Aan alle lezers die Ajax en diens eeuwige nummer 14 net zo’n warm hart toedragen als deze journalist; alvast mijn welgemeende excuses voor dit portret. Over het voorstel van de chef – een verhaal over Cruijff de klootzak, ‘weer eens wat anders’ – heb ik langer getwijfeld dan aan zijn voorstellen om Willem Engel, een tbs’er die zijn vader omlegde en een functionerende pedofiel te interviewen. Thema’s die doorgaans bij mij de vraag oproepen: zou je dat nou wel doen? Moet je dat nou wel willen?
Nou, ik kan u zeggen: dit was de moeilijkste. Een beetje mijn eigen clubicoon lopen neersabelen, pagina’s lang. Mijn reactie – ‘Zoek maar een ander’ – stond klaar voor verzending, totdat zomaar een van Cruijffs vele uitspraken door mijn kop schoot. Iets in de trant van: ‘Vier miljard mensen kennen mij. Driekwart van hen vinden mij geweldig. Daar richt ik mijn aandacht op. Want als ik mij een beetje druk zou lopen maken om het feit dat die andere kwart mij een klootzak vindt, dan zou ik toch helemaal gek worden?’
Tja, wie zijn eigenlijk die miljard mensen die De Verlosser eerder zagen als De Lamstraal? En waarom vonden ze dat dan? Je bent tenslotte een journalist om dit soort prangende vragen te beantwoorden. En soms moet er gewoon iets gebeuren voordat er iets gebeurt. Daarnaast: je gaat het vaak pas zien als je het doorhebt. Volgt u het nog? Nou, als ik zou willen dat u het begreep, zou ik het wel beter uitleggen.
Magie en filosofie
Hendrik Johannes Cruijff, geboren in 1947 te Amsterdam-Oost, wordt in nagenoeg iedere publicatie, podcast, film en/of Panorama-artikel de hemel in geprezen. Da’s logisch. De man kon nou eenmaal pingelen, passen en scoren als geen ander. Was het brein achter drie achtereenvolgende Europa Cups in de vroege jaren zeventig. De architect van het totaalvoetbal. De revolutionair van het grote Barça. Drievoudig winnaar van de Ballon d’Or. Een grootse trainer. Voorzag het spelletje van magie, maar ook van een filosofie. Maar goed; genoeg veren. Want zelfs de grote Johan Cruijff was maar een mens van vlees en bloed. Een man met zeer vervelende trekjes, onverklaarbare opvliegers en vieze geheimen. Iemand die ook weleens te lang naar andere vrouwen keek, óók slechte dagen kende en óók vieze scheetjes liet.
Een van de allereersten die met Cruijff de klootzak word geconfronteerd, is diens leraar op de School met den Bijbel. Nog meer dan een onnavolgbaar voetballertje is kleine ‘Jopie’ namelijk een ontiegelijke bijgoochem. Een geboren betweter. In zijn boek Cruijff! De jonge jaren schetst biograaf Bert Hiddema hoe Cruijff als schooljochie op een dag opmerkt hoe de meester tijdens het bidden zijn ogen openhoudt. ‘Mag je je ogen openhouden onder het bidden?’ vraagt hij vervolgens. ‘Nee,’ antwoordt de meester. ‘U deed uw ogen anders wel open,’ zegt Jopie dan. ‘Dan hield jij je ogen ook open,’ zegt de meester triomfantelijk. Waarop Cruijff weer zegt: ‘Maar ik mag het! Ik ga op zondag nooit naar de kerk!’
Cruijff moet áltijd het laatste woord hebben. Ook in het veld. ‘Zo makkelijk als hij doelpunten maakte, zo eenvoudig wist hij ruzie te krijgen,’ schrijft de Volkskrant in 2016. Met andere woorden: wie met Cruijff het veld deelt, krijgt het voor z’n kiezen. Waar die moet lopen. Hoe die moet passen. Naar wie die moet passen. Hoe die sneller moet passen. Beter op te letten. Eerder schieten. Koppie d’r bij houden! Om gek van te worden. ‘Cruijff had altijd zijn mondje open,’ zei Ajax-keeper Piet Schrijvers eens. ‘En doordat we sinds zijn komst wedstrijden wonnen, had hij het gelijk aan zijn zijde.’ Maar dat er ook gezeik van komt, is ook logisch. Cruijff daarover: ‘Als je iets wilt veranderen, ontstaat er gedoe. Maar gedoe hoort erbij. Vaak komen ze er later achter dat ik gelijk heb gehad.’
Contract verscheurd
Zo is het ook in de zomer van 1965. Cruijff, 18 jaartjes jong pas, krijgt van Ajax zijn eerste profcontract onder zijn neus. Hij kijkt, leest en verscheurt vervolgens de hele hap. Pal voor de ogen van de stomverbaasde voorzitter Jaap van Praag. Meneer vindt het niet kunnen dat clubs meer aan transfers verdienen dan spelers. Zijn eis: het viervoudige. En jawel: Van Praag capituleert. Cruijff gaat 15.000 gulden per jaar verdienen. Een recordbedrag én een unicum in een team van onderwijzers (Klaas Nuninga), winkelhouders (Ton Pronk), sigarenboeren (Sjaak Swart, Bennie Muller) en zo nog twintig parttimers. Meneer had zijn zaakjes al vroeg voor elkaar. ‘Ben ik autoritair? Nee, dat niet. Maar ze moeten wel doen wat ik zeg.’
Cruijff had zijn zaakjes al vroeg voor elkaar. ‘Ben ik autoritair? Nee, dat niet. Maar ze moeten wel doen wat ik zeg’
Alles beter weten botert niet met het opvolgen van orders. Vraag maar aan Rinus Michels, die Cruijff als jonkie in die zomer van ’65 onder zijn hoede kreeg. De twee krijgen een bijzondere band, staan samen aan de wieg van het totaalvoetbal, worden zelfs vrienden, maar o wat haalt die arrogante Cruijff soms het bloed onder de nagels van Michels vandaan. Op de dag dat de jonge vedette in zijn knalrode Porsche op de training arriveert – twee minuten te laat – is ‘De Bul’ het spuugzat. Cruijff mag de volgende ochtend, zes uur stipt, een paar extra rondjes rennen. Michels komt die ochtend ook, mét een pyjama onder zijn regenjas, en spreekt de legendarische woorden: ‘Fijn dat je er bent Johan, maar als je het niet erg vindt, ga ik nu weer naar bed.’
Een jaar later mag Cruijff opdraven in het shirt van Oranje voor zijn tweede interland. Het wordt een memorabele wedstrijd, maar om de verkeerde redenen. Zijn rode kaart is de allereerste voor een international. Volgens de overleveringen heeft hij scheidsrechter Rudi Glöckner geslagen. Cruijffs persoonlijke verklaring: ‘Je spreekt geen Duits en dan ga je met je handen bewegen.’ De KNVB schorst hem voor een jaar, maar na zeven maanden wordt die schorsing opgeheven. Nederland kan zijn supertalent niet missen.
Bij Ajax, waar Cruijff de Amsterdammers naar de wereldtop leidt, gaat het er in de kleedkamer een stuk minder feestelijk aan toe. In de zomer van ’73 zijn zoveel ploeggenoten de fratsen van hun sterspeler beu, dat er gestemd wordt over de aanvoerdersband. Cruijff krijgt zeven stemmen, Piet Keizer eentje meer. Nummer 14 is pislink en vliegt Keizer nog net niet in de haren. Kort daarna vertrekt hij uit Amsterdam. Bij FC Barcelona lopen ze weg met De Verlosser. Onder de Spaanse zon wordt hij wél gewaardeerd, iets waar Cruijff maandelijks aan wordt herinnert als ’s werelds best betaalde voetballer zijn loonstrookje weer ontvangt.
‘Cruijff kon tijdens trainingspartijtjes oeverloos zeuren over doelen die te groot of te klein waren, of over netten die niet deugden’
Het geheim van Johan Cruijff zit ’m – buiten zijn goddelijke talent – voor een groot deel in diens beestachtige drang om te winnen. Én het feit dat hij niet tegen zijn verlies kan. Zelfde verschil. Ook daarin kan hij een klootzak zijn. In een portret in HP De Tijd herinnert Barry Hulshoff zijn oud-ploeggenoot dan ook als ‘een briljante voetballer’, maar zeker ook ‘als de man die tijdens trainingspartijtjes oeverloos kon zeuren over doelen die te groot of te klein waren, netten die niet deugden, alleen maar om de tegenpartij, als die zojuist een goal gescoord had, mentaal te ontregelen’.
Des te gekker is zijn beruchte ‘schoenenactie’ in 1969, waarmee Cruijff niet alleen zichzelf en het nationale elftal, maar indirect ook het godganse land dupeert. Met vrouwlief Danny heeft de superster het in zijn hoofd gehaald een chique schoenentoko te openen in de Kinkerstraat. In plaats van mee te trainen voor de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Bulgarije vliegt Cruijff doodleuk naar Italië om schoenenfabrieken te bezoeken. Hij bestelt direct drieduizend paar en ‘mist’ vervolgens zijn vlucht naar Nederland. Bondscoach Georg Kessler is ziedend en schorst zijn vedette voor Nederland-Bulgarije. De wedstrijd wordt verloren, Nederland mist het WK 1970. Waarschijnlijk net de editie die ons de wereldtitel zou hebben opgeleverd. Cruijff, klootzak!
Varkensfokkerij
Met geld omgaan, kan Cruijff ook al niet. Eind jaren zeventig stopt Het Orakel van Betondorp met voetbal, met miljoenen op de bank. Dat geld vertrouwt hij nagenoeg volledig toe aan een Russische playboy die varkens fokt. Dat idee klinkt nu net zo slecht als dat het toen ook was. Michel Basilevitsj, de bewuste Rus, is dan een ‘vriend’ van de hele familie Cruijff, maar blijkt een ordinaire oplichter. Zijn in twaalf jaar bij elkaar gepingelde vermogen – 6 à 10 miljoen gulden volgens de schattingen – is Cruijff in één klap kwijt.
‘Een van je kennissen zegt iets en daar loop je dan achteraan,’ schrijft hij jaren later in zijn autobiografie. ‘Achter iets waar je geen verstand van hebt. Plus, dat is eigenlijk het meest stomme, iets waar je eigenlijk helemaal geen binding mee hebt. Anderen maken daar weer gebruik van. Want waar geld is, daar lopen alle ratten omheen. Alleen dat wist ik toen niet. Ik investeerde in een varkensfokkerij. Hoe kwam ik erbij?!’
Zo’n domme fout zou Cruijff niet meer maken. In 1981 heeft hij geld nodig en keert, na kortstondige avontuurtjes in Amerika en Spanje, terug naar jeugdliefde Ajax. De man waant zich inmiddels een absolute legende en eist een deel van de recettes als er meer dan 11.000 toeschouwers komen. Dat is tegen het zere been van voorzitter Ton Harmsen, die claimt dat zijn 36-jarige veteraan überhaupt te oud is geworden voor zijn salaris van anderhalf miljoen gulden. Cruijff pikt dat niet en doet het ondenkbare: hij verkast naar Rotterdam. ‘Typisch Cruijff hè, altijd rancuneus,’ aldus Hulshoff. ‘Jammer, jammer, jammer,’ schrijft Jan Mulder. ‘Dat korte zwarte broekje is en blijft een smet op zijn zo bewonderde carrière.’ Reactie Cruijff: ‘Ajax wilde me niet meer. Dan moet je verder.’ Met Feyenoord wint hij de landstitel én de beker.
Later in zijn leven toont Cruijff zich ook geregeld een klootzak. Als trainer, analist, commentator, columnist en gewoon als Cruijff. Ongevraagd advies geven blijft zijn handelsmerk. Conflicten krijgen dus ook. Noemenswaardig: die met Marco van Basten. Ooit een gouden duo als leerling en grootmeester, maar in 2008 kunnen de twee elkaars bloed wel drinken. Cruijff is terug bij Ajax als ‘technisch adviseur’ en oppert de ene rigoureuze ingreep na de andere, van verplichte cursussen tot het ontslaan van jeugdtrainers. Van Basten, inmiddels Ajax-trainer, kan daar niks mee en slaat de adviezen van Cruijff in de wind. Die is op zijn beurt niet gewend dat mensen niet naar hem luisteren en dus stapt hij op. Jaren later blikt Van Basten erop terug in een VI-column. ‘Toen we jaren geleden een akkefietje kregen over de wijze waarop Ajax bestuurd moest worden, ging hij echt vol in de aanval. Hij werd fel en onredelijk. Ik was het er niet mee eens. Toen zijn we uit elkaar gegaan. “Jij komt er nog wel achter,” zei Johan. Nou, ik heb een paar jaar gewacht en ik weet nog steeds niet wat hij bedoelde.’
Fluwelen Revolutie
Cruijff zou Cruijff niet zijn als hij Ajax van adviezen bleef voorzien, gevraagd én ongevraagd. Soms kwam hij persoonlijk even aanwaaien, vaak liet hij via zijn Telegraaf-columns weten hoe het allemaal moest. En toen was er de Fluwelen Revolutie. Het almachtige plan van De Verlosser om Ajax weer een herkenbaar gezicht te geven met oud-spelers en zo terug te keren naar de Europese top. Of zoals Van Basten het liever noemt: één grote komedie. ‘Met veel kabaal is bij Ajax de boel overhoopgehaald. Als je nu bekijkt wat het gevolg daarvan is, vind ik dat zeer bedenkelijk,’ aldus Van Basten in 2015, vier jaar na de revolutie waar helemaal niks ‘fluweel’ aan was, eerder bloederig. Trainers, belangrijke bestuurders en oud-spelers moesten het veld ruimen of vertrokken zelf. Van Basten: ‘Opgeknoopt door Cruijff en De Telegraaf. In die strijd is er keihard op de man gespeeld. Waar het dus uiteindelijk om ging, is macht.’
‘Het probleem is dat Johan Cruijff de baas is. Maar hij is er nooit. Vervolgens is er dus geen baas en is iedereen een beetje de baas’
Mark Geestman, een van de opgestapte leden, zei het treffend: ‘Het probleem is dat Johan Cruijff de baas is. Maar hij is er nooit. Vervolgens is er dus geen baas en is iedereen een beetje de baas.’
En dan is er nog het hoofdpijndossier Louis van Gaal. De slepende ruzie tussen de eeuwige nummer 14 en Van Gaal, ook al niet de makkelijkste, bestrijkt een periode van zo’n twintig jaar. Toen Van Gaal in 2011 werd benoemd tot algemeen directeur van Ajax, reageerde Cruijff met: ‘Ze zijn gek geworden.’
De kiem van het conflict lag volgens Van Gaal bij een etentje bij Cruijff thuis. ‘Op 26 december 1989 vierde ik kerst bij de familie Cruijff thuis. Toen ging de telefoon. Het was voor mij. Mijn zus Riet bleek overleden. Ik ben halsoverkop naar huis gegaan. Later hoorde ik dat Johan het me kwalijk heeft genomen dat ik hem nooit bedankt heb,’ zo schrijft Van Gaal in 2009 in zijn autobiografie. Cruijff verwees deze versie naar het rijk der fabelen. ‘Van Gaal heeft echt alzheimer als hij zoiets beweert. Als je zoiets hoort, dan vraag je jezelf af of er bij iemand misschien een draadje loszit of mogelijk zelfs een kabel. Dat ik ruzie met Van Gaal zou hebben, komt helemaal voor zijn rekening. Ik heb wel betere dingen te doen.’
Daar is dan weer niks van gelogen. Cruijff was een druk baasje. Tegen het einde van zijn leven waren er vier miljard mensen die zijn naam kenden. Driekwart van hen liep met hem weg. Die andere miljard? Die snapten het gewoon niet. Want wie dit verhaal goed leest, begrijpt ook wel dat Cruijff helemaal geen klootzak was. Nooit geweest ook. Een klootzak is iemand die mensen naait, streken uithaalt voor eigen gewin. Zo iemand was Cruijff niet. Buiten het veld was hij heus geen godswonder, maar een klootzak? Nee. Hooguit een koppige lul die het altijd beter wist. Kon ie zelf trouwens helemaal niets aan doen. ‘Ik maak eigenlijk nooit fouten, want ik heb enorme moeite om me te vergissen.’ Maar dat is logisch.