Als Marcel van Roosmalen praat, valt meestal al snel het woord ‘reportage’. Er was namelijk een tijd dat Marcel van Roosmalen de reportage leefde. Eerst voor HP/De Tijd, later als freelancer trok hij vaak samen met een fotograaf door het land om daar vast te leggen wat er gebeurde. Dat leverde grappige verhalen op die vaak gingen over dat wat je misschien het beste kan omschrijven als het menselijke tekort van zowel de beschrevene als de schrijver zelf.
Zijn toenmalige hoofdredacteur van HP/De Tijd beschreef dat in een functioneringsgesprek als volgt: ‘Jouw verhalen zijn samen te vatten onder de noemer ‘iedereen is gek’.’ In datzelfde functioneringsgesprek verweet de adjunct hem te zijn afgedaald naar ‘de marge van de journalistiek, misschien wel de marge van de marge’.
Niet veel later nam Marcel ontslag bij HP/De Tijd. Hij werd freelancer, er bleek een grote vraag naar verhalen waarin iedereen gek was.
In deze periode leerde ik Marcel kennen. Als adjunct van Nieuwe Revu dat toen nog adjuncten had, vroeg ik hem voor een wekelijkse reportagerubriek. Een week na de eerste gepubliceerde reportage kreeg ik telefoon van een medewerker van de RAI in Amsterdam. Naast haar zat een huilende stagiaire, vertelde ze. In de reportage van Marcel was de stagiaire opgevoerd als iemand die hem met allerlei nutteloze tussenstops op de beursvloer van de Negenmaandenbeurs ‘dé babybeurs van Nederland’ verhinderde op tijd bij een workshop te zijn. Dat bleek anders te liggen, legde ze uit. Marcel was veel te laat gearriveerd, de stagiaire had hem in een rechte streep naar de workshop gebracht, die al was afgelopen. ‘Wat een kleine vrouw’, reageerde Marcel toen ik hem opbelde met de vraag hoe dit zat.
Kast van een koophuis
In de afgelopen tien jaar is er veel gebeurd. Marcel werd vader van drie dochters en verhuisde noodgedwongen naar Wormer omdat Amsterdam te duur was. Door de opkomst van internet kochten mensen steeds minder tijdschriften en verdween de reportage en daarmee de reportageschrijver definitief naar de marge van de marge van de journalistiek. En er gebeurde iets vreemds: terwijl de reportage marginaliseerde, groeide Marcel van Roosmalen uit tot Bekende Nederlander.
Er gebeurde iets vreemds: terwijl de reportage marginaliseerde, groeide Marcel van Roosmalen uit tot Bekende Nederlander
Het is dan ook een beetje gek om Marcel met natte haren in een gestileerde coupe uit zijn kast van een koophuis in de Watergraafsmeer te zien komen, een buurt waar de prijs per vierkante meter ergens tussen de 6500 en 8000 euro ligt. Het goed vallende zwarte pak, de jas van NN07 en de sneakers van Calvin Klein maken het plaatje compleet.
Hier loopt een man die zich heeft ontworsteld uit de marge van de marge. Een levend bewijs dat je een leven lang deadlines kan missen, overal en altijd te laat kan komen en in een permanente staat van chaos kan leven, maar dat er ooit een moment komt dat de wind anders gaat waaien. Gunstiger, lucratiever. In het geval van Marcel was dat het moment dat de podcast opkwam. In de podcast Weer een dag met vriend Gijs Groenteman deelt Marcel dagelijks observaties en irritaties over Nederland, de wereld en een vast rijtje aan terugkerende figuren.
Het is een van de populairste podcasts van Nederland, en zeker een van de grappigste. Je zou in navolging van zijn voormalig hoofdredacteur kunnen zeggen dat in het universum dat hij dagelijks schept, nog steeds iedereen gek is. Maar wie kijkt naar waar Nederland, de wereld en hoe daar doorgaans over wordt gesproken aan de talkshowtafels voelt vooral opluchting, herkenning. Heel misschien is iedereen ook wel een beetje gek, en in plaats van daar heel verbitterd of bezorgd over te doen, is het misschien leuker om daar zo nu en dan een beetje om te lachen.
Eén ding is al die jaren hetzelfde gebleven: Marcel werkt nog steeds keihard. Naast zijn dagelijkse podcast met Groenteman doen ze samen een wekelijks tv-programma voor BNNVara. Daaromheen bouwt Marcel gestaag verder aan een uitputtend universum van andere podcasts, tv-optredens, columns en nu dus een eerste avondvullende solo als verhalen vertellende cabaretier in Ik mag niet klagen.
Verzoek
Die show doet vanavond Heerde aan. Het is de vierde in een reeks van try-outs. Voordat de reportage begint, heeft hij een verzoek. ‘Kunnen we wel afspreken dat de reportage op een gegeven moment stopt?’ Op aanraden van regisseur Geert Lageveen is de volgorde van de show flink aangepast en Marcel kent de tekst nog niet uit zijn hoofd. ‘Om het niet te gênant te maken, moet ik mezelf anderhalf uur voor de show afzonderen. Dan schrijf je maar: hier drukt Marcel even op de rem, hij moet zich focussen. Na afloop van de show was hij lang stil.’
We hebben sowieso geluk dat we mee mogen. ‘Het is dat ik je mag en je een vriend bent van (theaterproducent, red.) Thomas, want ik word een beetje moe van de verzoeken om op pad te gaan met de grote reportageschrijver.’
We rijden inmiddels in de auto van Thomas over de Middenweg, om de hoek lag vroeger De Meer, bakermat van Ajax. Marcel herinnert zich dat hij hier in de buurt bijna Johan Cruijff had laten doodrijden. Hij zat in een taxi, op weg naar de RAI voor een reportage waarvoor hij te laat was, en beloofde de chauffeur 10 euro extra als die zo hard mogelijk doorreed. ‘Trapte die chauffeur opeens keihard op de rem. Bleek dat we bijna Johan Cruijff hadden aangereden die daar op het zebrapad liep, op weg om kwasten te halen bij De Ru.’ Even later: ‘Die reportage, bedenk ik me nu, was voor Revu, toen jij daar nog chef was.’
Iets later volgt nog een verzoek. ‘Kan ik ook reclame maken voor mijn reportagepodcast?’ Naast zijn dagelijkse podcast Weer een dag, de wekelijkse podcast Radio romano en de NPO-podcast Context Engeland, heeft Marcel sinds kort ook een reportagepodcast: Daar gaan we weer.
Idealiter was Kristian Funke, met wie hij de reportagepodcast maakt, vandaag mee, maar Kristian kon niet. ‘Ik bel hem nu om hem uit te schelden,’ zegt Marcel in de auto. Even later, met de telefoon aan het oor: ‘Ik vind dit wel een mooi beeld. Dat ik tegen hem zeg: neem op wat er gezegd wordt, en dat er dan aan beide kanten van m’n hoofd een opnameapparaat aan staat. Een reportage in een reportage.’
Naast dat Marcel via de reportagepodcast weer terugkeert in de huid van de reportagemaker, is het ook een handige manier om als man zonder rijbewijs van A naar B te komen. ‘Als ik ergens in the middle of fucking nowhere een lezing geef, dan zeg ik tegen Kris: “We gaan naar Nuenen voor een reportage, kom mee.”’
Terwijl we door een grijs land rijden met eerst veel lege velden, daarna veel windmolens en uiteindelijk steeds meer bomen, vertelt Marcel over zijn filosofie dat een reportage eigenlijk niet kan mislukken. ‘Als je alles beschouwt als reportage, kan het niet kut zijn.’ Hij beseft dat dit een luxe-positie is. ‘Ik kan me dat nu permitteren, vroeger deed ik veel te veel repo’s per week.’
Dat leverde niet alleen hem stress op. Ook zijn eindredacteuren moesten leren leven met een totaal nieuwe visie op het concept deadline. Niet iedereen slaagde voor die cursus. Een eindredacteur fietste zelfs eens naar zijn huis om de reportage die volgens de schrijver af was, maar niet verstuurd kon worden, dan maar zelf op te halen. ‘Als het je onder die druk nog lukt om humor te bedrijven, voelt dat heel bevredigend.’
Maar uiteindelijk had het iets treurigs. ‘Ik dacht vaak genoeg: godverdomme, wat doe ik hier? Dan moest ik succesvolle mensen volgen terwijl ik dacht: dat kan ik ook.’
Golfbeweging
Die periode, het besef dat alles ook anders is geweest, is de reden dat hij nu harder werkt dan ooit. ‘Ik denk vaak aan die tijd. Alles is een golfbeweging, het kan ook zomaar allemaal weer ophouden en ik ben niet binnen of zo, ik moet elke maand mijn dure hypotheek betalen.’
Als we Heerde binnenrijden, veert de reportageschrijver in Marcel op. Terwijl we langs grote, vrijstaande huizen rijden: ‘Dit is toch om je vingers bij af te likken.’ Hij wijst naar een vader met dochter. ‘Een vader, een gescheiden man, te herkennen aan de overdreven interesse in zijn kind.’
We passeren een kleine markt op een parkeerplaats. ‘Moet je eens kijken, wat een markt. Je ruikt gewoon dat het een goede markt is. Ik ga hier straks een pond romige Overijsselse kaas halen. Ik ben jaloers op mensen die simpel leven en tevreden zijn. Die strenge christenen maken vaak een echt gelukkige indruk.’
We arriveren bij theater De Heer, op de website omschreven als ‘warm kloppend hart voor Ontmoeting en Cultuur’. Marcel: ‘Is dit het theater? Jezus, hoe een groot artiest klein wordt gehouden.’
Eenmaal uit de auto stuiten we op een uitgesleten rode loper die naar de ingang van het cultuurcentrum leidt. ‘Dit is heel mooi voor je reportage, jongen. Die rode loper. Dit is nou de achterkant van het artiestenleven.’
Even later is het tijd om de show door te nemen. Die begint toepasselijk met een lied van Sammi Smith: Help Me Make It Through the Night. Even later gaat het over een heikel moment in de show. Marcel moet van de regisseur drie Vitesse-liederen zingen, waaronder het lied Vitesse Arnhem, poep aan je lul. Marcel: ‘Schrijf maar op dat dit moet van de regisseur. Niet dat mensen denken dat ik het leuk vind om te zingen.’
Marcel klapt in zijn handen. ‘Ik zeg dan: klap maar lekker mee, mensen. Dan stopt de muziek en zeg ik dat ik een gevoel van verbondenheid ervaar en daarna, godverdomme, waar ga ik het daarna over hebben?’
Als Marcel bij het einde van de show is, is het de bedoeling dat hij extatisch is. ‘Ik ben dan in tranen, helemaal door het dolle heen omdat het erop zit en ik naar huis kan, naar mijn lieve Eva.’
Stille omgang
Hierna is het tijd om te eten. Onderweg vertelt Marcel dat hij van plan is een boek te schrijven over zijn tocht langs de theaters. Een mogelijke titel heeft hij al: ‘Stille omgang, mijn tocht langs 90 zwijgende theaters.’
Op het plaatselijke marktje stopt hij bij de kaaskraam. Marcel bestelt 600 gram jonge kaas voor 6,50 euro. ‘Schrijf je op dat de kaas hier beduidend goedkoper is?’ Hij vraagt aan de kaasboer: ‘Klopt dit wel, in Amsterdam is het veel duurder.’ De kaasboer: ‘In Amsterdam is alles veel duurder.’
De Postkamer blijkt een voormalig postkantoor. Er hangen postzakken ter decoratie. Op verschillende schermen knispert gezellig een haardvuur. De menukaart is zoals zoveel menukaarten in restaurants buiten de Randstad weinig empathisch naar de niet-vleeseters. Ook is er ruimte voor lokale trots in de vorm van het Heerder Volkslied, dat duidelijke vruchtbare bodem vormde voor de plaatselijke populariteit van de PVV en de BBB.
‘Hier woon ie ech bie de boeren
Met heur varkens en heur koe
Hier kunt oe heerlijk buten woonen
Zonder al dat stadsche gedoe’
Bij navraag bij ober Jeffrey blijken ‘kipsaté’ en ‘trio-vlees’ de populairste gerechten. Marcel is enthousiast over de kaart die ‘echt bij hem past’. ‘Mogen we ook een plankje brood, Thomas?’ vraagt hij. Even later mijmert hij over de lokale eetcultuur in het licht van de geschiedenis. ‘In de Tweede Wereldoorlog zaten ze hier gewoon heerlijk te smullen, dat weet ik zeker.’
Even verderop neemt een groot, duidelijk reformatorisch gezin plaats. Marcel doet, in een oostelijk accent, het gesprek aan tafel na: ‘Daar zit Marcel van Roosmalen. We hopen dat hij gaat voorlezen uit zijn fantastische boek Totaal.’
Even lijkt Marcel helemaal tevreden. Hij kijkt om zich heen en zegt: ‘Dat we op dit soort fokking plekken zijn, daar gaat het mij om.’
Het eten blijkt een omslagpunt in de reportage. Marcel herinnert zich dat ik jaren geleden eens bij een andere theatershow was die hij samen deed met Slimste mens Roelof de Vries en voormalig Fotograaf des vaderlands Jan Dirk van der Burg. ‘Dat vind ik wel fijn, want dan hoef ik me helemaal niet te schamen voor wat ik vanavond doe. Jij was bij het prille begin.’
‘Het viel me op dat Jan Dirk echt geboren was voor het podium,’ zeg ik. ‘Bij jou is het, denk ik, meer een proces geweest.’
Marcel: ‘Bedankt voor deze observatie, echt leuk om te delen.’
‘Dit is geen reportage meer, dit is een interview waar het onderwerp van de reportage het slachtoffer is, wat een hel’
Nadat ik hem vraag hoe het is om nu eens niet als reportagemaker door het land te trekken, is de maat vol. ‘Ik ben nu beland in iets wat ik helemaal niet wil, een uren durend interview. Dit is geen reportage meer, dit is een interview waar het onderwerp van de reportage het slachtoffer is, wat een hel. Heb je nu nog niet genoeg? Alleen die autorit was al minstens duizend woorden.’
Lichtpuntje
Even ziet Marcel een lichtpuntje, materiaal voor zijn boek. ‘Dit komt daar zeker in.’ Hij draagt voor: ‘Het dieptepunt was Heerde, toen ik werd achtervolgd door een reportageschrijver die niet ophield.’
Thomas: ‘Dit is wel leuker dan een beschrijving bij de kaasboer.’
Marcel: ‘Ik wil helemaal niet omschreven worden als iemand die bij de kaasboer staat, dat deed ik voor de foto.’
Om af te koelen, bestelt Marcel bruiswater. ‘Eigenlijk is dit wel goed. Schrijf maar op: Marcel bestelde als enige een tweede drankje, hij was duidelijk geprikkeld.’
Als de serveerster zijn drankje brengt, vraagt ze: ‘Wilt u een glas bij de spa-rood?’
Marcel: ‘Nee, ik drink wel uit een bak.’
Hierna doceert hij verder: ‘Je moet ook geen genres door elkaar halen. Een interview is heel anders dan een reportage.’
Thomas: ‘Wordt dit het leitmotiv van de reportage?’
Ik: ‘Ik denk het wel, dit is wel het meest interessante tot nu toe.’
Marcel: ‘Dat valt me dan ook weer tegen. Ik zit als onderwerp maar te leveren en te leveren en dan is dit het meest interessant? Jij haalt allerlei dingen door elkaar. Jij denkt dat de reportageschrijver een irritant aanwezig persoon moet zijn. Dat is niet het geval.’
Als we teruglopen naar het theater en ervaringen delen over een fotograaf die we beiden vurig haten, zegt Marcel opeens: ‘Ik zou graag dit pond kaas bij een van die huizen door de ruiten willen smijten. Dat ze daar opeens een pond jonge kaas zien binnenvliegen.’
De grote zaal van theater De Heerd is bijna volledig gevuld, voornamelijk met mannen. Als het eerste applaus is weggestorven, zegt Marcel: ‘Als je me uit een map ziet lezen, komt dat omdat ik de tekst nog niet ken. Jullie zullen me er echt doorheen moeten slepen vanavond.’
Marcel worstelt tijdens de show met het materiaal. De verhalen stokken en met name op het einde ervan, als de grap moet landen, mislukt dat een paar keer. ‘Daar sta ik dan, met mijn Vitesse-sjaal,’ zegt hij op een gegeven moment, als hij de tekst kwijt is. Even later, als de lach weer uitblijft: ‘Dit is een stuk dat er echt uitgaat.’
Weer later: ‘Dit was bedoeld als bruggetje, maar als niemand reageert is het een slecht bruggetje, jezus zeg.’
Het laatste kwartier gaat goed. De basis van de show is sowieso goed, de verhalen zijn grappig en krijgen een diepere laag die iets toevoegt aan het immer uitdijende Van Roosmalen-universum. Daarin kwamen veel verhalen eerder voorbij, geheel volgens het door Marcel geperfectioneerde adagium: move the product. Maar zoals volgelingen van andere scheppers van een verhalend, alwetend universum weten: oerverhalen kunnen niet vaak genoeg herhaald worden.
Na de show zit Marcel verslagen in de kleedkamer. Het is vreemd om Marcel kwetsbaar te zien. Ik denk aan het moordende schema, alle ballen die Marcel dagelijks in de lucht houdt. Jaloersmakend, maar ook uitputtend. En een goede reden om gek te worden van een reportageschrijver die uit angst voor ‘te weinig materiaal’ vragen blijft stellen. Waarschijnlijk komt het door de omgeving, het nog steeds christelijke Heerde, maar een gedachte aan Jezus komt op. Misschien spijkerde Marcel zich vanavond wel aan een kruis voor de zonden van alle reportageschrijvers. Marcel stierf vanavond zodat wij kunnen leven, en misschien ooit wel in de hemel komen waar het lucratieve opdrachten regent.
‘De hel’
Maar voorlopig zit Marcel in een kleedkamer waar aan de wand posters van mede-artiesten als Wibi Soerjadi, Helligen Hendrik en Youp van ’t Hek op hem neerkijken. ‘Dit was echt de hel. Ik wist het al vanaf moment één, en dan moet je nog anderhalf uur.’
Thomas: ‘Ik vind dat het wel meeviel.’
Marcel: ‘Door het licht in de zaal zag ik al die hoofden die het ook allemaal maar gewoon zaten uit te zitten. Ik keek steeds naar een man met een baard en een groot eihoofd, die keek me zo emotieloos aan dat het me fascineerde. Ik dacht: als ik hem maar één keer kan laten glimlachen. Op een gegeven moment zag ik zijn mond vertrekken, maar toen begon hij te gapen.’
Hij besloot vandaag niet de drie liederen te zingen. ‘Ik zag in de papieren staan dat ik het moest gaan zingen, maar de stemming was er totaal niet naar om Vitesse, poep aan je lul, te zingen.’
Heel even overwoog hij te stoppen. ‘Ik dacht: wat zou er gebeuren als ik gewoon wegloop? Dat ik na een uur en weer een stilte zeg: dit is het. Het is zo gênant om iets waarvan je weet dat het grappig is en dat je het duizend keer grappiger kan vertellen, maar dat het gewoon niet lukt, en dan naar die zwijgende koppen moet kijken. Dat was wel een moment waarop ik dacht: wat bezielt me dat ik dit vrijwillig doe? Ik heb wel erg veel over voor de hypotheek.’
Thomas benadrukt nog eens dat het laatste gedeelte erg goed ging. Marcel: ‘De nederlaag was al geleden. Je staat al een uur op een toneel, wat maakt het dan nog uit? Maar ik vind het een zelfoverwinning dat ik door bleef gaan, dat ik het toch volhield.’ Hij vervolgt: ‘Als ik thuis ben, vind ik dit een cultervaring. Je hoeft niet bang te zijn dat ik het opgeef, Thomas. Dit was het dal van de beklimming. Ik zal me deze keer vooral herinneren als het moment dat de triomftocht begon.’
Realistisch
Na een kwartier heeft Marcel zichzelf herpakt. ‘Dit is goed voor de reportage. Schrijf dit ook maar allemaal op, het moet realistisch zijn. Het zou raar zijn als je zou schrijven dat we hier highfivend zouden zeggen: dat ging lekker, we hebben Heerde helemaal kapot gespeeld.’
In de auto terug naar Amsterdam zeg ik dat het me opviel dat hij soms grappen niet inkopte. Alsof hij zichzelf in de weg zat. Marcel: ‘Ik vind het ook gênant om de grapjas uit te hangen. En misschien is dat ook wel het provinciale dat in me zit, onzekerheid: je legt het excuus alvast op tafel.’
‘Ik vind het ook gênant om de grapjas uit te hangen. En misschien is dat ook wel het provinciale dat in me zit, onzekerheid’
Hij vertelt over de ervaring die hij had, toen hij tourde met de schrijvers van het literaire voetbalmagazine Hard gras. ‘Dat was verschrikkelijk saai, maar dan hoorde ik Henk Spaan in een radiointerview zeggen (met de stem van Henk Spaan): “Het dak ging eraf.” Wanneer, dacht ik dan. Was ik daarbij? Misschien moet ik ook meer zo zijn.’
Als we zijn gearriveerd bij zijn huis, verlaat Marcel de auto. Morgen, zaterdag, zijn de kinderen weer om half zeven wakker. Die avond volgt weer een show en daarvoor moet er nog een reportage gemaakt worden voor Pauw & De Wit.
Er moet ook nog een column worden geschreven voor NRC en er zijn nog de voorbereidingen voor de tv-show van maandag. Hij neemt afscheid met een laatste tip: ‘Jij lijkt me ook iemand die moeite heeft met deadlines, ik raad je daarom aan om vanavond nog te beginnen met het uitwerken van deze reportage.’
Daarna loopt Marcel, een cultervaring rijker, naar binnen. Naar de kinderen, naar Eva. Naar een paar uur welverdiende rust.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct