De eerste zonnige dagen komen altijd iets te vroeg. Net voordat ik genoeg ben afgevallen, en net een paar weken voordat ik nieuwe zomerkleding heb gekocht. Je weet pas hoe krachtig de zomer kan zijn als je naar de zomerkleding van vorig jaar kijkt.
Het is overduidelijk dat de felle zon ons op meerdere manieren verblindt. Een korte broek met zestien zakken. Een Amerikaans footballshirt van een universiteit die nooit heeft bestaan. Sandalen met rieten zolen die al het zweet opzuigen en aan het einde van de vakantie ruiken als de gymtas van een stinkdier. In deze kleding stap ik vandaag naar buiten. Vorig jaar kon dit nog gewoon, maar vandaag zie ik eruit als een sekstoerist op een Waddeneiland.
En toch moet ik naar buiten, omdat niets mij gelukkiger maakt dan de eerste zonnige dagen van het jaar. Als de stad naar broeierige vuilniszakken en ontharingscrème ruikt. Als vrouwen fietsen alsof ze nergens naartoe hoeven en mannen opeens weer witbier bestellen.
‘Doe maar een witbiertje, kastelein!’ Het is bijna alsof alleen dat ding aan de hemel op dit soort dagen goud mag zijn en onze drankjes niet.
Als kinderen aan waterijsjes likken alsof hun tong in brand staat. Als je al begint te zweten voordat je iets hebt gedaan. Als terrassen en opblaaszwembadjes tegelijk vollopen. Als meisjes van in de twintig gaan roken alsof ze in een Franse film uit de jaren zeventig spelen. Als jongens van in de twintig met wasbordjes uit hun smerige studentenhuizen opdoemen.
Deze dagen hebben iets magisch. Martin Bril schreef er ooit de oercolumn over: rokjesdag. De dagen worden lichter en de mensen en hun kleding ook. We hebben weer een winter overleefd. De laatste kou wordt uit onze lichamen gezonnestraald.
En ergens tussen al die mensen door loop ik dan ook weer mee. Net iets te warm gekleed, iets te laat gewend aan het licht. Ik vertraag een beetje, blijf net iets langer staan op een hoek, alsof ik het moment wil vasthouden voordat het weer gewoon wordt. Want dat gebeurt altijd: ergens tussen de eerste warme dag en de tweede ben je alweer vergeten hoe bijzonder het is. Maar vandaag nog niet. Vandaag is het nog even allemaal nieuw, alsof de winter nooit echt heeft bestaan.
Nieuwe auto’s ruiken altijd zo lekker nieuw. Zo ruiken de eerste zonnige dagen ook: naar de duizenden kilometers die nog voor ons liggen, naar avontuur, naar warm asfalt en naar leren bekleding waar nog niemand op heeft gezeten.