Er zijn tegenwoordig twee soorten burgers: de Bezorgde Burger en de Gekwetste Burger. Beide soorten zijn slachtoffers. Zap een avondje langs de talkshows en je ziet ze meteen zitten.
De bezorgde burger kennen we. Die is inmiddels alweer een kwart eeuw oud en komt nooit iets tekort – leuk huis, auto voor de deur, kinderen die het goed doen – maar hij maakt zich wel zorgen. Over windmolens, over de buurman die een andere taal spreekt, over de Europese Unie en over de warmtepomp. Maar de laatste tijd vooral over een azc dat héél misschien drie dorpen verderop komt.
Ik zeg met opzet ‘héél misschien’, want het mooie aan bezorgd zijn, is dat je niet eens zeker hoeft te weten of zo’n azc er ook echt komt en om hoeveel asielzoekers het dan zou gaan. Sterker nog, als je ‘bezorgd’ bent, hoef je helemaal niets te weten. De bezorgde burger vóélt iets – en daarmee is de kous af, want een gevoel kun je niet tegenspreken.
Alsof iemand die bezorgd is, ook automatisch gelijk heeft.
‘Vroeger hadden we deze mensen ook. Alleen heette hun gebazel toen nog zeiken. Of zaniken’
Maar nu komt het. Zap door naar een andere talkshow en daar zit het tweelingbroertje van de bezorgde burger: de gekwetste burger. Iemand die zich onterecht bejegend voelt door een standbeeld, een woord of een grap. Of nog erger, door een straatnaam. En dat zegt diegene dan ook: ‘Ik voel me gekwetst.’ Dat is het toverzinnetje.
Want wie gekwetst is, hoeft niet meer met argumenten te komen. Diegene is slachtoffer. En slachtoffers hebben in dit land altijd gelijk. Dus valt heel de tafel stil, want kom je met een tegenwerping, dan kwets je opnieuw. Precies zoals je tegen de bezorgde burger niet mag zeggen dat het allemaal wel meevalt, want dan luister je niet.
Hoe handig is dat? Een mening kun je bestrijden en een feit kun je checken, maar een gevoel laat zich niet ontkennen. ‘Ik maak me zorgen’ en ‘ik voel me gekwetst’ zijn allebei bestand tegen elk tegenargument. Het is allang niet meer nodig om te beargumenteren wat je vindt. Je hoeft alleen nog te melden hoe je je vóélt. En als iets pijnlijk aanvoelt, dan moet het wel onrechtvaardig zijn ook.
Dus springen Hilversum en Den Haag direct in de houding zodra iemand zich bezorgd of gekwetst verklaart. Overal krijgen deze twee troetelkinderen voorrang. Rechts trekt de bezorgde burger op schoot, links de gekwetste.
En talkshows doen vrolijk mee: ‘Vertel eens, hoe erg was het precies?’ Een onderbouwd verhaal hoeft de tafelgast niet te hebben. Is er kritiek, dan antwoordt hij gewoon: ‘Ik voel dat toch anders.’
Vroeger hadden we deze mensen ook. Alleen heette hun gebazel toen nog zeiken. Of zaniken. Dat deden ze dan in een hoekje van het buurtcafé, boven een lauw biertje. En er was geen hond die luisterde. Hooguit riep de kastelein een keer: ‘Hou nou je kop ’ns, Henk. Neem nog een pilsje en doe effe normaal.’
Het oeverloze gezeik en gezanik was er dus altijd al. Het enige verschil is dat ze er tegenwoordig een microfoon bij hebben gezet.
Je hebt zojuist een premium artikel gelezen.
Online onbeperkt lezen en Nieuwe Revu thuisbezorgd?
Abonneer nu en profiteer!
Probeer direct