Column

Foute Jongens: 'Alma Mathijsen staat symbool voor de toestand van de Nederlandse literatuur'

Deze week zoomen onze Foute Jongens in op de staat van de Nederlandse literatuur en het Boekenbal in het bijzonder, waar het wemelt van de ‘leeghoofdige tiepgeitjes, klapwiekend van de drank’. 

Column Foute Jongens

Rob: Wie duidelijk wenst te maken dat W.F. Hermans de beste schrijver van de laatste driekwart eeuw was, kan daar ontelbare redenen voor opsommen, mijnheer Van Amerongen: zijn onverbiddelijke stijl, zijn diepgang, zijn polemische vermogen, noem maar op. Ik voeg er nog eentje aan toe: zijn weigering om het Boekenbal te bezoeken.

De grootste van de Grote Drie – de andere twee waren Reve en Mulisch, en met name de laatste ijdeltuit, die wél altijd acte de présence gaf, nam hij graag op de korrel – noemde het Boekenbal een verzameling van ‘elkaar bewierokende middelmatigheden’ en zei ook een keer dat hij geen zin had om ‘het woord op te offeren aan de kwantiteit van de bitterballen’.

Wat had ik graag zijn commentaar willen horen op de meest recente editie van het Boekenbal, thema: ‘Mijn Generatie’. Peter de Smet (beter bekend als Hendrik Groen, auteur van het Boekenweekgeschenk Piaggio), was een der eregasten. Bovendien verklapte ene Alma Mathijsen dat zij een jaar eerder een wipje in de Koninklijke Loge had gemaakt en klaagden dit jaar meerdere auteurs dat er zo weinig ruimte was om te dansen. Daar had W.F. wel raad mee geweten.

Ik ben geen schrijver, collega. Mijn boeken zijn gebundelde columns en als kantlijnkrabbelaar heb ik niets op zo’n Boekenbal te zoeken. En als ik er wél wat te zoeken had, zou ik gegarandeerd een Hermansje doen. Al wil ik wel een kanttekening maken bij W.F.’s opmerking over die ‘elkaar bewierokende middelmatigheden’. De slijmballen bewieroken elkaar namelijk hoofdzakelijk wanneer zij zich in elkaars directe nabijheid bevinden. Buiten gehoorafstand krijgen de beoordelingen vaak een andere lading.

Er is nog een reden waarom ik het literaire wereldje zo verafschuw: de laffe cancelcultuur die er heerst

Er is nog een reden waarom ik het literaire wereldje zo verafschuw: de laffe cancelcultuur die er heerst. Net als in de andere hoeken van de polderlandse kunst-scene moet je het bijvoorbeeld niet wagen om aangaande het Gaza-conflict een Israël-vriendelijk standpunt in te nemen. Dan lig je eruit en daarom krijsen 99 van de 100 Nederlandstalige schrijvers met al het opportunisme dat zij in zich hebben – dat is heel veel – met de Israël-haters mee. Kunt u zich de Zuid-Afrika-affaire rondom W.F. Hermans, die overigens een zwarte vrouw had, nog herinneren (hij negeerde de culturele boycot van dat land door de gemeente Amsterdam)? Er zijn sterke overeenkomsten.

Nog een voorbeeld? No problem. Zoals ik al eens eerder in onze correspondentie meldde, ben ik diep onder de indruk van het boek De bandagist van Marente de Moor. Mijn enthousiasme werd door veel literatuurcritici gedeeld, inclusief veldheer Jeroen Vullings. Welnu, De Moor gaf een interview aan het Nieuw Israëlietisch Weekblad, waarin zij felle kritiek uitte op de toekenning van de PC Hooft-prijs aan Gaza-activiste Anja Meulenbelt, die de Hamas-terreur van 7 oktober 2023 een dag later reeds rechtvaardigde als legitiem verzet. En wat geschiedde? De bandagist werd niet op de longlist voor de Libris Literatuurprijs geplaatst. Geen toeval, me dunkt. De eerste vereiste is dus niet dat je goede literatuur schrijft, maar dat je de correcte mening verkondigt.

Ik kots erop, mijnheer Van Amerongen.

Arthur: Ik las ‘Bangalist’, heer Hoogland. A dirty mind is a joy forever, zeggen de Britten dan. Dit is volgens mij de derde keer dat jij in onze briefwisseling voor de Nieuwe Revu naar juffrouw De Moor verwijst. Doe je dit in opdracht van haar uitgever Mai Spijkers of gewoon uit jouw typisch Noord-Hollandse altruïsme?

Maar laat ik puntsgewijs ingaan op jouw schrijven. Je hebt het over ene Alma Mathijsen, die een pompertje maakte in de Koninklijke Loge van de Stadsschouwburg. Welnu, het pluche daar plakt en kleeft nog steeds van de lauwe but van ons aller prins Hendrik van Mecklenburg-Schwerin (1876-1934), de echtgenoot van koningin Wilhelmina. Henk stond ook wel bekend als Varkensheintje en de lezer van Nieuwe Revu mag raden waarom.

Ik verklap het maar vast: de overgrootvader van koning Pils vergreep zich altijd en overal aan het falderappes en het plebs, en bij voorkeur aan doofstomme, gebochelde dienstmeisjes. In de door jou genoemde koninklijke loge moest het personeel van de Stadsschouwburg het oranjebitter voor de prins serveren in lieslaarzen vanwege het ietwat drassige en zompige hoogpolige tapijt.

Autreutel Alma Mathijsen is vooral bekend van een gruwelijke naaktkalender, met allerlei Amsterdamse hotemetoten en andere onrendabelen en non-valeurs. Ik schat dat Alma’s cupmaat FF is, en aldoende doorstaat zij de potloodtest niet bepaald glansrijk. Ik zie nog liever Anja Meulenbelt in een Duitse Scheissemovie!

Deze literaire verwijzing zal ik even uitleggen: in de epische film South Park: Bigger, Longer & Uncut (1999) ontdekken de kids dat Cartmans moeder meespeelt in een Duitse scat-pornofilm. Ze zien een vrouw die poep eet, en dat blijkt Cartmans moeder te zijn. Cartman confronteert zijn mama later thuis met deze gruwelijke ontdekking: ‘Mam? Als jij in een Duits ‘scheisse’-video had gezeten, dan zou je het me toch vertellen, hè?’ Liane: ‘Tuurlijk, lieverd.’ Vervang Liane door Anja, en krijg je nu beeld?

De laatste keer dat ik het Boekenbal bezocht, behoorde ik tot de entourage van Gerrit Komrij en Jan Cremer. Cremer hield in een hoekje audiëntie en ik stond daar samen met Pieter Waterdrinker en Olaf Koens te slijmen en te bewonderen dat het een aard was. Jan zei toen: ‘Jongens, neuken jullie wel genoeg?’ De goede man was 80!

Zijn vrouw Babette stond er wat ginnegappend bij, en Pieter Waterdrinker zei: ‘Jan, ken jij ene Alma Mathijsen? Ze zei dat ze graag een handtekening van mij wilde, op haar bips, in de koninklijke loge. Ik ging even kijken en daar stond een rij van vijftig man. Met Eus, Kluun, Jan Mulder, Ellie Lust, Suger Lee Hooper, Herman Koch, Tommy Wieringa en Herman Brusselmans voorop.’

Troostmeisje Mathijsen (ze is inmiddels vijftig) staat symbool voor de toestand van de Nederlandse literatuur en die van het Boekenbal in het bijzonder: leeghoofdige tiepgeitjes van uitgeverijen, met zaadvragende ogen, klapwiekend van de drank en als bleke worstjes in veel te strakke gehuurde baljurken gepropt, hobbelend en strompelend op naaldhakken.