Gisteren wachtte ik voor een stoplicht. Op mijn fiets, één voet op de stoeprand, de andere losjes rustend op het pedaal. Het miezerde en mijn hoofd zat vol kleine, onbeduidende zaken. Of ik nog koffie in huis had en wanneer ik de garage zou bellen voor de apk. Dat soort dingen.
Naast me stopte een man, ook op de fiets. Grijze jas, rommelig haar. Hij keek voor zich uit. Ik ook, want dat is de etiquette bij rood licht. Toen draaide hij zijn hoofd, keek me aan en zei: ‘Alles komt goed.’
Hij glimlachte. Vriendelijk, oprecht zelfs. Niet op de manier waarop politici glimlachen. Nee, dit was geen zendingsdrang of een overdreven hand op mijn schouder. Geen preek, geen advies. Gewoon een zin tussen al het gesuis van het voorbijrazende verkeer door. Alsof hij me vertelde hoe laat het was.
Ik zei enkel: ‘O ja, haha.’ Dat was het, meer had ik niet. Geen respons beschikbaar.
Het licht sprong op groen. De man fietste weg. Ik ook. Aan de overkant scheidden onze wegen. Hij ging linksaf en ik rechts, en dat was het dan.
Maar het zinnetje liet me de rest van de dag niet meer los. Het was er gewoon, tussen alle andere gedachten door. Alsof iemand een deur op een kier had gezet.
Alles komt goed.
Maar voor wie precies? Voor mij? Voor hem? En waarom zei hij dat? Zag ik er zo hondsmoe uit? Of was dit gewoon zijn hobby; als een boeddha op de fiets elke dag iemand geruststellen?
Wie weet was hij gewoon gelukkig. Dat schijnt voor te komen. Misschien had hij net een overheerlijke espresso gedronken en besloten dat het leven best oké was. Of had een andere wildvreemde hem eerder die dag ook overvallen met een klein moment van menselijkheid. Dat hij dacht: dit werkt. Dit geef ik door, als een wegenwacht voor het gemoed.
Vanmiddag stond ik weer bij dat stoplicht. Naast me stopte een vrouw met een boodschappentas aan het stuur. Er stak een stronk prei uit, als een groene antenne. Nu was het mijn beurt om iets te zeggen, iets kleins dat haar dag een beetje lichter zou maken. Ik zocht naar woorden. Een zinnetje dat nergens op sloeg, maar toch zou blijven hangen.
Maar wat? ‘Alles komt goed’ was al geclaimd. En ‘voor je het weet, breekt de zon weer door’ klonk zo leeg. Maar wat dan wel? Iets als ‘wist je dat je het groene deel van een prei ook kunt eten?’ Nee, da’s raar.
Het licht sprong op groen. De vrouw fietste weg en ik bleef staan. Een man achter me riep: ‘Ga je nog of wat?’
Snel fietste ik door, alsof ook ik haast had.
Morgen een nieuwe kans.