Vorig jaar schreef ik over een man die op de ene borst zijn vrouw had getatoeëerd en op de andere het hoofd van Arne Slot.
‘Wat als het volgend jaar slechter gaat?’ vroeg ik hem.
‘Dan haal ik haar gezicht gewoon weg,’ antwoordde hij.
Ik vraag me af hoe het nu met hem gaat. Omdat ik toch in Liverpool ben, spreek ik met hem af in zijn stamkroeg.
In de kroeg is het te druk voor het vroege tijdstip. In elk ander land is het nu lunchpauze, maar in Liverpool lijken alle dagen op een feestdag. En het is niet zozeer dat de mensen hun problemen verdrinken. Nee, ze drinken hun problemen alleen iets kleiner. Ze proberen hun zorgen te madurodamificeren.
De man met de tatoeage staat aan de bar te blèren. Hij draagt zijn zelfoverschatting als een onbetaalbare broche. Ik tik hem aan en hij draait zich rustig om. Door de alcohol in zijn bloed is snel omdraaien geen optie.
‘Je bent er weer, jongen. Je vraagt je natuurlijk af of ik hem al heb laten weghalen?’ zegt hij. Een stem als de scheepshoorn van een veerboot.
Hij trekt zonder schaamte zijn T-shirt een stukje omhoog. De kroeg reageert er niet eens op. In Liverpool is een ontbloot bovenlijf ongeveer net zo bijzonder als een paraplu.
Arne Slot is nog niet weggehaald. En zijn vrouw ook niet.
‘Dit seizoen speelt Liverpool natuurlijk waardeloos. Het is niet om aan te zien. Maar ik ga geen tatoeage weghalen. Ik ben geen rancuneuze ex of zo. Slot blijft voor altijd op mijn borst staan.’ Hij zegt het zonder aarzeling. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is om een trainer voor de eeuwigheid op je borst te zetten. Loyaliteit zit bij hem in het bloed en in zijn huid.
De man laat zijn T-shirt weer zakken en neemt een slok van zijn bier.
‘Je moet ergens in geloven, jongen,’ zegt hij met het schuim nog op zijn bovenlip.
Ik knik, maar eigenlijk weet ik niet of ik het met hem eens ben. Ik ben namelijk het tegenovergestelde van deze man. Als het tegenzit, begin ik meteen te twijfelen. Aan spelers, aan trainers, aan tactiek, aan alles.
Waarschijnlijk had ik die tatoeage allang laten weghalen. Maar hij niet. Hij blijft gewoon aan de bar staan, met zijn bier, zijn zelfoverschatting en twee tatoeages waar hij blijkbaar nog steeds in gelooft. En terwijl hij nog een rondje bestelt, realiseer ik me dat ik niet jaloers ben op zijn tatoeages. Nee, ik ben jaloers op zijn vertrouwen. Op zijn onversneden hoop. Misschien had ik het gezicht van Slot al laten weglaseren.
Waarschijnlijk zegt dat vooral iets over mij, en niets over hem. Bij hem staat het in inkt. Misschien doe ik er goed aan het iets langer vol te houden. Waar ik begin te twijfelen, kent zijn vertrouwen geen slot.