Diederik Ebbinge
Acteur Diederik Ebbinge
Interview

Acteur Diederik Ebbinge: 'Deze tijd is zo geschift, daar kun je bijna geen satire meer over maken'

Een musical schrijven en regisseren. Dat had multitalent Diederik Ebbinge (56) nog niet van zijn toch al indrukwekkende to-dolijst gevinkt, dus waarom ook niet? Wegens succes gaat zijn voorstelling Onze Jordaan deze maand in reprise, maar de bedenker zelf is in zijn hoofd alweer vijf stappen verder. ‘Ik ben bezig met het bedenken van een grote musical over vierhonderd jaar macht in Nederland.’ 

Fleur Baxmeier
Nieuwe Revu ontmoet Diederik Ebbinge

Waar? In Amsterdam. Nog iets genuttigd? Nee. Verder nog wat? Onze Jordaan is tot half mei te bewonderen in verschillende theaters in het land. Gaat dat zien! Op onzejordaan.nl koop je kaartjes. 

Uitverkochte zalen, lovende recensies, bezoekers vanuit alle bevolkingslagen. Waarom is er zoveel enthousiasme rondom Onze Jordaan?

‘Het ging als een lopend vuurtje, zeker in de omgeving van Amsterdam. In plaatsen als Purmerend, Haarlem en Hoofddorp wonen veel oud-Amsterdammers die uit de tijd komen waarin Onze Jordaan zich afspeelt. De musical gaat over de Jordanese Greet die op de avond voor haar tachtigste verjaardag terugkijkt op haar leven in die veranderende volkswijk waar iedereen uit vertrok. Haar buurt voelde niet meer als haar buurt, het Amsterdamse lied verdween. Dat is herkenbaar voor veel mensen die rondom Amsterdam wonen. Aan de andere kant was er in het La Mar ook een hele bus vol liefhebbers uit Maastricht aanwezig, die aan het einde net zo zaten te sniffen als de Jordanezen.’

In de musical versmelten de smartlappen van Willy Alberti, Tante Leen en Johnny Jordaan met Italiaanse belcanto en klassieke opera. Is dat jouw manier om zowel de highbrow als de lowbrow aan je te binden?

‘De Amsterdamse muziek uit de tijd van Willy Alberti, Tante Leen en Johnny Jordaan komt direct voort uit de Italiaanse opera. Willy Alberti heet eigenlijk Carel Verbrugge, wist je dat? Hij wilde een Italiaanse operazanger worden en dacht: ik meet mezelf een Italiaanse naam aan. Opera drukt op een soort sentiment en melancholie, net als de smartlappen die eruit zijn voortgekomen. Als je Italiaanse opera en smartlappen naast elkaar legt, dan hoor je meteen dat ze veel met elkaar gemeen hebben. Het lag voor de hand om daar iets mee te doen, maar ik was de eerste die de link legde.’ 

Ergens klinkt het ook als risky business, een niet-Amsterdammer die een musical maakt over de historie van de Amsterdamse Jordaan...

‘Ik woon er sinds 1988, dus ik voel mij wel een Amsterdammer. Mijn schoonfamilie is Amsterdams, bij hen heb ik veel inspiratie opgedaan. Zij woonden in Bos en Lommer, maar zijn net als veel andere Amsterdammers in de jaren zeventig de stad uitgegaan. Mijn vrouw Roosmarijn is daardoor opgegroeid in Castricum, maar haar ouders bleven naar Amsterdam teruggaan om met hun eigen koor te repeteren. Dat soort verhalen hoor je vaak.’

Je zat zelf ook bij een koor, als tiener in Baarn. Dat klinkt vrij braaf, maar je was naar eigen zeggen ook een wildebras zonder enige interesse in school of een toekomstplan. Hoe ging dat samen?

‘Zingen in een groep is fantastisch. En gezellig. Ik hield als puber ontzettend van gezelligheid. Daar was ik altijd naar op zoek, dat was wat me interesseerde. En meisjes, die hielden me ook erg bezig. Mijn ouders lieten me erg vrij, dus ik kon enorm mijn gang gaan. Altijd de hort op, afspreken met vrienden en vriendinnen. Ik was bezig met wat leuk was en niet met serieuze zaken, school of toekomstplannen. Dat interesseerde me niets. Ik had heel lang geen idee wat ik wilde met mijn leven. Dat kwam pas toen ik na weer een mislukte schoolervaring ging werken bij het Nationaal Computer Centrum Woningcorporaties in Almere. Daar heb ik drie jaar gezeten, in een redelijk ongelukkige toestand. Dat zette me aan het denken: wil ik dit echt de rest van mijn leven doen?’

Acteur Diederik Ebbinge.
Het lijkt een redelijk grote kloof die je moest overbruggen, vanuit de computers naar de kleinkunst.

‘Mijn ouders namen me in mijn jeugd vaak mee naar cabaret. Dat vond ik heel erg leuk. In mijn puberteit werd ik fan van Herman van Veen, zijn liedjes vond ik fantastisch. Ik fantaseerde er weleens over om zelf zoiets te doen, maar wist niet echt hoe of wat. Achter mijn computer begon het te dagen dat ik toch wel die kant op wilde. Toen ben ik auditie gaan doen voor de kleinkunstacademie. Dat was mijn strohalm, mijn levenslijn. Mijn referentiekader van cabaret was tot die tijd vrij klein.

Op de kleinkunstacademie zag ik wat er nog meer allemaal kon en zat ik in de klas met Remko Vrijdag en Rutger de Bekker. De school was in die tijd heel klein, met in totaal 32 leerlingen. Wij waren de jongens in een klasje van zes, dus we zaten elke dag met elkaar opgescheept. Dat was heel leuk en gezellig. Toen we klaar waren met de opleiding en alledrie geen stageplek konden vinden, kwamen we op het idee om dan maar met z’n drieën mee te doen aan het Amsterdams Kleinkunst Festival. De rest is geschiedenis.’ 

Als De Vliegende Panters verwierven jullie grote bekendheid met brutale, absurdistische shows en grensverleggende humor, in de vorm van nummers als Het blanke ras (is superieur). Waren jullie bewust uit op provocatie, of was dat een leuke bijkomstigheid?

‘Een combinatie, denk ik. We deden wat we leuk vonden en we vonden het ook leuk om de grenzen op te zoeken, maar die waren er in die tijd amper. Het maakte niet uit wat we deden, iedereen vond alles wat we deden schitterend en prachtig. Daardoor begonnen we de grenzen steeds verder op te rekken, ook omdat we dachten: wanneer lopen we er nu eindelijk eens een keertje tegenaan? In de jaren negentig kon je alles eruit kotsen wat je wilde, zonder dat er enige kritiek op kwam. Iedereen lag in een deuk, ongeacht wat je zei. Dat had iets jammers, vond ik. Ik ben blij dat het publiek tegenwoordig veel meer commentaar heeft, dat is een stuk uitdagender.’ 

'In de jaren negentig kon je alles eruit kotsen wat je wilde, zonder dat er enige kritiek op kwam. Iedereen lag in een deuk’

Zouden jullie de sketches uit de jaren negentig vandaag de dag nog steeds kunnen maken?

‘Kunnen natuurlijk wel, maar zouden we dat ook willen? Dat is een betere vraag.’

Ik kop ’m in. Zou je ze nog willen maken?

‘Met cabaret reageer je op wat er in een bepaalde tijd speelt, dus in 2003 maak je andere dingen dan in 2011 of in 1995. Het is een heel slecht idee om wat je in 1995 hebt gemaakt in 2026 nog eens dunnetjes over te doen. Dat slaat nergens op, tenzij je nostalgisch wilt doen. Ik vind het ook een enorm zwaktebod als mensen roepen dat je tegenwoordig niets meer kunt zeggen. Je maakt cabaret over en in de tijd waarin je leeft. Dan kun je gaan klagen dat het zo’n moeilijke tijd is, maar ik denk dat de moeilijkheid eerder zit in de geopolitieke samenleving en de enorme polarisatie dan in wat je wel en niet kunt zeggen. Je mag alles zeggen, maar we leven wel in een tijd waarin je daar vaak commentaar op krijgt. Ik vind het volstrekt legitiem dat mensen kritiek hebben als jij de grenzen opzoekt. Daar moet je niet over lopen zemelen.’ 

Na dertien jaar gaven jullie de brui aan De Vliegende Panters. Was het moeilijk om zo’n succesvol concept los te laten?

‘Met De Vliegende Panters maakten we wat we wilden maken en elke keer als we iets hadden gedaan, hadden we alweer een idee voor iets nieuws: tv-specials, een eigen serie. Er was steeds een ander pad dat we konden bewandelen, maar dat stopt een keer. Toen we ons realiseerden dat we alles artistiek inhoudelijk wel hadden verteld, was de vraag: gaan we nog zo’n rondje doen of wordt het dan een herhaling van zetten en het uitmelken van succes? Ik hou er niet van als iets een ‘concept’ (trekt vies gezicht) wordt. Een concept is iets dat niet meer van binnenuit komt, het wordt niet artistiek gedragen. Het is iets wat je op de een of andere manier kunt invullen om geld te verdienen. Zodra ik merk dat iets een concept wordt, dan wil ik eruit stappen, snap je.’ 

Het lijkt me ook beangstigend, om na al die jaren onder de veilige Panters-vleugels te moeten bewijzen dat je het ook in je eentje kunt.

‘Dat was natuurlijk spannend, maar ik dacht er eigenlijk iets te makkelijk over. Ik wilde filmregisseur worden, bijvoorbeeld. In mijn hoofd kwam niet op dat ik daar weleens in zou kunnen falen. Dat gebeurde ook niet, want het ging best goed. Maar ik had met De Panters al die jaren zoveel succes gehad dat mijn inkomsten alsnog decimeerden. Ondertussen had ik wel huizen en een uitgavenpatroon dat niet meer bij dat nieuwe, iets minder goed betaalde leven paste.

Dat waren zorgelijke tijden, want hoe moet dat nu, hoe ga ik verder, wat wil ik? Ik moest ontzettend hard werken om dat allemaal te kunnen financieren en in dezelfde periode kwamen er ook nog eens twee kinderen bij. Dat werd te veel, waardoor ik in een burn-out belandde. Toen zijn we in een normaler, kleiner huis gaan wonen en heeft het zich langzaam gesetteld.’ 

Je vrouw Roosmarijn vertelde dat zij pal achter jouw keuze stond om te verhuizen naar een kleiner huis, maar dat zij in jouw situatie waarschijnlijk wel was ingegaan op een van de vele dikke reclameklussen die je kreeg aangeboden. Waarom deed je dat niet?

‘Ik zeg op veel dingen nee. Dat is vandaag de dag veel makkelijker, omdat ik te veel te doen heb. Vroeger had ik ook weleens te weinig werk. Als ik in zo’n periode voor een bespottelijk hoog bedrag werd gevraagd voor een commercial, dacht ik heus weleens: dat zou lekker uitkomen, laat ik het doen. Maar vervolgens kon ik het toch niet over mijn hart verkrijgen en zegde ik het weer af. Het paste niet binnen het fenomeen satire dat ik maakte.

Ik zag en zie mezelf gewoon niet met mijn hoofd in een reclamespotje. Dat vind ik een onplezierig idee, waarmee ik absoluut niet oordeel over anderen die dat wel doen. Ik snap dat ze dat doen en daar veel geld mee verdienen. Sterker nog: ik kan er zelfs jaloers op zijn, maar iets in mijn onderbuik zorgt er toch voor dat ik er meestal maar nee op zeg.’

Is nee-zeggen ook jouw manier om te voorkomen dat je nog eens in een burn-out-achtige situatie belandt?

‘Daar moet ik altijd op letten, hoor. Ik heb de neiging om veel te veel dingen aan te willen pakken. Vorig jaar liep ik ook bijna weer tegen de muur op, omdat ik zoveel projecten tegelijk doe. Ik vind heel veel leuk, dus ik denk steeds: hé, goed idee, dat is pas over een half jaar, dus dat lukt wel. Elke keer trap ik weer in de valkuil van te veel doen, waardoor ik op een gegeven moment niks meer leuk vind. De laatste weken ben ik druk bezig met het leegvegen van mijn agenda.

Even op adem komen, mijn dagen op een wat normalere manier invullen. Een tijdje geleden gaf iemand mij de tip om elke keer als ik ergens voor word gevraagd te bedenken: zou ik daar morgen aan kunnen en willen beginnen? Als het antwoord ‘nee’ is, dan moet ik het ook niet over een half jaar in mijn agenda zetten. Dat probeer ik nu steeds te doen.’ 

Hoe ontspan jij überhaupt?

‘Ik heb een mindfulnesscursus gedaan. Daar probeer ik me netjes aan te houden door elke dag een meditatiemomentje in te lassen. Ik doe mijn best om minder afspraken in mijn agenda te zetten en wat vaker naar buiten te gaan om te wandelen, dat soort dingen. Het is ook goed voor me om mijn werk wat meer los te laten. Ik heb de neiging om werk en privé nogal door elkaar te laten lopen, maar het is ook goed om te denken: het is nu vrijdagmiddag, klaar ermee, maandag ga ik weer verder. Dat is lastig als je creatief bezig bent, want het zit in mijn systeem om de hele dag door bezig te zijn met mijn werk. Dat hobbelt maar door.’ 

Waar haal jij je inspiratie vandaan voor pak ’m beet een talkshowparodie als Promenade?

‘Dat is geen wet van Meden en Perzen. Er moet eerst een soort interne motivatie zijn, een vlammetje dat niet uitgaat en mij genoeg energie en zin geeft om ermee door te gaan. Elk idee heeft z’n eigen brandhaard nodig. De ene keer denk ik ergens heel lang over na, de andere keer ga ik meteen de research in. Ik ben weer bezig met het ontwikkelen van iets voor televisie, maar daarmee zit ik nog in de idee- en pitchfase.’ 

Komen je pitches er sinds het kijkcijfersucces van De luizenmoeder makkelijker door?

‘Dat is zeker het geval.’ 

Diederik Ebbinge.
Er was op een gegeven moment geen kantoorruimte meer waar mensen niet binnenkwamen met ‘Hallo allemaal’, de catchphrase uit de serie. Hoe heb jij de hele Luizenmoeder-hype beleefd?

‘Ik had zoiets al eens eerder meegemaakt met De Vliegende Panters, dus ik kende het wel en wist ook wat het betekent, namelijk dat het ook weer niet zoveel voorstelt en voorbij is voordat je er erg in hebt. Maar om te beginnen is het hartstikke leuk dat iets wat je verzint, maakt en schrijft zo’n succes wordt. Daar is niets mis mee, maar dit werd zo’n hype dat het boven mezelf uitgroeide, waardoor je er zelf ook een beetje uitgroeit.’ 

Is ‘uitgroeien’ een vriendelijke manier om te zeggen dat je er zo snel mogelijk vanaf wilde?

‘Dat was geen bewuste overweging, maar meer een gevoel. Na die twee seizoenen dacht ik: het is wel gezegd, het is wel gedaan. Als we nog een derde seizoen hadden gemaakt, dan was het een concept geworden. Het was einde oefening, ik voelde het niet meer.’

Jullie hadden goud in handen met De luizenmoeder. Nam iedereen het je in dank af dat jij wilde stoppen?

‘Dat is wel zo, dat we goud in handen hadden, maar ik voelde alleen maar weerstand. Als iets me niet meer boeit, dan kan ik mezelf er gewoon niet meer toe zetten. Doe ik dat wel, dan wordt het een lijdensweg. Vooral voor mezelf en daar heb ik geen zin in. Maar niemand eromheen gaat er ook blij mee zijn. Ik doe anderen er echt geen plezier mee als ik iets met lood in mijn schoenen ga doen.’ 

‘Ik voel me in de niche beter dan in de commercialiteit. Het geeft me het gevoel dat ik echt vrij ben en kan doen wat ik wil’

Het volgende succesnummer stond ook alweer voor de deur, in de vorm van Promenade. Het is moeilijk in woorden te vatten wat het precies is, maar ik zou zeggen: een satirisch tv-programma dat de draak steekt met talkshows en het hele meningencircus op tv. Hoe kwam je op dat idee?

‘Ik heb in 2014 al eens een pilot van Promenade gemaakt, nog zonder Eva Crutzen, maar wel met Ton Kas en Henry van Loon. Dat wisten we toen niet te verkopen, waar ik heel erg van baalde, omdat ik heel erg geloofde in het idee. Maar het werd als te abstract en te ongrijpbaar gezien. Dat is precies wat het moest zijn, dus ik kon niet zeggen: nee hoor, het is niet ongrijpbaar en abstract. Dat was de hele lol van het programma. Het is ontzettend niche, daarom had ik er na De luizenmoeder ook enorm veel zin in. Ik voel me in de niche beter dan in de commercialiteit. Het geeft me het gevoel dat ik echt vrij ben en kan doen wat ik wil, in plaats van dat ik de hele tijd moet denken: snappen de mensen dit nog wel?’

Denk je dat mensen snappen wat je bedoeling is met Promenade?

‘Nee, veel mensen kijken naar Promenade als kippen naar onweer. Dat vind ik niet erg. Er zijn nog 77 andere zenders waar vast iets op te zien is dat zij wel leuk vinden. Wat ik merk bij Promenade is dat er een tweedeling is ontstaan: aan de ene kant heb je de mensen die het begrijpen en er met plezier naar kijken, aan de andere kant zijn er mensen die het irritant vinden dat zij niet snappen wat anderen er grappig aan vinden en er echt een hekel aan hebben.

Ik vind het heerlijk dat ik iets heb gemaakt dat zo’n heerlijke dynamiek bewerkstelligt. Het is bijna een beetje zoals in de tijd van corona: laat je je wel of niet vaccineren? Bij de mensen die tegen het vaccin waren dacht je toch: hmm, dan wordt de vriendschap wel lastig. Zo hoor ik mensen ook praten over Promenade. Dat is toch zalig.’

Vorig jaar verraste je vriend en vijand met Chateau Promenade, met een maximaal aantal verwijzingen naar allerhande Nederlandse televisieshows. Waar kom je dit jaar mee op de proppen?

‘Ik ben aan het nadenken over een vervolg, hoe en wat dat moet zijn. Het moet een goed idee zijn waarvan we allemaal denken: dit is leuk. Vervolgens is het een uitdaging om te kijken wanneer Henry, Eva, Ton en ik kunnen, want onze agenda’s passen moeilijk bij elkaar. Dat is een uitdaging, maar wie weet. Het is me heel dierbaar, deze club. We hebben iets heel bijzonders samen, een soort eigen universum met elkaar.’ 

Denk je dat je anno 2026 nog een verschil kunt maken met satire? Of is het vooral preaching to the choir en werkt het misschien soms zelfs polariserend?

‘Ik vind het best een lastig tijdperk voor satire, in mijn geval, niet wat betreft satire in het algemeen. Deze tijd is zo geschift, daar kun je bijna geen satire meer over maken. Misschien komt dat ook door de leeftijd, dat je een wat andere benadering zoekt voor de dingen die je wilt doen. Wat milder, wat verbindender, om al die walgelijke termen er maar bij te halen. Gek genoeg ben ik blijkbaar ook gewoon een cliché.’ 

Heb je al wat milde, verbindende ideeën in je hoofd?

‘Ik ben bezig met het bedenken van een grote musical. Het moet een satire worden over vierhonderd jaar macht in Nederland. Om mezelf bij te spijkeren, ben ik in mijn eentje een soort geschiedeniscursus aan het doen. Ik heb al twaalf boeken gelezen en ben nu bezig met Thorbecke. Dat is heel leuk. Ik gun mezelf de studie die ik mezelf als tiener heb ontnomen.’