De Duitse bevolking vergrijst in een ongekend tempo. Waar in het jaar 1991 slechts vijftien procent van de oosterburen de leeftijd van 65 jaar passeerde, is dat inmiddels gestegen naar bijna een kwart. Het aantal werkenden dat het solidaire systeem moet financieren neemt tegelijkertijd schrikbarend af, waardoor de algehele betaalbaarheid in groot gevaar komt.
Om te voorkomen dat het pensioensysteem definitief onder deze enorme demografische druk bezwijkt, steunt de regering van Merz een ingrijpend historisch advies. Een deskundigencommissie stelt voor om de wettelijke pensioenleeftijd structureel te koppelen aan de stijgende levensverwachting. Concreet betekent dit dat de huidige generatie werkende Duitsers in de toekomst pas rond hun zeventigste met pensioen kan, meldt nu.nl.
Merz verdedigt de pijnlijke ingreep met verve en benadrukt dat niets doen geen optie is. Volgens de bondskanselier is het volstrekt onvermijdelijk om de jongere generaties meer zekerheid en financiële ademruimte te bieden. Zij mogen volgens hem simpelweg niet opdraaien voor de exploderende kosten die de huidige vergrijzing en de bijbehorende massale pensionering met zich meebrengen.
Klap voor zware beroepen
Het meest omstreden en besproken onderdeel van het ambitieuze plan is het sneuvelen van de riante regeling voor vervroegde uittreding. Op dit moment mogen Duitsers die al 45 dienstjaren op de teller hebben staan nog op hun 63e stoppen met werken, met behoud van hun volledige uitkering. De commissie wil deze populaire ontsnappingsroute nu echter volledig van tafel vegen.
Deze harde maatregel treft met name de arbeiders in fysiek zware beroepen, zoals bouwvakkers en zorgmedewerkers, buitengewoon hard. Terwijl de commissie wijst op welgestelden die de regeling veelvuldig gebruiken, vrezen critici dat juist de kwetsbare groepen de dupe worden. Merz toont zich echter onvermurwbaar: het parlement moet het volledige pakket als één onlosmakelijk geheel accepteren.