Mens & Maatschappij

Ronnie Falentijn (84) herdenkt de Tweede Wereldoorlog: 'Wie bén ik nu eigenlijk? Ik heb geen wortels, geen familiegeschiedenis'

Ronnie Falentijn (84) werd geboren in 1942. In gesprek met Nieuwe Revu vertelt ze openhartig over de gevolgen die de Tweede Wereldoorlog had op haar en haar familie.

Redactie Nieuwe Revu Leestijd 2 minuten
Tweede Wereldoorlog
Ronnie Falentijn
Ronnie Falentijn.

Het gesprek met Ronnie Falentijn was onderdeel van een langer verhaal in Nieuwe Revu 18. Journalist Wilfred Hermans vroeg vijf tachtigplussers naar hun oorlogsherinneringen.

‘Ik ben geboren in Amsterdam op 9 maart 1942 als Rachel Sluijs. Een paar maanden na mijn geboorte werd mijn moeder, Elisabeth, weggehaald, waarschijnlijk na een razzia. Kort daarna gebeurde hetzelfde met mijn vader, David. Ze werden naar de Hollandse Schouwburg gebracht, in afwachting van hun deportatie. De baby’s en kinderen verbleven in een crèche aan de andere kant van de trambaan omdat de schouwburg overvol was.

Vanuit die crèche ben ik, op het moment dat er een tram voorbijreed en de soldaten geen zicht op ons hadden, door een goede Duitse soldaat in een tas weggehaald. Mijn moeder is op 22 oktober 1942 vergast in Auschwitz, mijn vader vermoedelijk een paar maanden later. Hij kon eerst nog vluchten, maar is blijkbaar toch weer gepakt. Ik vind het stoer dat hij zich heeft verweerd; zo ben ik ook, ik ben een vechter. Het is twee keer gebeurd dat ik een straatgevecht zag gebeuren en ertussen sprong. Ik kan niet tegen onrecht.

‘Vanuit de crèche ben ik door een goede Duitse soldaat in een tas weggehaald’

‘In de oorlog kreeg ik de naam Ronnie omdat Rachel te Joods was. Als ik een artistieke cursus volg, stel ik mezelf voor als Rachel, maar ik kan ook zomaar overstappen op Ronnie. Op m’n vijftigste zei ik: “Vanaf nu wil ik Rachel genoemd worden.” Maar iedereen kent me als Ronnie, dus de praktijk bleek weerbarstig. Ik vond het ook wat aanstellerig van mezelf.

'Wie ben ik nu eigenlijk?'

‘Eigenlijk loopt dit punt als een rode draad door mijn leven: wie bén ik nu eigenlijk? Ik heb geen wortels, geen familiegeschiedenis, niemand om op terug te vallen. Alsof ik nergens bij hoor; natuurlijk heb ik een man en kinderen, maar dat is toch anders, het is geen bloedverwantschap. Als de dokter bij een klacht weleens vraagt of het in de familie zit, moet ik antwoorden: “Ik zou het niet weten.” Ik heb nog wel een foto van mijn biologische ouders; mijn moeder is daar een tiener, mijn vader in de twintig. Als ik die foto zie, voel ik er niets bij. Ik denk dat ik mijn gevoel weggestopt heb. Mijn psychiater zei eens: “Je kunt maar beter niet alles willen voelen, dat is in jouw situatie te veel.” Toch zou ik graag beter bij mijn gevoel willen kunnen, zodat ik het beter kan plaatsen als er nu iets gebeurt op gevoelsgebied. Dat lukt me niet, en daar moet ik mee leren leven.

‘Op 4 mei gaan we met het hele gezin inclusief kleinkinderen altijd naar de Hollandse Schouwburg om de Holocaust te herdenken. Daar huil ik niet, maar in het verleden heb ik zó veel gehuild als ik over mijn ouders nadacht, al voelde ik daar ook dan weinig bij. Het is ook niet dat ik mezelf beklagenswaardig vind, ik voel me geen slachtoffer.’