James Worthy
Column

James Worthy: 'Ze zeggen dat ik beter ben geworden van de dood van mijn zusje'

'Jongens in mijn klas zijn me gaan pesten toen mijn zusje overleed'

James Worthy
Column James Worthy

Een kleine jongen met een te grote rugzak zit te huilen op een bankje voor een middelbare school. Vroeger zou ik zijn doorgelopen, maar hoe ouder ik word, hoe meer ik me met dingen bemoei. ‘Waarom huil je, jongen?’ vraag ik. Het is een stomme vraag en ik zou begrijpen als hij mij wegstuurt. ‘Waar bemoei je je mee, pedo? Ik ben een kind. Kinderen huilen. Rot alsjeblieft op!’

De jongen kijkt omhoog en begint harder te huilen. Alleen huilen is vaak het voorprogramma van huilen met toeschouwers. Nu hij weet dat ik hem zie, kan hij pas alles geven. ‘Ze pesten me,’ snikt hij. 

‘Waarom?’ vraag ik. Ik heb meteen spijt van de vraag.

‘Dat is de verkeerde vraag, meneer. Er is nooit een reden om iemand te pesten.’

‘Je hebt helemaal gelijk, jongen. Sorry.’

‘Maar wat jongens in mijn klas zijn me gaan pesten toen mijn zusje overleed. Niet eens zozeer daarom, maar omdat ze denken dat de leraren mij nu sparen. Ik krijg bijna alleen maar tienen. Toen mijn zusje nog leefde, kreeg ik gewoon achten.’

De jongen veegt met de mouw van zijn regenjas langs zijn gezicht, maar deze tranen laten zich niet wegvegen.

Ik ga op gepaste afstand naast hem zitten. ‘Dat klinkt heftig,’ zeg ik. ‘Niet alleen dat ze je pesten, maar ook dat het over je zusje gaat.’

‘Ze zeggen dat ik geluk heb. Dat is onbegrijpelijk toch, meneer? Dat ik er beter van ben geworden. Van de dood van mijn zusje.’

Even is de jongen stil. Alleen zijn ademhaling, schokkerig en snel. ‘Mis je haar?’ vraag ik zacht, voordat ik een nieuw pakje kauwgom uit mijn binnenzak haal.

Hij kijkt me aan alsof ik de eerste ben die deze vraag stelt. Niet hoe het gaat op school, niet of hij zijn huiswerk al heeft gemaakt, maar dit. Het belangrijkste. Zijn onmisbare gemis. ‘De hele tijd,’ zegt hij. ‘En het stomme is, ik leer nu de hele tijd. Gewoon omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. Thuis is het stil. Mijn ouders praten bijna niet meer. Dus ik maak huiswerk. En dan haal ik tienen. En dan haten mijn klasgenoten me nog meer.’

Ik geef hem het nieuwe pakje kauwgom. Het is mijn favoriete smaak. Iets met rood fruit. ‘Je hebt vast van je ouders geleerd dat je geen snoep van vreemde mensen aan mag nemen, maar kauwgom is technisch gezien geen snoep. Soms schotelt het leven je te grote happen voor. Op die momenten moet je aan dit pakje kauwgom denken. Je hoeft niet altijd alleen te kauwen. Soms is het leven te groot om in je eentje op te kauwen. Begrijp je dat?’

De jongen duwt twee kauwgompjes uit de strip, stopt de eerste in zijn mond en overhandigt de tweede aan mij.

Ik blijf nog een kwartier naast hem zitten. We zeggen niets tegen elkaar, maar we kauwen. Samen kauwen we het leven kleiner.