Ik fiets langs het Olympisch Stadion en zie opeens dat de wasstraat weg is. Naar alle waarschijnlijkheid had ik er wel iets over gelezen in een stadskrantje, maar ik had het niet opgeslagen.
Hoe ouder ik word, hoe meer van dit soort plekken verdwijnen. De snelkoppelingen naar vroeger. Vaak is zo’n plek helemaal niet zo belangrijk als architectonisch object, maar meer als ding waar een mens zijn of haar geheugen omheen georganiseerd heeft.
Deze wasstraat was meer dan borstels zo groot als volwassen ijsberen. Meer dan schoonmaakmiddelen die zo sterk roken dat je de drie dagen daarna niet hoefde te douchen. De wasstraat was jaren tachtig. Cassettebandjes, tramkaarten, stratenboekjes, synthpop op de radio en ouders die in de auto rookten.
‘Telkens lijkt het alsof er iets wordt uitgewist, maar wat eigenlijk verschuift is de toegangsmethode tot vroeger’
Het was een knooppunt. Niet alleen voor de mensen in de stad, maar ook voor herinneringen. Cassettebandjes in het handschoenenkastje. Mijn vader die de wasstraat binnenrijdt in een oude Ford. Ik ben een jaar of vier. Ik zit op mijn knieën, met mijn gezicht tegen het raam aan. En dan die ene vraag van mijn vader. ‘Zitten de ramen wel goed dicht?’
Ik schiet de auto door en check nog alle ramen. Ramen die niet automatisch opengaan met knopjes, maar met een soort slinger en spierkracht. ‘Alle ramen zijn dicht, kapitein,’ schreeuw ik. De auto is voor even een afgesloten capsule. Een tijdscapsule.
En dan duwt hij zijn favoriete cassette in het dashboard van de auto. Astral Weeks van Van Morrison. Liedje nummer 3: Sweet Thing. ‘And I will never grow so old again/ And I will walk and talk in gardens all wet with rain.’
Muziek is de tijdlijm waarmee deze herinnering in mijn schedel is geplakt. Natuurlijk is het verdrietig dat de wasstraat weg is. Maar het verleden is er nog.
De hele stad is aan het veranderen. Een wasstraat verdwijnt, een winkel wordt iets anders, een videotheek gaat failliet, een kruispunt krijgt een nieuwe vorm, een pannenkoekenhuis wordt een yogastudio. En telkens lijkt het alsof er iets wordt uitgewist, maar wat eigenlijk verschuift is de toegangsmethode tot vroeger. In het verleden liep die via asfalt, bakstenen en beton, vandaag via taal, muziek en geur.
De stad trekt zich langzaam terug als externe drager van mijn verleden. Wat overblijft is minder zichtbaar, maar ook minder kwetsbaar voor sloop of verbouwing.
Van Morrison zingt nog steeds. We zijn bijna aan het einde van de wasstraat. De ramen zijn zo schoon dat ik met mijn vinger wil voelen of ze er nog wel zitten. ‘Volgende week weer, jongen?’ vraagt mijn vader.
Ik hoef niet eens te antwoorden. Hij weet dat ik er zal zijn. En ik hoop dat de auto de komende zeven dagen extra vies wordt.
De wasstraat is weg.
En toch ziet de wereld er vandaag schoner uit.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct