James Worthy
Column

James Worthy: 'Toch wil ik dit jaar een wedstrijd spelen met honderden mensen langs de zijlijn'

'Kom eens een keer kijken bij een wedstrijd van 45+ 2. Ik kan niet beloven dat je geen spijt zult krijgen'

James Worthy
2 minuten
Column James Worthy

Vorige week had ik mijn vrouw, kind en moeder uitgenodigd om naar Sportpark Goed Genoeg te komen. We speelden een makkelijke thuiswedstrijd en ik had wel zin in een beetje publiek. Maar alle drie bleven ze in de kantine broodjes eten en chocomel drinken. Na de wedstrijd vroeg ik waarom ze niet even naar veld 4 waren gelopen.

‘Dit is de laatste halte voor wandelvoetbal,’ zei mijn zoon.
‘En twee haltes vóór de rollator,’ lachte mijn moeder.
‘En nog maar drie haltes vóór de dood,’ vulde mijn vrouw aan.

Ook deze week staat er niemand langs de lijn. En ik begrijp het wel. We spelen op een grasveld in Muiden. Op dit veld zouden koeien verhongeren. Rondom het veld hangt mist. Zelfs het klimaat probeert te voorkomen dat iemand ons ziet voetballen.

Aan de ene kant doet het pijn, maar aan de andere kant geeft het ook een soort vrijheid. Dieper kunnen we namelijk niet zinken. We kunnen met onze noppen de zeebodem raken. Als we een sprintje trekken, horen we de schelpen breken. We zijn inmiddels zo diep gezonken dat we de Titanic kunnen zien.

En toch wil ik dit jaar een wedstrijd spelen met honderden mensen langs de zijlijn. Daar heeft dit team recht op. Het is een prachtig team. We kunnen misschien geen kampioen meer worden, maar de derde plaats is nog haalbaar. 

Kom eens een keer kijken bij een wedstrijd van 45+ 2. Ik kan niet beloven dat je geen spijt zult krijgen, maar wat ik wel kan beloven, is mannen met kunstheupen, pacemakers en kleinkinderen.

Wij hebben je nodig. Ik heb je nodig. Elke zondagochtend zit ik aan de ontbijttafel met mijn vrouw en kind. En terwijl ik oud brood in de broodrooster stop, vertel ik over de wedstrijd. Onze wedstrijd. Een 1-5-overwinning. En dat ik alles tegenhield. Als een stalen pessarium met een baard hield ik alles tegen. En dan zie ik ze naar elkaar kijken. Lachend en hoofdschuddend. 

‘Ja, nee, natuurlijk, pap,’ zegt mijn zoon dan.

Hij is 12 jaar oud. Ik weet nog dat ik voor het eerst met hem voetbalde op het schoolplein van zijn basisschool. Hij was zo trots op me dat ik de bal tien keer kon hooghouden. Hij kon naar me kijken alsof ik Johan Cruijff was. Tegenwoordig heeft hij het te druk met huiswerk en videobellen met zijn vrienden.

Maar ik ben niet alleen. Heel 45+ 2 hunkert naar ogen. Ogen die zien dat we niet gek zijn. We zijn een oerdegelijk team, met de nadruk op oer. We verlangen naar spreekkoren en spandoeken. Mensen die enthousiast joelen als iemand een geslaagde pass over 4 meter geeft. Of als iemand na drie keer verkeerd ingooien het de vierde keer correct doet. Of dat iemand in het publiek ongevraagd advies gaat geven aan onze vaste vrijetrapnemer.

‘De bal ligt op 42 meter van het doel. Jij kan dit. Als iemand het kan...’ En dat er drie tellen later een satelliet uit de lucht komt vallen.

Ook oude mannen verdienen publiek. Al komen jullie maar met zijn tienen. Tien man is goed genoeg. Wij zijn goed genoeg. Tien mensen die naast een winderig veld staan en doen alsof dit de belangrijkste wedstrijd aller tijden is. En misschien is dat het ook wel.


Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.

Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?

Abonneer nu en profiteer!

Probeer direct
Nieuwe Revu 26 PRO SHOTS / Mischa Keemink