Rob: Sta mij toe, mijnheer Van Amerongen, om deze aflevering van ons tweewekelijkse tweegesprek te beginnen met een variant op het beroemde lied Dit is de tango van het blote kontje, zoals in 1980 gecomponeerd door Toon Hermans. Het wijsje blijft hetzelfde, dus zing maar mee.
‘Dit is het eiland van de grote konten
Van dikke billen, formaatje volle maan
Men aanbidt ze hier op werk’lijk alle fronten
Ze zijn de natte droom van elke Antiljaan’
Excuses, collega, voor deze frivoliteit, die op zich wel in de Nieuwe Revu van 2026 past, met haar jonge, vrijpostige uitstraling, maar misschien iets minder in deze specifieke rubriek, die immers door de Waldorf & Statler van de polderlandse journalistiek wordt gecomponeerd.
Bovendien is het de vraag wie van de lezers nog weet wie Toon Hermans was. Zelf zaten wij vroeger thuis weliswaar met het hele gezin rondom de pickup naar de langspeelplaten met zijn conferences te luisteren, schaterend over zijn gehaktbal-act, om er eentje te noemen. Maar inmiddels heeft de maatschappij zich dik een halve eeuw doorontwikkeld.
Maar goed, Toon was voor mij de grootste van de Grote Drie (Wim Kan en Wim Sonneveld vormden de andere twee). Daarom veroorloof ik het mij toch om met gebruikmaking van dat vermaarde wijsje een link naar hem te leggen.
Als ik eerlijk ben bestaat daar trouwens nóg een reden voor: Toon liet mij eind jaren zeventig bijna in een broodje kaas stikken tijdens een editie van de Open Nederlandse Tenniskampioenschappen op het Melkhuisje in Hilversum. Hij was daar als toeschouwer aanwezig, ik als verslaggever. We stonden met elkaar te keuvelen in het clubhuis en ik zei al kauwend op een kadetje met kaas: ‘Heerlijk, ik had nog niets eens ontbeten.’ Dit was zijn antwoord: ‘Als ik die krant van jou gelezen heb, heb ik al gegeten en gedronken.’
De belangrijkste reden dat ik met dit ‘grotekontenlied’ op de proppen kom is dat ik op het ogenblik met vakantie op Curaçao ben. Onevenredig veel dames beschikken hier inderdaad over flinke achterwerken, to put it mildly. De modewinkels spelen er zelfs op in. Ik dronk een glaasje groene rum in de Netto Bar, de fameuze kroeg in het schilderachtige stadsdeel Otrabanda. Zelfs onze koning wordt daar af en toe aan de toog aangetroffen wanneer hij een bezoek aan de overzeese gebiedsdelen brengt. Welnu, naast dat etablissement staat zo’n modewinkel. Tot mijn tevredenheid stelde ik vast dat de paspoppen van die winkel dezelfde grote, ronde derrières hebben!
Ze zijn trots op hun voluptueuze bipsen, de Curaçaose vrouwen. Ze laten ze graag deinen en wiebelen en hun mannen kijken daar graag naar, ofschoon er de laatste tijd wel iets tussen is gekomen. Nee, niet tussen die reusachtige billen, zoals u ongetwijfeld met uw verdorven, louter op penetratie gerichte Veluwse geest denkt. De dames hebben concurrentie gekregen, bedoel ik. Van The Blue Wave om precies te zijn, oftewel het nationale voetbalteam van Curaçao. Als kleinste land ooit (180.000 inwoners) wist Curaçao zich onder leiding van Dick Advocaat voor het WK voetbal te plaatsen. Het hele eiland is nu geel en blauw gekleurd.
Dat is heel inspirerend, mijnheer Van Amerongen.
Al blijf ik natuurlijk wel goed om mij heen kijken.
Arthur: Ik wilde onze briefwisseling eindelijk eens een keer decent en oorbaar houden, maar nu jij kennelijk door de groene rum, de tropische zon en de sankanan grandi, senshual i temblando in hogere sferen bent geraakt, kan ik niet achterblijven en verval ik helaas toch weer in voorspelbare banaliteiten. Sankanan grandi is Papiaments voor dikke bipsen, terwijl je eigenlijk het Portugees-Braziliaanse woord bunda zou verwachten. Sanka komt – zo vertelde professor José Rentes de Carvalho mij op de Universiteit van Amsterdam – waarschijnlijk van het Iberische woord anca, dat in het Spaans en Portugees ‘heup’, ‘achterkant van een dier’ of ‘achterste’ betekent. Het woord is via het Spaans, Portugees en mogelijk ook het Kaapverdisch Creools in het Papiaments terechtgekomen. Mijn favoriete gedicht van de meesterlijke Braziliaanse poëet Carlos Drummond de Andrade is A Bunda. Neem nog een slokkie rum, ouwe, en denk een heerlijke bossanova of samba bij deze zwoele ode aan de kont:
A bunda, que engraçada. A bunda, que engraçada.
Está sempre sorrindo, nunca é trágica.
Não lhe importa o que vai
pela frente do corpo.
A bunda basta-se. Existe algo mais?
Talvez os seios.
Mijn grote held August Willemsen vertaalde A Bunda als volgt:
Het kontje, ach hoe aardig
Het kontje, ach hoe aardig.
Lacht altijd, nooit tragisch.
Kan niet schelen wat
van voren zit. Het kontje is zichzelf genoeg.
Is er nog meer? Misschien de borsten.
Overigens heb ik in tegenstelling tot jou louter pijnlijke herinneringen aan de Antillen. In 1980 besloot ik radicaal naar Aruba te emigreren – ik was toen al klaar met Nederland – en vloog met mijn jeugdvriend naar Caracas in Venezuela en daar vandaan zouden we met een retourbiljet van de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij naar Aruba. Met een enkeltje liet Aruba je niet binnen. In een overmoedige bui hadden Ton en ik ons helemaal kaal laten scheren. Tot overmaat van ramp droegen we zonnebrillen, Panamahoeden, witte tropenkostuums van de HIJ, Ray-Bans, Herman Brood-achtige puntschoenen én we hadden dikke sigaren in de borstzakjes van onze kostuums geprikt.
We werden meteen aangehouden op de Koningin Beatrix Luchthaven. Daar zaten we dan in het bloedheet stinkhokje tegenover meneer Jansen, een zwetende Antilliaan van minstens 200 kilo. Hij was ervan overtuigd dat wij narco’s waren. Onze paspoorten werden in beslag genomen en we moesten ons dagelijks melden bij de douane. Wij logeerden noodgedwongen in een spotgoedkoop bordeelachtig pension in hoerendorp San Nicolas. Daar leerde ik het Papiamentse scheldwoord voor blanken kennen: makamba. We zopen de hele dag bier onder de klapperboom en na tien dagen werden we politiebegeleiding op het vliegtuig naar Schiphol gezet.
Ik bleef onverstoorbaar door migreren en woonde met relatief succes in Beiroet, Jeruzalem, Paraguay, Rio de Janeiro en nu Portugal. Maar de vernedering van mijn mislukte migratie naar Aruba is nooit geheel verdwenen. Wist je trouwens dat Gerard Reve het steevast over de overzeese geslachtsdelen had in plaats van overzeese rijksdelen?
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct