James Worthy
Column

James Worthy: 'Hij lijkt me alvast te condoleren, zijn vingers zijn dik en zacht, als ongekookte knakworsten'

'‘Bent u een bekende armworstelaar?’ vraagt de barman'

James Worthy
Column James Worthy

Tijdens een schrijfretraite in het noorden van België stap ik een kroeg binnen waar op dat moment de Noord-Belgische kampioenschappen armworstelen plaatsvinden. Mannen met bierbuiken en borrelnootborsten kijken naar me wanneer ik het etablissement binnenstap. Ik zie eruit als iemand die kan armworstelen. In werkelijkheid ben ik beter in met het leven worstelen. En toch voel ik de drang om naar de bar te lopen en mezelf in te schrijven. Ik bestel een cider en zeg dat ik speciaal uit Holland ben gekomen voor dit toernooi. De barman kijkt naar mijn armen zoals ik denk dat vrouwen naar de micropenis van een man kijken. Met een mix van ontroering en medelijden. ‘Bent u een bekende armworstelaar?’ vraagt de barman. 

‘De mensen die mij moeten kennen, kennen mij.’

‘En de mensen die u niet kennen?’

‘Die kennen me niet.’

Soms moet je simpele dingen op een overtuigende manier brengen, zodat ze ingewikkeld overkomen. James Bond doet dat ook altijd. Shaken not stirred bijvoorbeeld. Het is eigenzinnigheid verpakt in onzinnigheid. Een klassieke Martini hoor je juist te stirren. En toch klinkt het sexy. Misschien juist wel omdat het niet hoort.

In de eerste ronde speel ik tegen een man die Jeroen heet. Gewoon Jeroen. Hij ziet eruit als een gepensioneerde vrachtwagenchauffeur en zo ruikt hij ook. Naar parkeerplaatsen, zakdoekjes en handcrème.

Hij steekt zijn hand uit alsof hij me alvast wil condoleren. Zijn vingers zijn dik en zacht, als ongekookte knakworsten. ‘Succes hè,’ zegt hij. Het klinkt niet als een wens, maar als een constatering.

De scheidsrechter, een vrouw met een fluitje en de blik van iemand die dit allemaal al duizend keer heeft gezien, pakt onze handen vast en positioneert ze alsof we samen een geheim delen dat niemand anders mag horen. ‘Klaar?’ vraagt ze.

Niemand is ooit klaar voor wat er daarna gebeurt, maar we knikken toch. ‘Go!’

Jeroen beweegt niet. Ik ook niet. Dit is geen krachtmeting, maar een stilstand. Daar ben ik goed in. Twee mannen die doen alsof ze iets aan het doen zijn. In mijn hoofd probeer ik technieken te herinneren die ik nooit heb geleerd. ‘Je moet wel een beetje kracht zetten,’ zegt Jeroen.

Ik zet kracht zoals ik koffie zet. Sterk. In theorie. Er gebeurt niets. Hij geeft ook alles en mijn arm beweegt. Eerst millimeters, dan centimeters. ‘Kom op jongen,’ hoor ik iemand roepen vanuit het publiek. Ik weet niet of ze mij bedoelen of hem. Misschien allebei. Misschien maakt het niet uit.

Mijn arm raakt de tafel met een dof tikje. De scheidsrechter fluit. Jeroen laat meteen los, alsof mijn verlies besmettelijk is. ‘Goed gedaan,’ zegt hij.

‘Jij ook.’

Ik sta op en loop terug naar de bar. De barman kijkt me weer aan, dit keer zonder medelijden. Eerder met herkenning. Alsof hij dit scenario al had uitgeschreven voordat ik binnenkwam. ‘Nog een cider?’ vraagt hij.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Maar dit keer shaken.’

Hij fronst.
‘Dat doen we hier niet.’

‘Gelukkig maar,’ zeg ik.