ik hem niet een-twee-drie dezelfde richting op gaan. Hij is meer geïnteresseerd in geschiedenis en weet op culinair vlak hoe hij een lekkere maaltijd kan maken.’

Heb jij moeten opboksen tegen ouders die zeiden: ‘Leuk, dat rappen, maar dat is natuurlijk geen echt vak’?


‘Vooral mijn moeder vond het artiest worden maar gevaarlijk. Het heeft echt lang geduurd voordat ze het een beetje begreep en ze zal in zekere zin altijd wel bezorgd blijven of ik het allemaal wel red met dit werk. Zij is dan ook van een andere generatie. Geboren na de oorlog, hard werken en bij dezelfde baas blijven tot aan je pensioen. Zekerheid inbouwen in het leven, wat ik vanuit haar optiek goed begrijp. Zij is in een andere tijd opgegroeid dan ik. Een jaar of drie geleden vroeg ze me: ‘Wat nou als je zeventig bent en niemand komt meer naar je show?’ ‘Ik weet het niet, ma,’ antwoordde ik. Dat zie ik dan wel weer. Zo heb ik altijd in de wedstrijd gestaan.’

Misschien is dat de ongegronde angst van elke ondernemer.


‘Ik herken het, maar ben daarin altijd een optimist geweest. Met een bepaald lef of een bord voor je kop avonturen aangaan en dan maar zien waar het schip strandt. Ik verdien er nog steeds prima mee, zelfs zo goed dat vrienden van vroeger en ik elkaar weleens aankijken, zo van: dit hadden we toch niet durven dromen toen we net achttien waren, een beetje begonnen te rappen en ons eerste optreden deden voor drie man in de kroeg. Ik ben altijd voor plan A gegaan, zonder een alternatief te hebben. Dat is ook wat ik mijn kinderen probeer mee te geven. Doe altijd iets waar je zelf vertrouwen in hebt en waar je de juiste mensen bij kunt verzamelen om je daarin te helpen.’

Dat zegt de man die geslaagd is in een business waarin de meesten falen.


‘Het zit ’m meer in jezelf goed kennen, je plus- en minpunten kunnen inschatten en weten wat je nodig hebt om sommige doelen te behalen. Ik heb bijvoorbeeld geen geduld om te mixen. Ik kan me er een beetje in behelpen, maar liever laat ik het aan anderen over. Teksten schrijven, melodieën bedenken, daar ligt meer mijn kracht. Mijn telefoon staat vol met audio-memo’s van gitaarsolo’s wanneer ik zit te pingelen en er ineens iets in me opkomt wat ik wil onthouden. Daar rolt soms een nummer uit en uiteindelijk hoort mijn publiek het. In mijn eigen ritme, want ik ben geen artiest die vier keer per week ergens wil staan zingen. Als ik dertig keer per jaar voor een groep mensen sta, meestal in tours of in blokken met festivals, dan vind ik dat prima.’

Je collega Anouk doet het nog minder.


‘Alleen het hoognodige, nietwaar? Dat is haar keuze. Ze zal de intimiteit van een studio en het samen opnemen prefereren boven optreden. Sommige andere artiesten, bij wie dat niet in de natuur zit, hebben dat ook moeten leren. Met stap voor stap coaching. Sanne Hans heeft juist weer een grondige hekel aan schrijven en krijgt het liefst teksten aangeleverd waarmee ze direct de bühne op kan. Dat is weer haar ding. Ik heb beide kanten – creëren en performen – altijd leuk gevonden. Als kind vond ik het al vet om een spreekbeurt te geven op school of mee te doen in een toneelstuk.

Hoe zocht je als puber je grenzen op? Pilletje hier, feestje daar?


‘Harddrugs niet, softdrugs wel. Blowen op m’n vijftiende en een enkele keer paddo’s. Ik ben van 1980, dus uitgaan begon voor mij een beetje in het skate-tijdperk van midden jaren negentig. Wijde broeken en hiphop van de Beastie Boys en Wu-Tang Clan op je oor. Op 2 maart ga ik die laatste weer bekijken in de Ziggo Dome. Een trip down memory lane met vrienden waarmee ik in die tijd tot een soort subcultuurtje behoorde. Daar hoorden blowen, bier, alternatieve punk en een beetje basketballen bij. En in ons geval ook freestylen, beatboxen, lachen en rappen. Ik heb absoluut mijn grenzen opgezocht, maar zo wild was het nu ook weer niet.’

‘In het begin heb ik me enigszins afgezet tegen het vaderschap. Ik zat in een ongelukkige periode, had moeite mijn vorm erin te vinden’

Je behoort tot de laatste generatie die nog daadwerkelijk met elkaar afsprak op een basketbalpleintje.


‘Mijn kinderen spreken wel af met vrienden, maar ik merk dat het grootste gevecht met hen die verrekte schermtijd is. Mijn jongste, Skip van tien, heeft nu een telefoon waarop hij met vriendjes appt wanneer ze gaan afspreken. Daadwerkelijk naar hen toelopen om aan vader of moeder te vragen of Pietje thuis is, zit er niet meer in. Ik zou geen dingen anders hebben gedaan in het leven, omdat je dan weer spijt krijgt van wat je niet deed. Wel heb ik me in het begin enigszins afgezet tegen het vaderschap. Ik zat in een ongelukkige periode, had moeite mijn vorm erin te vinden. Achteraf had ik veel meer van die babyfase moeten genieten, maar wijsheid komt met de jaren. Ik haal die vreugde nu dubbel en dwars in, maar heb dat dus wel moeten leren.’

Diggy Dex.
Verzette je je tegen je nieuwe verantwoordelijkheden?


‘Ik denk het. Het zorgen voor een kind voelde als een plotselinge druk op mijn schouders waar ik misschien nog niet klaar voor was. Ook omdat ik me nog heel erg wilde bewijzen in de muziek, wat een eng en verstorend gevoel in mij opriep. Ik ben daarmee aan de slag gegaan om uit te vogelen waar de oorsprong ervan lag. Het bleek een patroon uit mijn jeugd. Mijn moeder, onderwijzeres van huis uit, was best streng, terwijl ik juist behoefte had aan vrijheid. Ik was altijd wel aan het ravotten, skaten en brandjes stichten op straat, terwijl mijn broer als een soort nerd braaf binnen met lego zat te spelen. Ma was dus heel erg op mij gefocust en meer dan eens had ze bij thuiskomst een blik waarvan ik dacht: wat heb ik nu weer geflikt? Daardoor ging ik juist nóg meer die vrijheid opzoeken. In therapiesessies kwam ik erachter dat dat mijn eerste reflex is op lastige situaties. Vertelt iemand mij wat ik moet doen, dan is mijn eerste reactie: vluchten.’

‘Als iemand mij vertelt wat ik moet doen, dan is mijn eerste reactie: vluchten’

Dat zul je dan bij je oudste zoon herkennen? 15 jaar, hij zoekt zijn grenzen en vrijheden op...


‘Ik zal de laatste zijn om dát niet te begrijpen. De puberteit is gewoon moeilijk. Voor hem én voor mij, nu vanuit de ouderrol. Het enige wat ik kan doen, is zorgen dat het thuis veilig is. Dat hij een vertrouwde haven heeft om naar terug te keren en we daar de lijn van communicatie enigszins openhouden. Dat we met elkaar kunnen praten. Dan vormt de rest zich vanzelf wel. Veel zal hij ook wel met vrienden bespreken en niet met mij. Ook daar kan ik inkomen.

Opvoeden gaat ook anders dan vroeger. Dingen als ‘papadag’ bestonden in mijn jeugd helemaal niet en heb ik helemaal omarmd. Ook kom ik uit een generatie waarin pa om zeven uur ’s ochtends de deur uit ging, ’s avonds pas weer thuiskwam en dan ging je samen voetbal kijken of hij las een boekje voor. Ik kan, met mijn vrije werk, betrokkener zijn in de opvoeding. Ze naar school brengen en op zaterdagochtend langs de lijn staan als ze een wedstrijd spelen. Ik hoop uit te stralen dat ik altijd mijn hart heb gevolgd en hen daarmee te stimuleren hetzelfde te doen.’

Was je vader voor de balans thuis het tegenovergestelde van je moeder?


‘Jazeker. Hij gaf mij onbewust het gevoel dat het goed was wat ik deed en dat hij alle vertrouwen in mij had. ‘Ga ervoor, jongen. Dit kan jij.’ De band met ma is veranderd na het overlijden van pa. Omdat je met je neus op de vergankelijkheid van het leven gedrukt wordt. Zij is ook alweer 79, heeft niet het eeuwige bestaan. De schroom is er wat meer vanaf gegaan. Bij zowel haar als mij.’

In het tv-programma Onvergetelijke liedjes zong Jaap Reesema het door jou geschreven Ga toch niet zo snel, over je opgroeiende zonen.


‘Dat was zo’n halffabricaat ding dat om een of andere reden niet op mijn eerdere platen paste. Jaap heeft een prachtige stem en heeft het verhaal dat ik wilde vertellen helemaal tot z’n recht laten komen. Dat is namelijk de opzet van dat programma. Andere artiesten die niet eerder uitgebrachte werken van een collega leven inblazen. Hij zingt: ‘De klok slaat, maar terugslaan heeft geen zin. De tijd vliegt, ik kan alleen maar rennen. Dus op een dag dan haalt de tijd me in. En ik kan daar maar niet aan wennen.’ Het is mijn manier om te beschrijven hoe snel de tijd eigenlijk gaat.’

En dan komt het via Jaap ineens tot leven. 


‘Toen hij dat vóór me stond te zingen, raakte ik ontroerd. Ik herkende me ook in elk woord dat hij uitsprak, me daarna pas echt realiserend dat ikzelf degene ben die het geschreven heeft. Dat koppel je in eerste instantie toch een beetje los als je het hoort. Dat je buiten jezelf treedt en in een soort leipe trip je leven als een film aan je voorbij ziet trekken. Heel gek is dat. Intense momenten met mijn kinderen, van hun eerste schooldag tot vakanties, wil ik me blijven herinneren. Ik neem foto’s met mijn ogen en sla ze heel zorgvuldig op. Om ze later terug te kijken. Hoe ze praten, hoe ze spelen, lopen, zingen, dansen en kijken. Op een dag is dat namelijk allemaal voorbij.’

Zou je ook holadijee-liedjes, zoals Zwemmen in Bacardi Lemon, kunnen maken?


‘Ik zou willen dat ik ’m geschreven had. Ik vind het wel echt een goede zin. Zo simpel, zo geniaal. Ik hou genoeg van taal en ritme om dat te kunnen waarderen. Ik denk dat het merk van dat drankje er ook wel blij mee is. Het is niet alsof Mart zingt: ‘Ik ben fan van Adolf Hitler en ik drink Bacardi.’ Het lijkt me prima reclame voor hen.’

Heeft je openheid over je overwonnen burn-out je veranderd?


‘Wezenlijk en aanwijsbaar. Ik beheer mijn agenda beter door bewust rust in te plannen. Ik mediteer dagelijks en doe aan yoga. Dat helpt enorm en is voor mij de perfecte manier om mijn lichaam te onderhouden. Ik ben mijn hele leven beweeglijk geweest en daar gedij ik goed bij, maar soms is het ook goed om even uit je vaste patronen te stappen. In een gezin met een huishouden en mijn vrouw Dagmar die ook haar carrière heeft, merkte ik op een gegeven moment dat ik vast kwam te zitten in het altijd maar ‘aan’ moeten staan. Van de broodtrommels maken om zeven uur ’s ochtends tot aan het licht uitdoen om elf uur ’s avonds.’

Dat is nu niet meer het geval?


‘Ik start mijn dagen anders, te beginnen met vijftien minuten meditatie. Even voelen waar ik ben en wat ik wil, gevolgd door de cat-cow-oefening waarbij ik op mijn handen en voeten op de grond naar voren loop totdat ik me volledig uitstrek. Die rust is geen overbodige luxe. Tijdens optredens spring en beweeg ik al genoeg en daarbij merk ik dat ik een dagje ouder word. Om die topsport aan te kunnen, sport ik twee à drie keer in de week en maak ik m’n hoofd leeg door thuis een rustig muziekje op te zetten. Ik ben spiritueel en geloof dat alles uiteindelijk energie is. Jij, ik, het keyboard dat daar staat, het is allemaal samengesteld uit hetzelfde. Zolang je er op een positieve manier aandacht aan geeft, blijft die energie stromen.’

Je gelooft dus dat je vader nog ergens is?


‘In een bepaalde kern wel. Ik merk dat aan bepaalde tekens die ik soms krijg. Wanneer mijn antenne even aanstaat en ik hem sterk voel. Ik heb niet het idee dat hij is opgelost in het grote alles, want we maken allemaal onderdeel uit van het universum. Daar kun je in gedachten van tijd tot tijd op intunen en contact maken met die persoon of dat gevoel.’

Je wordt veel gedraaid op begrafenissen...

‘Dat is mooi en eervol, maar ik ga er niet zelf zingen. Dan voel ik me toch een beetje als een ongenode gast. Ook al weet ik dat mensen er echt wel iets aan kunnen hebben, maar ik vind het altijd best een intense gebeurtenis.’

Hoe ga jij om met verering? Is dat mooi of brengt het ook een bepaalde mate van ongemak met zich mee?


‘Beide. Het is oprecht mooi om te horen en ik ben dankbaar dat ik dit werk kan en mag doen. Daar heb ik hard mijn best voor gedaan. Een collega uit het vak zei me echter eens: ‘Als je het liedje geschreven en ingezongen hebt, dan zit jouw taak erop. Vanaf dan is het van de mensen die er voor zichzelf weer iets uithalen.’ Wanneer ze dan naar je toekomen om aan te geven hoe cool ze het vinden, dan is dat fijn, bedank ik hen en is het weer klaar. Ik ben daar wel nuchter in. Je hebt echter ook fans met hele plakboeken die alle twaalf zalen waar ik speel bezoek. ‘Hartstikke lief, maar is dat niet saai?’ vraag ik dan. Toch halen ze steeds weer iets nieuws uit zo’n avond.’

Premium
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct