Bart Nijman
Column

Bart Nijman: 'Nederland wil zelf deze zooi, anders stemden mensen niet op Jetten’

'Ik voelde me thuis, want ik heb zowel de academische moraal als mijn eigen mediawereld altijd gehaat'

Bart Nijman
Column Bart Nijman

Het is misschien wel vijftien jaar geleden dat ik er binnen liep, maar ik kwam erlangs en besloot een biertje te vatten. De Heksenketel heette het in mijn jeugd. Jaxx werd het nadat de barman die er destijds al werkte het overnam. Sinds kort zitten er nieuwe eigenaren. Het oude alternatieve café is meer bruine kroeg nu. De muziek is hetzelfde – hallo Pinkpop 2000 – maar staat nu op een volume waarop je wél een gesprek kunt voeren.

Sommige oude vrienden komen er nog steeds, ik nooit, want ik woon al heel lang niet meer in Roosendaal. Ik raakte aan de praat met de jonge, energieke barman, die een toneelstudie had afgerond, maar liever echte mensen van dichtbij leerde kennen dan de gesloten binnenwereld van de cultuursector. Ik werd onmiddellijk in de nostalgie van mijn verleden als taxichauffeur geworpen, ook in Roosendaal. De beste levenslessen, zowel voor mijn eigen assertiviteit als voor het begrijpen van een samenleving buiten je eigen bubbel.

Een trucker aan de bar maakte een snerende grap over Frankrijk, die ik overtoepte met mijn eigen afkeer van Frambozië, die viezige fly-over-state van Europa. ‘Ik ben bijna vijftig,’ zei ie, ‘en ik werk nog effe door, maar niet tot m’n zeventigste. Dan zit ik al tien jaar in Thailand of Cambodja. Dit land is wel klaar.’ Hij kreeg bijval van een jonge gozer links van me – type modieus-klassieke conservatief, ik zou zeggen: FvD-stemmer. ‘Sja, Nederland wil zelf deze teringzooi, hè? Anders stemden mensen niet op Jetten.’

Ik voelde me thuis, want ik heb zowel de academische moraal als mijn eigen mediawereld altijd gehaat. De provinciale escapisten die daarin de dienst uitmaken (en de corporate moraal willen uitdelen), zijn de ergste NSB-burgemeesters in vredestijd die er bestaan. Dan liever de échte provincie. In een simpele kroeg die ruikt naar mijn jeugd.

De tussenstop bevond zich tussen de sociale huurflat waar mijn ouders sinds enkele maanden wonen, en het verzorgingshuis waar mijn vader ten langen leste toch is opgenomen. Zijn parkinson begint de overhand te krijgen. Hoe scherp is de tegenstelling tussen het land waar TikTok-premiers, accijnsdebatten en fophef over douchemuntjes de waan van de dag voorschrijven, en het zorgcentrum waar ik als taxichauffeur honderden demente oudjes van of naar hun dagbehandeling bracht.

Een liefdevolle, bijna ongedwongen sfeer van vertrouwen dicteert een barmhartige rust, waarin de geest van mijn vader er langzaam, maar onomkeerbaar tussenuit knijpt. Een leven lang ambtenaar bij de sociale dienst, loyaal aan zijn taak. Moeder was lerares. Ze zijn lief voor ’m in Wiekendael. Moeders pijn is niet haar eigen verlies, maar zijn heldere momenten: ‘Wanneer ie beseft dat zijn bewustzijn vervaagt.’

Ik heb zin om dronken te worden, zoals vroeger in de Heksenketel: zonder consequenties.